Smid, Jan (1865-1945)

 
English | Nederlands

SMID, Jan (1865-1945)

Smid, Jan, landbouw econoom en publicist (Beerta 13-2-1865 - Oude-Pekela 21-2-1945). Zoon van Hindrik Smid, landarbeider, en Geertje Lameijer. Gehuwd op 8-4-1896 met Aaltje Mulder. Het huwelijk bleef kinderloos.

Jan Smids vader wist zich door vlijt en spaarzaamheid op te werken tot kleine boer, iets waarop de zoon zijn leven lang fier is geweest. Steeds heeft hij grote genegenheid getoond voor de kleine zelfstandige die de 'persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid' aandurfde. Jan Smid bezocht de lagere school in zijn geboortedorp. Wegens zijn teer gestel lieten de ouders hem daarna niet het agrarisch bedrijf ingaan, maar verder studeren. Hij ontving zijn opleiding tot onderwijzer te Groningen en stond voor de klas achtereenvolgens te Winschoten, Blijham en Hengelo (Ov.). Hij behaalde in die jaren de lagere akten Duits, Frans, landbouwkunde en de middelbare akte staathuishoudkunde.

In 1897 verliet hij om gezondheidsredenen het onderwijs en trad in dienst van de Nederlandsche Heidemaatschappij. Hij onderzocht woeste gronden in Drenthe en leerde de bevolking van die provincie goed kennen. In 1897 verscheen van zijn hand de brochure De landbouwcrisis, hare oorzaken en de middelen tot verbetering (Groningen, 1897). Daarin wees Smid de verminderde goudproduktie aan als oorzaak van de precaire positie in het agrarisch bedrijf. Na enkele jaren aanvaardde Smid een aanstelling als commies op de afdeling Landbouw van het departement van Waterstaat, waaronder de agrarische zaken toen ressorteerden. Hij toonde zich een bekwaam ambtenaar, met vaak afwijkende denkbeelden op het gebied van de landbouwpolitiek. Hij klom op tot referendaris en kreeg zitting in twee belangrijke commissies, nl. in die voor de Landbouw (1906) en in die voor de Werkloosheid (1909).

In 1922 nam Smid, naar het schijnt, om gezondheidsredenen ontslag en wijdde zich sindsdien aan de studie en aan de verbreiding van zijn agronomische denkbeelden in woord en geschrift. Grote bekoring oefenden op hem uit de ideeën van dr. Eduard David (1863-1930), rechtervleugelman van de sociaal-democratisch fractie in de Duitse Rijksdag en auteur van het boek Sozialismus und Landwirtschaft (2e dr., Leipzig, 1922). Daarin poneerde David o.a. dat het kleine en middelgrote agrarische bedrijf de beste waarborg bood voor een rationele exploitatie, doch dat de boer tevens een betere bescherming op het gebied van de prijsvorming toekwam dan hem tot dusver ten deel was gevallen. In Smids Landbouw en democratie (Rotterdam, 1922) is Davids invloed duidelijk bespeurbaar, hier en daar ook in zijn andere publikaties, zoals De Landbouwcrisis, onze sociale politiek en het vrijhandelsbeginsel ('s-Gravenhage, 1931), Plattelandsverarming ... (Baarn, 1932), een neerslag van een debat tussen Smid en J.W. Matthijsen, redacteur van Het Volk.

Smid bracht steeds te berde het contrast tussen beschutte en onbeschutte sfeer. Binnen het stelsel van economische vrijheid was volgens hem de prijsvorming afhankelijk van vraag en aanbod. Tegen dit systeem had Smid geen bezwaar, maar dan behoorde die 'wetmatigheid' ook overal onbelemmerd tot gelding te kunnen komen. Dat was volgens hem niet het geval. In de stedelijk-industriële sfeer hadden de belangengroepen werkgevers en werknemers het, zij het niet zonder conflicten, klaargespeeld om met behulp van trust- en kartelvorming aan de ene, vakbeweging en politieke actie aan de andere kant, een prijsniveau af te dwingen, dat los stond van de wet van vraag en aanbod. De stedelijk-industriële ondernemer berekende de overeengekomen of afgedwongen loonvoorwaarden eenvoudig door in de prijzen, die de consument had te betalen. Stedelijk-industrieel kapitaal en stedelijk-industriële arbeid vormden de beschutte sfeer. De boer moest van oudsher afwachten, wat de markt voor zijn produkt wilde betalen, maar voor produkten uit de stad betaalde hij prijzen aangepast bij het stedelijk loon- en prijsniveau. Zo parasiteerde volgens Smid de stad op het platteland. De remedie was volgens hem gelegen in het scheppen van lonende prijzen voor de agrarische sector door prijsgaranties en heffingen op buitenlandse agrarische produkten aan de grens. De opbrengsten konden in de een of andere vorm aan de Nederlandse boeren worden uitgekeerd. In Smids 'neo-fysiocratisme' paste een besliste afkeer van het socialisme en een ambivalente verhouding tot het liberalisme. In het laatste - Smid was zelf lid van de Liberale Staatspartij "De Vrijheidsbond" - waardeerde hij zeer de erkenning van de waarde der persoonlijkheid, doch laakte hij het vrijhandelsbeginsel.

