Schrijnen, Joseph Charles Fran├žois Hubert (1869-1938)

 
English | Nederlands

SCHRIJNEN, Joseph Charles François Hubert (1869-1938)

Schrijnen, Joseph Charles François Hubert (Jos.), classicus, linguïst, folklorist (Venlo 3-5-1869 - Nijmegen 26-1-1938). Zoon van Adriaan Martinus Hendrik Hubert Schrijnen, apotheker, en Maria Anna Scholastica Hubertina Canoy. afbeelding van Schrijnen, Joseph Charles François Hubert

Jos. Schrijnen stamde uit een oud Limburgs geslacht van medici en apothekers. Zijn Limburgse afkomst heeft ongetwijfeld zijn geestelijke en wetenschappelijke ontwikkeling mede bepaald. Zijn eerste opleiding ontving Schrijnen van oktober 1883 tot augustus 1886 aan het Bisschoppelijk College te Roermond. Daarna volgde hij gedurende twee jaren de filosofische cursus, die voor aanstaande priesters van het bisdom Roermond te Rolduc gegeven werd. Na beëindiging van deze studie begon hij in 1888 aan de Universiteit te Leuven de studie in de klassieke letteren. Zijn leermeesters waren daar o.a. P. Willemsen en F. Collard, maar het waren de hoogleraren in de vergelijkende en algemene taalwetenschap J. de Groutars, C. de Harler en vooral Ph. Colinet wier onderwijs hem bijzonder bleek te boeien. Het is wel vooral op instigatie van deze laatste, dat hij besloot, ter afronding van zijn academische studie, naar Parijs te gaan, waar door hem gedurende twee semesters de colleges van de grote vernieuwer van de algemene taalwetenschap, Ferdinand de Saussure en die van Victor Henry gevolgd werden. Het is vooral de Parijse school die in de latere jaren zijn taalkundige inzichten en zijn methoden als linguïst zal beïnvloeden. In het jaar 1891 sloot Schrijnen zijn academische studie te Leuven af met een proefschrift, getiteld: Etude sur le phénomène de l"s mobile dans les langues classiques et subsidiairement dans les groupes congénères. Het hier behandelde probleem van de prefixering in de Indo-europese talen heeft hem niet meer losgelaten en hij komt er nog op terug in een van zijn laatste publikaties: 'Autour de I's mobile' (Bulletin de la société de linguistique de Paris 38 (1937) 117-121.

Toch schenen aanvankelijk Schrijnens belangstelling en werkzaamheid in andere richtingen te gaan. Na drie jaren theologische studie werd hij in 1894 te Roermond tot priester gewijd. Kort daarop volgde zijn benoeming tot leraar aan het Bisschoppelijk College in die stad. Gedurende deze Roermondse jaren ontstond bij hem een levendige belangstelling voor het onderwijs, voor nieuwe vormen en methoden, een belangstelling, die hem niet weer zou verlaten en hem in latere jaren o.a. een werkzaam aandeel deed nemen aan de totstandkoming van het Academisch Statuut. Reeds vroeg verdedigde hij ook nieuwe inzichten met betrekking tot het klassieke onderwijs op de gymnasia in zijn brochure: De vergelijkende klassieke taalwetenschap in het gymnasiaal onderwijs.

Aanvankelijk leek het, dat de liefde voor zijn geboortegrond Schrijnens wetenschappelijke activiteiten voorgoed zou bepalen. De publikaties van de eerste jaren na het beëindigen van zijn Leuvense studie liggen bijna alle op het gebied van de Limburgse folklore en dialectstudie. Maar, te beginnen met het jaar 1903, wendt hij zich toch ook weer tot de Indogermanistiek en in 1905 doet de jonge college-leraar een vermetele stap, aldus bewijzend, dat het onderwijs te Leuven en Parijs toch niet onvruchtbaar was geweest. Hij publiceert dan een Inleiding tot de studie der vergelijkende Indogermaansche Taalwetenschap.... Twaalf jaar later zal een nieuwe, geheel omgewerkte en uitgebreide editie verschijnen onder de titel Handleiding bij de studie der vergelijkende Indogermaansche Taalwetenschap..., waarvan in 1921 van de hand van W. Fischer een Duitse vertaling volgde. Intussen had Schrijnens reeds wijde, maar toch niet onsamenhangende belangstelling zich nog uitgebreid tot een ander gebied: dat der cultuurgeschiedenis der eerste Christelijke eeuwen.

