Schelven, Aart Arnout van (1880-1954)

 
English | Nederlands

SCHELVEN, Aart Arnout van (1880-1954)

Schelven, Aart Arnout van, hoogleraar geschiedenis (Haarlem 11-11-1880 - Aerdenhout (gem. Bloemendaal) 19-5-1954). Zoon van Bastiaan van Schelven, predikant, en Louiza Diederika van Teijlingen. Gehuwd op 7-6-1921 met Else Wilde. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

afbeelding van Schelven, Aart Arnout van

Van Schelvens jeugd heeft zich afgespeeld in het besloten Kuyperiaans-gereformeerde milieu van doleantie en antithese. Zijn vader, de Amsterdamse predikant B. van Schelven, behoorde in die kring tot de voormannen, en was onder meer vele jaren curator van de Vrije Universiteit. Het sprak dan ook vanzelf, dat de jonge Van Schelven zijn opleiding ontving aan het gereformeerd gymnasium te Amsterdam, en vanaf 1899 aan de Vrije Universiteit, als student in de theologie. Na het kandidaatsexamen zocht hij niet dadelijk een pastorie, maar zette zijn studie voort tot de promotie in 1908, over De Nederduitsche vluchtelingenkerken der XVIe eeuw in Engeland en Duitschland in hunne beteekenis voor de Reformatie in de Nederlanden. Eerst toen werd hij predikant in de gereformeerde kerken, 1909-1914 te Maarssen, 1914-1918 te Vlissingen. In 1918 opende de Vrije Universiteit de studierichting geschiedenis. Van Schelvens theologische opleiding bleek geen bezwaar voor een benoeming als hoogleraar in de geschiedenis van de Middeleeuwen, de tijd der Reformatie en Contrareformatie, en de theorie der geschiedenis. De mediaevistiek kwam bij Van Schelven weinig aan bod, en in de theorie heeft hij niet uitgemunt. Belangrijk echter is zijn bijdrage geweest aan de bestudering van de zestiende eeuw. Daar liggen zijn hoofdwerken: behalve de dissertatie Willem van Oranje (1933), Het Calvinisme gedurende zijn bloeitijd (1943- [1965] 3 dln.) en de bundel Uit den strijd der geesten (1944).

De dissertatie is wel direct een typisch Van Schelven-boek. De auteur presenteert zich niet als een schuchter leerling, maar als een autoriteit, die vertrouwd is met de zestiende eeuw en haar kerkelijke beroeringen. Tevens blijkt wat hem in dat tijdvak altijd zo sterk heeft aangetrokken: de grote positieve kracht van de zestiende eeuw is voor hem het calvinisme. Aan de beschrijving van dat historische verschijnsel heeft Van Schelven zijn geleerdenleven gewijd. In de dissertatie ging het nog om een deel van die stof, de Nederlandse vluchtelingengemeenten. Het Calvinisme gedurende zijn bloeitijd zou een algemene geschiedenis van deze beweging worden. Beide boeken zijn op dezelfde wijze opgezet. Al in zijn dissertatie koos Van Schelven voor wat hij de historisch-genetische methode noemde, de beschrijving van de afzonderlijke vluchtelingenkerken in hun eigen ontwikkeling. Voorbarig leek hem een systematische aanpak in de trant van calvinisme en kerkelijke tucht, calvinisme en armenzorg, calvinisme en cultuur. Een dergelijke groepering zou pas geoorloofd zijn als de feiten eerst gemeengoed gemaakt waren. Aan deze opvatting hield hij ook vast in zijn grote boek. De nationale vormen van calvinisme worden daar elk in hun eigen aard geschetst, zodat in Engeland de doperse invloed kan blijken, in Bohemen de aparte relatie tot de hussieten, in Polen de calvinisering van boven af door de Poolse edelen. Van Schelven was zich er zeer goed van bewust dat zijn werk van voorlopige aard zou moeten blijven. Hij achtte het toch zijn plicht die taak te ondersteunen. Calvinisme had op de mensen een stempel gezet, in Nederland ook niet alleen op de calvinisten. De behoefte aan een samenvattende behandeling was zo groot dat men op meer bronnen en meer onderzoek eenvoudig niet kon wachten. De nadruk op het cultureel-maatschappelijke geeft het boek ook wel een eigen karakter. Het specifiek theologische is bewust buiten beschouwing gelaten. Misschien dientengevolge houdt het begrip calvinisme een zekere vaagheid. Van Schelvens geringe geneigdheid tot bespiegelingen weerhield hem van pogingen tot een uitgebalanceerde definitie, ofschoon hij de indruk wekt er voor zichzelf wel een te hebben.