De economische crisis, die sinds de val van Wallstreet op 24 oktober 1929 over de wereld ging, sleepte ook ons land mee in een diepe depressie, die o.a. de landbouw hevig teisterde. De nood steeg hoog, vooral de kleine boeren, zeer talrijk in Drenthe, kwam het water tot de lippen. In het najaar van 1931 ging een Nationaal Boeren Crisis Comité tot actie over. Twee leden, Gerhardus Dieters (het latere NSB-Kamerlid) en H.J. Hamming, beiden uit Annerveen, ontmoetten Smid in Groningen en wisten Smid te bewegen aanwezig te zijn op de massabijeenkomst die op 23 december 1931 te Assen zou worden gehouden. Smid stemde toe, kwam op die dag over uit zijn woonplaats Voorburg (Z.H.), voerde het woord in de overigens woelige vergadering en werd luide toegejuicht. Uit een federatie van lokale boerencomités ontstond weldra de Drentsche Boerenbond, spoedig gevolgd door de stichting van geestverwante bonden in Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland en Zuid-Holland. De drie noordelijke bonden gaven sedert 25-8-1932 het veertiendaags orgaan Landbouw en Maatschappij uit; redactieleider was Smid, redactiesecretaris Jac. ter Haar te Ruinerwold. In de zomer van 1933 verenigden de provinciale bonden zich te Meppel tot de Nationale Bond 'Landbouw en Maatschappij', teneinde een krachtig 'groen front' te kunnen vormen. Algemeen voorzitter werd de Drent E.Z. Oldenbanning te De Wijk, adviseur werd Smid, die ook het landbouwprogram opstelde. Dit werd grotendeels overgenomen door de op 14 december 1931 te Utrecht opgerichte Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) in Nederland, waardoor reeds een brug geslagen was naar de boerenbonden. Dit bleek reeds bij de Statenverkiezingen in 1935, toen de NSB in Drenthe 11, 19% van de stemmen behaalde, in Groningen 8,42%. Bovendien gingen bekwame figuren uit Landbouw en Maatschappij, zoals Dieters en J. de Lange al op een vroeg tijdstip over naar de NSB. Volgens velen heeft Smid, hoewel persoonlijk democraat, nooit krachtig stelling genomen tegen de 'nazi-infectie'. H. van Lunzen, N.H. predikant te Odoorn, heeft hem een Pétain-figuur genoemd, in staat noch bereid tegen het getij in te gaan. Toen Landbouw en Maatschappij in november 1940 onder druk van de Duitsers fuseerde met het Agrarisch Front van boerenleider E.J. Roskam, trok Jan Smid zich met ettelijke anderen terug. Hij overleed in februari 1945 ten huize van zijn schoonzuster Lamchiena Mulder te Oude-Pekela.

P: Behalve de in de tekst genoemde geschriften verdienen vermelding zijn door het Bureau Landbouw en Maatschappij te Ruinerwold uitgegeven brochures: Landbouw en Industrie [1934]; De Boerenbonden en de Sociaal-Democratie (1934); De S.D.A.P. op het verkeerde pad [1939].

L: F.H. Landsman, 'De betekenis van de z.g. 'radicale' boerenbeweging', in Woord en Wereld 1 (1939) 126-136; Geschiedenis van de Nederlandse landbouw 1795-1940. Onder red. van Z.W. Sneller. Met medew. van J. Baert [e.a.] 2e dr. (Groningen [enz.], 1951) 86, 89, 247; H.J. Prakke, Deining in Drenthe. Historisch-sociografische speurtocht door de 'Olde Lantschap' (Assen, 1951) 275-276; G.A. Kooy, Het echec van een "volkse" beweging (Assen, 1964); L. Bunning, 'Het avontuur van "Landbouw en Maatschappij'", in Drenthe. Provinciaal Maandblad. .. 41 (1970) 4 (april) 61-66; idem, 'Landbouw en Maatschappij in Drenthe', in Nieuwe Drentse Volksalmanak 91 (1974) 103-134; 'De radicale boerenbeweging en de N.S.B, in Drenthe', in Spiegel Historiael 12 (1977) 5 (mei) 302-311.

L. Buning †


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013