Het is met de Indogermanistiek, zijn 'Leuvense studierichting', en de oudchristelijke cultuurhistorie, dat Schrijnen in 1910 zijn academische loopbaan begon: in dat jaar werd hij benoemd tot bijzonder lector, twee jaar later tot bijzonder hoogleraar vanwege de St. Radboudstichting aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, om onderwijs te geven in de cultuurgeschiedenis der Christelijke Oudheid en in de vergelijkende klassieke taalwetenschap. In 1921 volgde daarbij een benoeming van staatswege tot buitengewoon hoogleraar aan dezelfde universiteit met als leeropdracht de algemene taalwetenschap en het vulgair latijn.

Naast zijn wetenschappelijke activiteiten en zijn onderwijstaak begint Schrijnen zich ook steeds meer bezig te houden met organisatorisch werk. Gedurende de Eerste Wereldoorlog heeft hij een groot aandeel gehad bij het organiseren van onderwijsmogelijkheden voor Belgische studenten en professoren, die voor de Duitse bezetter naar Nederland waren uitgeweken. Intussen liet de alumnus van de Katholieke Universiteit te Leuven de gedachte aan de stichting van een Nederlandse Katholieke Universiteit niet los. Over de wenselijkheid van zulk een instelling waren de meningen onder de Nederlandse katholieken verdeeld en toen ten slotte de beslissing tot het stichten van een Katholieke Universiteit gevallen was, ontstond er een controverse over de plaats, waar deze nieuwe wetenschappelijke instelling gevestigd moest worden. Toen men eenmaal voor Nijmegen gekozen had, werd een groot deel van de voorbereidende werkzaamheden in handen van Schrijnen gelegd. Na drie jaren van moeizame voorbereidende arbeid kon hij als eerste Rector Magnificus de nieuwe Universiteit op 7 oktober 1923 openen met de, intussen bijna klassiek geworden, rede Eigen Kultuur. De grondgedachte van deze programmatische rede was, dat de stichting van de eigen Katholieke Universiteit geen afscheiding of isolement van het katholieke volksdeel beoogde, maar bedoeld was als een middel om een volwaardige bijdrage tot de Nederlandse cultuur mogelijk te maken. Schrijnen werd te Nijmegen benoemd tot gewoon hoogleraar om onderwijs te geven in de Griekse en Latijnse taalkunde en de algemene taalwetenschap. Aan deze leeropdracht werd later die van de Volkskunde toegevoegd. Tot zijn dood is hij aldaar werkzaam gebleven.

De Nijmeegse jaren zijn ook wetenschappelijk zeer vruchtbaar geweest. Schrijnen blijft zich bezighouden met problemen betreffende de Indogermaanse talen; om slechts enige publikaties te noemen: 'Het Latijn en de theorie der Indo-europeesche randtalen' (Mededelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Afd. Letterk. 75: 3); 'Les rapports préhistoriques du grec et du latin (Bull. Soc. Ling. 37 (1936) 125-140). Ook de Latijnse taalkunde heeft zijn belangstelling gehouden, bijv. 'De Latijnsche omgangstaal' (Neophilologus 19 (1934) 221-229) en vele andere publikaties.

Schrijnens vroege belangstelling voor de Limburgse folklore ontwikkelde zich in de loop der jaren tot een algemene studie van de Nederlandse Volkskunde; deze had reeds in de periode van 1915 tot 1917 geleid tot het baanbrekend werk Nederlandsche Volkskunde. In zijn Nijmeegse tijd werd dit werk herzien en uitgebreid in een tweede druk (1930-1933). De belangstelling voor de Volkskunde stond in nauw verband met Schrijnens cultuurhistorische gerichtheid, die reeds in 1910 tot uiting gekomen was in zijn Utrechtse rede De waarde der kultuurhistorische methode voor de kennis der christelijke oudheid, en ook in het verzamelwerk Uit het leven der Oude Kerk (1919).