Superieur in de vormgeving toont Van Schelven zich niet. Zijn stijl lijkt vrij sterk door de preekstoel beïnvloed. Een gelukkige vondst of kerngedachte wordt meestal met nadruk herhaald, niet zelden in dezelfde bewoordingen, met toevoeging van een uitroepteken. Ook vraagtekens zijn overvloedig, maar ze zijn niet voorbestemd lang te blijven staan. Van Schelven komt gewoonlijk tot besliste antwoorden, waarbij het hem echter niet altijd gelukt evenveel zekerheid aan de lezer mee te geven. Doch hoe moeizaam en gewrongen de stijl ook is, duister is hij nooit. Van Schelven weet zijn bedoelingen voldoende duidelijk te maken.

Zijn beste werk is de biografie van Willem I. Oranje komt hier naar voren als de prins van Duitsen bloed, die uitgroeit tot strijder voor de vrijheid van de zeventien gewesten. Godsdienstig tolerant, doch niet uit onverschilligheid, want tegelijk in het laatste decennium van zijn leven een overtuigd calvinist. Het boek verscheen in 1933, in opdracht van het herdenkingscomité. Werk op bestelling leverde Van Schelven anders weinig. Hij voelde wel verplichtingen, zoals hij met name meende tot de beschrijving van het calvinisme welhaast geroepen te zijn. Maar hij werd niet als andere VU-hoogleraren van zijn generatie eigendom van het gereformeerde publiek, dat van zijn voormannen informatie en leiding verlangde.

Wel bewoog hij zich meer dan de meeste van zijn ambtgenoten buiten die gereformeerde kring, zowel in historisch-wetenschappelijk verband als in de Groot-Nederlandse beweging, in zijn hoedanigheid van hoofdbestuurslid van het Algemeen Nederlands Verbond. De hartstocht voor Groot-Nederland heeft Van Schelvens politiek doorzicht niet verscherpt. Tijdens de bezetting meende hij de Nederlandse waarden en belangen het beste te kunnen dienen door aansluiting bij het Nationaal Front (NF), in zijn ogen een tegenwicht tegen de NSB. Hij was van 22-10-1940 tot 17-4-1941 president van de Kulturele Kamer van NF. Onder druk van curatoren die hem 10 oktober 1940 voor de keuze stelden uit af te treden of ontslag als hoogleraar te nemen, bedankte hij begin 1941 weer als lid, en hij werkte niet mee aan een poging van de bezetters, hem het rectoraat van de Vrije Universiteit op te dragen. Zijn sympathie voor Arnold Meijer bleef evenwel bestaan. Direct na de bevrijding werd hij op non-actief gesteld met behoud van financiële rechten en met ingang van 12-5-1946 op zijn verzoek ontslagen. Sindsdien leefde hij in een isolement, dat aan zijn arbeidslust geen afbreuk deed. Tot het laatst bleef hij werken aan Het Calvinisme gedurende zijn bloeitijd, dat hij echter onvoltooid achter heeft moeten laten.

A: Archief-Vrije Universiteit en archief-Nationaal Front in Rijksarchief Noord-Brabant, alsmede brieven van Van Schelven in KB.

P: Een beknopte bibliografie in hieronder vermeld artikel van H. Smitskamp.

L: Jaarboek der Vrije Universiteit te Amsterdam 1948, 62; H. Smitskamp, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1953-1955. Levensberichten 74-77; J. Roelink, in Wetenschappelijke Tijdingen 14 (1954) 6 (juli) kol. 219-kol. 222.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1302.

A.Th. van Deursen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013