Savornin Lohman, jhr. Witius Hendrik de (1864-1932)

 
English | Nederlands

SAVORNIN LOHMAN, jhr. Witius Hendrik de (1864-1932)

Savornin Lohman, jhr. Witius Hendrik de, jurist (Appingedam 1-3-1864 - 's-Gravenhage 15-7-1932). Zoon van jhr. Alexander Frederik de Savornin Lohman, politicus, en Joanna Catharina Ermerins. Gehuwd op 12-9-1889 met Emelia Pauline Hovy. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 9 dochters geboren. afbeelding van Savornin Lohman, jhr. Witius Hendrik de

In 's-Hertogenbosch volgde hij de lagere school en het gymnasium. Na zijn eindexamen in 1882 liet hij zich inschrijven in de faculteit rechten van de Vrije Universiteit. Hij sloot zijn studie af met een promotie in de rechtswetenschap in 1888. Zijn proefschrift luidde De kerkgebouwen van de Gereformeerde (Hervormde) Kerk in Nederland (Amsterdam, 1888). Het volgend jaar werd hij benoemd tot adjunct-commies bij het departement van Binnenlandse Zaken en reeds het jaar daarop tot buitengewoon hoogleraar in de rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zijn intreerede De verhouding tusschen het recht, den staat en de overheid (Amsterdam, 1890) getuigde van een vooral bij zijn leeftijd ongewone eruditie ook buiten het terrein van het recht en van zijn grote gave van treffende, heldere en evenwichtige expositie. Op 22 november 1895 werd hij benoemd tot rechter in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. In 1901 plaatste de Tweede Kamer hem, buiten de aanbeveling van de Hoge Raad om, op de voordracht voor benoeming in dit college en op 21 december werd hij benoemd. De politieke verhoudingen waren hierop zeker niet zonder invloed geweest, maar reeds bij zijn installatie getuigde de president, de eminente jurist F.B. Coninck Liefsting, dat slechts zijn jeugdige leeftijd en geringe anciënniteit als reden moest worden gezien waarom de Raad hem niet had aanbevolen. De vroege benoeming bracht mee dat hij ongewoon lang deel heeft uitgemaakt van het presidium van de Hoge Raad, sedert 1912 als vice-president en sedert 1914 als president. Met 1 januari 1931 werd hem op verzoek eervol ontslag verleend. Ondanks de drukke aan zijn ambten verbonden bezigheden is Lohman vrij veel blijven publiceren. Zijn geschrift Van huwelijk en echtscheiding ('s-Gravenhage, 1913) is misschien het meest karakteristiek voor de persoonlijkheid van de schrijver: nuchter, praktisch, bescheiden, zonder zwaarwichtigheid, maar tegen de achtergrond van een onwrikbare reformatorische overtuiging. Waar die overtuiging zich daartegen niet verzet, toont Lohman zich alleszins openstaand voor de bezwaren van het geldende recht. Typerend is voor deze hoge magistraat met zijn solide en uitgebreide kennis, zijn hoffelijke, tegelijk eenvoudig en stijlvolle wijze van optreden die hem bij uitstek geschikt maakte voor het zo lang door hem beklede ambt van president van de Hoge Raad, zijn nadrukkelijk wijzen op de feilbaarheid van de rechter.

P: Samenwerking op maatschappelijk gebied, inzonderheid door volksbanken (Utrecht, 1895); N.K.F. Land, Verklaring van het Burgerlijk Wetboek 2e dr. (Haarlem, 1907. dl. 4); De opleiding van den jurist op het gymnasium en aan de universiteit (Utrecht, 1914); Groen van Prinsterer (Baarn, 1914).

L: G.E. Langemeijer, in Nederlands Juristenblad 7 (1932) 489.

I: P.J. van Koppen en J. ten Kate, Tot raadsheer benoemd. Anderhalve eeuw benoemingen in de Hoge Raad der Nederlanden (Arnhem, 1987) 44.

G.E. Langemeijer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013