Sandick, Andries Adriaan van (1898-1962)

 
English | Nederlands

SANDICK, Andries Adriaan van (1898-1962)

Sandick, Andries Adriaan van, bankier (Amsterdam 21-10-1898 - Voorst 14-5-1962). Zoon van ir. Rudolf Adriaan van Sandick, alg. secr. Kon. Inst. van Ingenieurs, en Anna Sophia van Schilfgaarde. Gehuwd sinds 5-11-1924 met Suzanna Sophia de Mol van Otterloo. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren.

Van Sandick, die met zijn later in de industrie werkzame tweelingbroer Joannes Catharinus een verwarrende gelijkenis vertoonde, was na zijn HBS-jaren te 's-Gravenhage aanvankelijk bestemd voor de opleiding tot zeeofficier, doch moest daarvan bij zijn intrede in de praktijk afzien wegens het feit dat hij hardnekkig last had van zeeziekte. Dank zij een persoonlijke relatie kon hij in 1917 een plaats vinden in het bankwezen als volontair bij R. Mees & Zoonen te Rotterdam. In 1925 werd hij benoemd tot chef van de wisselafdeling en economist bij de toenmalige Javasche Bank te Amsterdam. In 1929 werd hij secretaris van de directie van de Rotterdamsche Bankvereeniging met de opdracht nieuwe impulsen te geven aan de door hem te leiden economische afdeling. Door studie had hij zich mede bekwaamd in de wissel-arbitrage en in het bijzonder de goudhandel.

Van Sandick begon zich ook op wetenschappelijk gebied te bewegen en publiceerde van 1929 tot 1945 regelmatig beschouwingen in De Economist, tot 1932 in de rubriek 'De Internationale geldmarkt' en daarna in de 'Financiële Kroniek' in dit gezaghebbende tijdschrift. Hij nam ook actief deel aan het werk van de Vereeniging voor waardevast geld als geharnast tegenstander van de theoriën van de Rotterdamse hoogleraar J. Goudriaan. Voor de maatregelen, welke in 1936 leidden tot de depreciatie van de Nederlandse gulden had hij, zonder zijn gevoel voor realiteit te verloochenen, geen goed woord over. Daarnaast gaf hij in 1938 de nuchtere raad om een flink deel van de Nederlandse goudvoorraad veiligheidshalve te deponeren in de Verenigde Staten. Van zijn inzichten gaf hij niet alleen in de Economisch-Statistische Berichten maar ook in verschillende dagbladen blijk. Deze publicistische activiteit werd in 1942 de aanleiding tot een nieuwe wending in zijn levensloop. De directeur mr. H.L. Woltersom van de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver) gaf toen te kennen, dat hij - als voorzitter van de in de bezettingsjaren fungerende commissie voor de organisatie van het bedrijfsleven - voorafgaand toezicht op deze publikaties wenste uit te oefenen. Van Sandick aanvaardde dit niet en nam daarom zijn ontslag om de latere oorlogsjaren ambteloos door te brengen in nauwe vriendschap met de afgezette burgemeester van Rotterdam mr. P.J. Oud.

In 1945 toonde hij reeds terstond zijn intensieve belangstelling voor de grote vragen van die dagen door de publikatie van een brochure Herstel der maatschappij (Rotterdam, 1945) waaraan hij als motto een bijbeltekst meegaf: 'Gij zijt duur gekocht: wordt geen dienstknechten der menschen' (I Cor. 7:23). Hij bepleitte daarin het terugdringen van de in zijn ogen voortdurend toegenomen staatsmacht, inperking van de staatstaak en een daarmede gepaard gaand herstel van recht en vrijheid in hun volle omvang. Geleide economie was voor hem een modeverschijnsel, dat hem allerminst lag. Als de overheid zich nu bepaald met het economische leven meende te moeten bemoeien, dan behoorde zij er naar zijn gevoelen naar te streven de economische wetten zoals hij die meende te zien tot gelding te doen komen.

In zijn Rotterdamse jaren verwierf hij zich reeds de reputatie van een betrouwbaar en evenwichtig man met aangename omgangsvormen, waardoor hij verschillende functies in besturen op sociaal, literair en economisch gebied vervulde. Ook had hij grote belangstelling voor de wijsbegeerte tot uiting komend in zijn contacten met prof.mr. B.M. Telders.

