Sassen, Ferdinand Léon Rudolphe (1894-1971)

 
English | Nederlands

SASSEN, Ferdinand Léon Rudolphe (1894-1971)

Sassen, Ferdinand Léon Rudolphe, priester, hoogleraar in de wijsbegeerte (Nijmegen 13-8-1894 - Lugano in Zwitserland 16-9-1971; begraven Rolduc in Limburg). Zoon van Ferdinand George Henri Auguste Sassen, civiel-ingenieur bij de Mij. tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, en Carolina Theodora Constantia Stams. afbeelding van Sassen, Ferdinand Léon Rudolphe

Voortgekomen uit de patriciërsfamilie Sassen, die vele in wetenschap, burgerlijk bestuur en politiek vooraanstaande personen had voortgebracht, was hij, gestimuleerd door een sterke familietraditie, maar vooral door zijn grote scherpzinnigheid (speciaal ook op juridisch gebied) en zijn brede belangstelling, zelf ook voorbestemd om op zeer verschillende gebieden een belangrijke plaats in te nemen. Dit werd nog bevorderd door zijn aangeboren en verder ontwikkelde eigenschappen, gevoel voor stijl en gemak van omgang met mensen van allerlei rang en stand.

Na de lagere school te Breda, waarheen zijn ouders in 1899 verhuisd waren, ging Ferdinand in 1906 naar het Canisiuscollege te Nijmegen en verwierf in 1912 gelijktijdig de diploma's gymnasium- A en- B. Hierna volgde een studie in de wijsbegeerte aan de Universiteit te Fribourg (Zw.), waar hij in 1915 promoveerde op het proefschrift: De theoria cognitionis Plotini .... Van 1915 tot 1919 studeerde hij theologie aan het bisschoppelijk Seminarie te Roermond, waar hij 5 april 1919 werd priester gewijd. In 1919 werd Sassen leraar te Rolduc, waar hij tot 1931 wijsbegeerte en geschiedenis der wijsbegeerte alsmede Grieks en kerkgeschiedenis doceerde. Reeds in 1929 volgde zijn benoeming tot hoogleraar aan de R.K. Universiteit te Nijmegen, waar hij met een inaugurale rede Optimisme en pessimisme in de Grieksche wijsbegeerte op 22 oktober 1929 zijn taak aanvaardde die tot 1945 zou duren. In deze periode werden door hem geschiedenis der wijsbegeerte (speciaal van Grieken en Romeinen), diverse andere wijsgerige vakken, maar ook geschiedenis der pedagogiek en didactiek gedoceerd.

Als priester van het bisdom Roermond heeft hij zich zijn leven lang sterk met dit diocees en met de provincie Limburg verbonden gevoeld en zich steeds gaarne voor hun beider belangen ingezet: bijv. voor de erkenning van staatswege van de nieuw opgerichte Hogeschool voor theologie en pastoraat te Heerlen, en bij de voorbereidingen tot oprichting van een universiteit te Maastricht. Zijn verbondenheid met Limburg is ook tot uiting gekomen in veel publikaties over cultuur en wetenschapsbeoefening in Limburg - met een sterke voorliefde voor Rolduc, getuige zijn vele bijdragen in Rolduc's Jaarboek - en over een aantal in dit opzicht belangrijke figuren in en uit Limburg (o.a. over Dionysius de Kartuizer, prof. Schrijnen, mgr. Van Gils).

In 1945 werd Sassen door minister G. Bolkestein betrokken bij de oprichting van de tijdelijke Academie te Eindhoven. Vanaf 1 september 1945 kreeg hij onder minister G. van der Leeuw de functie van directeur-generaal van Onderwijs, wat het einde betekende van zijn Nijmeegse professoraat en het begin werd van zijn verblijf in Den Haag. Daar deze functie hem echter niet bevredigde, aanvaardde hij graag in 1946 de benoeming tot hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit te Leiden als opvolger van prof. A.J. de Sopper. Zijn oratie op 17 mei 1946 had als titel: Katholicisme en wijsgeerig denken.