Deze belangstelling richtte zich nu ook bij de linguïst Schrijnen op de taal als sociaal verschijnsel. In het kader van zijn studies over de oudchristelijke cultuur leidde deze taalkundige visie tot het ontstaan van de theorie van het 'Oudchristelijk Latijn' als groeptaal, d.w.z. als geestelijk-sociaal bepaalde taalvariant binnen het kader van het Latijn als algemene omgangstaal. Deze theorie, die aanvankelijk tegenstand in bepaalde kringen van classici en theologen wekte, heeft heden ten dage algemeen ingang gevonden en ze heeft veel bijgedragen tot een beter begrip van de oudchristelijke litteratuur en cultuur. In 1932 heeft Schrijnen deze theorie uiteengezet in een beknopt, maar uiterst belangrijk, geschrift: Charakteristik des altchristlichen Latein. Zijn gedachten hierover heeft hij nog aangevuld in een uitvoerig artikel, getiteld 'Le latin chrétien devenu langue commune', verschenen in de Revue des Etudes latines (12 (1934) 96-116). In het buitenland pleegt men de door Schrijnen ontworpen methode voor de studie van het oudchristelijk Latijn aan te duiden als: 'Ecole de Nimègue.'

In die periode blijft Schrijnen ook organisatorisch werkzaam o.a. als actief lid van de Onderwijsraad, maar meer en meer strekt zijn arbeid zich over de grenzen uit. Hij sticht met zijn vriend A. Gemelli, grondlegger en rector van de Katholieke Universiteit van Milaan, de Fédération des Universités Catholiques, een wereldwijde organisatie van katholieke universiteiten. Met Antoine Meillet (Parijs) en C.C. Uhlenbeck (Leiden) gaf hij de stoot tot het eerste Internationale Linguïstencongres in Den Haag (1928). Dit leidde tot het oprichten van het Comité International Permanent des Linguistes, waarvan Schrijnen tot zijn dood Algemeen Secretaris geweest is. Dit Comité is uitgegroeid tot een wereldorganisatie, die, naast andere activiteiten, om de drie (later vijf) jaren internationale Linguïstencongressen organiseert en door de Unesco is erkend als officiële vertegenwoordiger van de algemene taalwetenschap.

Schrijnens verdiensten, zowel op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek, als op dat van binnen en buitenlandse organisaties, vonden een internationale erkenning bij gelegenheid van zijn zestigste verjaardag, toen hem een lijvige feestbundel Donum Natalicium Schrijnen . . . werd aangeboden met talloze bijdragen op het gebied van de taalwetenschap en de Volkskunde (1929). Tegelijkertijd werd hem door de Katholieke Universiteit van Milaan een eredoctoraat verleend.

Maar ook afgezien van deze internationale huldiging door collega's, vonden zijn verdiensten voor kerk, wetenschap en vaderland op velerlei wijze erkenning. Het hoogste kerkelijk gezag benoemde hem tot Huisprelaat van Z.H. de Paus, het wereldlijk gezag tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De Nederlandse wetenschap erkende zijn verdiensten op 16 mei 1927 door het lidmaatschap van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Bovendien was Schrijnen lid van verschillende buitenlandse genootschappen en academies.

P: Een volledige lijst van geschriften vindt men in: Collectanea Schrijnen. Verspreide opstellen van Dr. Jos Schrijnen. (Nijmegen [enz.], 1930) XIII-XX.

L: Ferd. Sassen, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 1937-1938, 211-218; Christine Mohrmann, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1937-1938, 204-211; Harry Janssen, in Jahresbericht über die Fortschritte der classischen Alterthumswissenschaft... 1940. Bd 271, 33-41 : Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1973... Onder red. van A.F. Manning e.a. (Bilthoven, 1974) passim.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a19050.

Mw. Chr.A.E.M. Mohrmann


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013