In 1946 verliet Van Sandick het hem zo vertrouwd geworden Rotterdamse milieu om in Amsterdam directeur te worden van de Nederlandsche Handel Maatschappij. Daar bereikte hij in 1957 als president een topfunctie in het Nederlandse bankwezen. Hij werd lid van de Bankraad en op breder terrein ook lid van de Sociaal-Economische Raad. In het organisatieleven was hij sedert 1952 bestuurslid van de Nederlandsche Bankiersvereeniging, waarvan hij, zo hij in leven gebleven ware, voor de voorzittersstoel bestemd was. Sinds 1956 bekleedde hij reeds het voorzitterschap van de Amsterdamsche Bankiersvereeniging. Het algemene belang diende hij van 1950 tot 1958 als Christelijk-historisch lid van de gemeenteraad van Amsterdam. Ook maakte hij in die stad deel uit van het college van Kerkvoogden van de Nederlands-Hervormde gemeente.

Van Sandiek was zeker geen figuur voor het ontplooiien van schitterende welsprekendheid. In zijn geschriften echter formuleerde hij zeer zorgvuldig en duidelijk. Hij was een man van groot menselijk medegevoelen, zich vooral uitend in de moeilijke jaren na het verlies van de bank- en cultuurbelangen in Indonesië. Terwijl hij de zaken daar zo lang en zo goed mogelijk gaande trachtte te houden, ging zijn zorg ook uit naar de veiligheid en de verzorging van de daar werkzame employé's en hun gezinnen. Als voorzitter van de Ondernemingsraad streefde de president naar persoonlijk contact met het personeel, daarbij geholpen door zijn zin voor enerzijds naar het sarcastische neigende, doch anderzijds ook milde humor, welke in de menselijke omgang vaak bevrijdend werkte. Als vakman was hij het type van de klassieke commerciële bankier, rustig en nuchter, die zijn gedegen vakkennis trachtte te benutten om de bloei van zijn instelling te bevorderen, niet geneigd tot wilde sprongen, maar ook bereid tot ombuiging van het beleid, als hij eenmaal overtuigd was van de wenselijkheid daarvan. Zonder alle nieuwigheden in de bedrijfsvoering toe te juichen aarzelde hij dan niet hervormingen door te voeren. Het maken van reclame lag hem niet zo, doch overtuigd van de groeiende noodzaak van meer publiciteit schikte hij zich daarin toch. In de jaren van heroriëntatie na het verlies van de Nederlandse koloniën in Azië werkte hij ook intensief mee aan de eerste fase van de fusie met De Twentsche Bank, hoezeer hij ook betreurde dat dientengevolge het klassieke imago van de Nederlandsche Handel Maatschappij verloren moest gaan.

Vanzelfsprekend heeft het bedrijfsleven in brede kringen een beroep gedaan op de deskundigheid en karaktervastheid van Van Sandick. Hij was onder meer commissaris van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, de Koninklijke Nederlandse Stoombootmaatschappij, de Nederlandse Scheepvaart Unie, Nederlandse Dok Maatschappij, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Havenwerken, de Nederlandse Lloyd, de Nederlandse Wol Maatschappij, de Verenigde Touwfabrieken, de Amsterdamse Superfosfaatfabriek en Werkspoor.

Van Sandick stierf volkomen onverwachts op betrekkelijk jonge leeftijd.

P: De ordening van een christelijk-historisch standpunt beschouwd (Rotterdam, 1935); A.A. van Sandick en G.M. Verrijn Stuart, De beteekenis van waardevast geld (Haarlem, [1937]). Preadviezen uitgebracht op verzoek van de Nederlandsche Vereeniging voor Waardevast geld; Herstel der maatschappij (Rotterdam, 1945); voor de Vereeniging van de staathuishoudkunde en statistiek: Prae-adviezen over de vragen: Bestaat er verschil tussen de functie der rente in de vrije economie en die in de geleide economie?_ ('s-Gravenhage, 1945). Voorts artikelen in De Economist, Economisch-Statistische Berichten e.a.

L: D.C. Renooij, in Economisch-Historisch Jaarboek 29 (1963) 335-339.

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013