In zijn langdurig professoraat (1929-1945 te Nijmegen; 1946-1964 te Leiden) heeft Sassen een grote persoonlijke invloed gehad op talrijke studenten en hun toekomst daardoor vaak in hoge mate bepaald. Velen werden door hem gestimuleerd tot wetenschappelijke activiteiten die dan dikwijls een bekroning vonden in een promotie. Verder heeft hij zelf zeer veel gepubliceerd op wijsgerig terrein, maar ook op vele andere gebieden, waarbij zijn Rolducse en Nijmeegse periodes wel de meest vruchtbare geweest zijn. In die jaren verscheen zijn bekende handboek over de geschiedenis der wijsbegeerte in vijf delen (1928-1938), die alle één of meer herdrukken beleefden. Zeer vaak heeft hij aandacht besteed aan de grote wijsgeer en theoloog Thomas van Aquino. Zijn bekend boek Thomas van Aquino (1934), met een beknopte, maar boeiende, uiteenzetting van diens leer en leven, kreeg in 1961 nog een herdruk. Na 1940 ging zijn belangstelling steeds meer uit naar het grotendeels onontgonnen terrein van de geschiedenis der wijsbegeerte en van het vroegere wijsgerig onderwijs in de Nederlanden. Het resultaat van zijn omvangrijk speurwerk op deze gebieden is neergelegd in talrijke artikelen. Uit vele andere publikaties blijkt zijn bewonderenswaardige kennis van geschiedenis, cultuur, onderwijs en wetenschapsbeoefening in het algemeen, en in het bijzonder in de Nederlanden.

Sassens brede belangstelling en zijn aanleg voor bestuurlijke en juridische aangelegenheden brachten hem tot velerlei nevenactiviteiten waarvan een beperkt aantal hier vermeld worden: lid van de Spellingscommissie 1938-1939; van 1938-1964 lid van de Onderwijsraad, waarvan in 1947 voorzitter van de eerste afdeling, en in 1956 algemeen voorzitter. In 1946 werd hij lid van de Ereraad voor het onderzoek betreffende de activiteiten van de 'Nederlandsche Unie' en haar leiding, in 1949 lid van de 'Ronde-Tafel-conferentie' over Indonesië. Jarenlang was hij lid van de Nederlandse delegatie naar de Unesco-conferenties, en van de Gemengde Commissies voor de uitvoering van de Culturele Accoorden met België, Luxemburg en Frankrijk. Verder was hij lid, en meestal voorzitter, van talrijke Staatscommissies op zeer uiteenlopende terreinen. Van 1961-1971 was hij ook Curator van de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Al zijn taken vervulde hij met inzet van heel zijn persoonlijkheid, en zijn veelzijdigheid en werkkracht zullen moeilijk geëvenaard kunnen worden.

Ook Sassen is niet ontkomen aan incidentele miskenning en kritiek. Zijn benoeming tot hoogleraar, bij de oprichting van de Katholieke Universiteit in 1923 overwogen, vond pas in 1929 plaats. Een artikel in De Maasbode van 6 maart 1931 over Thomas van Aquino en Hegel ontlokte felle reacties die hun weerklank vonden bij de Congregatie der Seminaries en Universiteiten te Rome. Dank zij het dringend verzoek van het Nederlands Episcopaat mocht hij zijn functie blijven uitoefenen waarvoor echter jaarlijks toestemming moest worden gevraagd. In 1938 vervielen de Romeinse bezwaren. De Nederlandse bleven voorlopig bestaan.

Anderzijds heeft Sassen in ruime mate waardering en ook publieke erkenning gevonden voor zijn uitzonderlijke verdiensten op diverse gebieden. Hij was ereprelaat van Z.H. de Paus. Wegens zijn wetenschappelijke verdiensten werd hij lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam (1936) en van de Koninklijke Vlaamse Academie van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, en verder eredoctor van de Laval-universiteit van Quebec (1958). Zijn verdiensten op landelijk en internationaal gebied vonden erkenning in talrijke onderscheidingen.

A: Collectie-Sassen (een selectie van aan hem gerichte brieven van diverse aard). Afdeling Westerse Handschriften in Bibliotheek van de Rijksuniversiteit te Leiden.

P: Behalve de reeds genoemde werken, worden zijn meest belangrijke publikaties vermeld in het hieronder genoemd artikel over 'De betekenis van professor Sassen . . .' in Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte 64 (1972) 169-172.

L: B. Delfgaauw, in Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte 64 (1972) 1-3; P.H. van Laer, 'De betekenis van professor Sassen voor de geschiedenis van de wijsbegeerte in de Nederlanden', ibidem, 165-169; idem, in De Maasgouw. Tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 90 (1971) kol. 137-142; A.G.M. van Meisen, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1971, 107-112; C.A. van Peursen, in Leidse Universiteit (Leiden: Leidsch Universiteitsfonds, 1972) 78-79; J.A.A. Verlinden, in Uitleg. Weekblad van het Departement van Onderwijs en Wetenschappen 7 (1971-1972) 256 (6 oktober 1971) 10-11; Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1973 .... Onder red. van A.F. Manning e.a. (Bilthoven, 1974) 110-111; 140-161.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 12 (Verbeterblad).

P.H. van Laer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013