Smidt, Hendrik Jan (1831-1917)

 
English | Nederlands

SMIDT, Hendrik Jan (1831-1917)

Smidt, Hendrik Jan, jurist en minister van Justitie (Assen 11-10-1831 - 's-Gravenhage 14-3-1917). Zoon van Eerke Alberts Smidt, wijnhandelaar, en Gebina Hermanna Aleida Johanna Hilbrants. Gehuwd op 19-8-1857 met Maria van Uildriks. Na haar overlijden op 8-1-1894, hertrouwd op 26-4-1895 met Pompeja Johanna Diederika Houwink. Uit het eerste huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. Het tweede was kinderloos. afbeelding van Smidt, Hendrik Jan

Hendrik Jans vader was in de Franse tijd uit het Duitse Oost-Friesland naar Assen gekomen, waar hij, stellig mede door zijn huwelijk, spoedig werd opgenomen in de confrérie der Drentse gezetenheid, die in de Grote of Herensociëteit te Assen haar 'conversabel' middelpunt had. Hendrik Jan volgde er na enkele jaren lager onderwijs de Latijnse School, waarvan zijn doopvader dr. Hendrik Jan Nassau toen rector was. Hij catechiseerde tevens bij ds. A.H. Pareau, die veel invloed op zijn godsdienstig denken heeft uitgeoefend. Smidt zou zich later doen kennen als een volbloed liberaal, maar in religieus opzicht bleef hij in de lijn van Pareau en was eerder de evangelische richting der 'Groninger Godgeleerden' dan het modernisme toegedaan. Smidt was een man, die 'het bidden nooit had verleerd', getuigde later een vriend, tevens zijn biograaf.

In 1847 ging hij rechten studeren in Groningen, waar de colleges staatsrecht en economie van de overigens conservatieve hoogleraar C. Star Numan hem bijzonder boeiden, terwijl de staatkundige hervormingen van 1848 hem tot een bewonderaar van J.R. Thorbecke maakten. Diens Provinciale Wet en Gemeentewet werden Smidts geliefkoosde studieonderwerpen tijdens de laatste jaren van zijn verblijf aan de Groningse alma mater. In 1851 promoveerde hij, nog geen 20 jaar oud, op stellingen magna cum laude tot doctor in het Romeinse en Hedendaagse Recht.

Hij keerde terug naar Assen, begon er de rechtspraktijk uit te oefenen en werd op 5 juli 1851 beëdigd als advocaat bij het Provinciaal Gerechtshof in Drenthe. Zijn lidmaatschap van de Asser balie gaf hem echter niet voldoende te doen en bovendien ging zijn voorkeur uit naar het bestuur en de administratie der provincie. Met ingang van 1 januari 1855 trad hij in dienst als adjunct-commies bij het Provinciaal Gouvernement, daarna van 1 oktober 1857 af als archivaris der Provincie en op 1 september 1866 volgde de benoeming tot griffier van de Staten van Drenthe. Ondertussen was zijn grote kennis van de economie reeds gebleken uit de publikatie van zijn boek Volkshuishoudkunde. Een overzigt van de beginselen dier wetenschap (Groningen, 1858). Toen Smidt griffier werd moest hij zijn advocatentoga neerleggen en ook het ambt van rechter-plaatsvervanger te Assen opgeven. In zijn nieuwe kwaliteit ontpopte hij zich als de bekwame raadsman van gemeentebesturen en tal van particulieren in de provincie.

Sedert zijn terugkeer naar Assen was Smidt ook actief in het politieke leven van Drenthe. In 1850 waren de beide Drentse kiesdistricten Assen en Hoogeveen samengevoegd tot één dubbeldistrict, dat twee afgevaardigden voor de Tweede Kamer aanwees. Smidt, die in 1852 lid was geworden van de Asser Herensociëteit, speelde een grote rol in de Algemeene Kiesvereeniging, het politieke verlengstuk van die cercle der 'Heeren van Drenthe'. In de kiesvereniging vormde Smidt, samen met zijn geestverwanten mr. Hendrik Pelinck en mr. Hendrikus van Lier, de kern van de krachtige, met argumenten toegeruste, overtuigd liberale stuwgroep, die in de jaren '60 de meerderheid kreeg. Deze wist in 1866 Thorbecke en in 1867 de even vurig liberale mr. Lucas Oldenhuis Gratama voor het Drentse dubbeldistrict in 's lands vergaderzaal te brengen.

Toen Thorbecke op 4 januari 1871 opnieuw minister werd, bedankte hij voor zijn Drentse zetel en werd Smidt door de Algemeene Kiesvereeniging als de daarvoor geknipte opvolger kandidaat gesteld. Met een geringe meerderheid (581 van de 1029 uitgebrachte geldige stemmen) werd hij gekozen. Hij aanvaardde het lidmaatschap, op voorwaarde zijn geliefd griffiersambt te kunnen behouden. Daarvoor werd inderdaad een oplossing gevonden: een lid van het college van Gedeputeerde Staten, H.H.A. Sluis, verklaarde zich bereid de werkzaamheden waar te nemen. Tijdens zijn tot 1877 durend kamerlidmaatschap zag zijn verhandeling Scheiding van staat en kerk en het budget van eeredienst (Assen, 1872) het licht.

Op 3 november 1877 trad Smidt op als minister van Justitie in het kabinet, gevormd door zijn vriend Jan Kappeyne van de Coppello. Nu bedankte hij als griffier en nam afscheid van Drenthe. In zijn ambtsperiode, die reeds op 20 augustus 1879 door het aftreden van het gehele kabinet een einde nam, heeft Smidt zich enerzijds beperkt tot de omwerking van enkele door zijn voorganger, C.Th. baron Van Lynden van Sandenburg, ontworpen wetsvoorstellen en anderzijds krachtig gewerkt aan de totstandkoming van een nieuw Wetboek van Strafrecht. De voltooiing van die arbeid heeft hij moeten overlaten aan zijn opvolger, A.E.J. Modderman.

Na zijn aftreden als bewindsman bleef Smidt anderhalf jaar ambteloos. Op 25 maart 1881 werd hij benoemd tot lid van de Raad van State. In de periode dat hij zitting had in dat college, vond hij tijd zich grondig te verdiepen in de geschiedenis van het strafrecht. Zijn grote eruditie bleek uit Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, volledige verzameling van Regeeringsontwerpen, gewisselde stukken, gevoerde beraadslagingen, enz. [Met medew. van E.A. Smidt.] (Haarlem, 1881-1886. 5 dln.). Ondertussen volgde in de voorzomer van 1885 zijn benoeming tot Gouverneur van Suriname. Hier betoonde Smidt zich een voortvarend bewindsman, die krachtig, maar niet altijd met evenveel tact, optrad tegen de slome gang van zaken ter Secretarie en op andere ambtelijke bureaus. Na drie jaar werd hem eervol ontslag verleend. Eind juli 1888 weer in patria, nam hij spoedig in de Tweede Kamer zitting voor het district Emmen, een van de drie, waarin Drenthe na de grondwetsherziening van 1887 was verdeeld. Op 21 augustus 1891 werd Smidt opnieuw minister van Justitie, nu in het kabinet-Van Tienhoven-Tak van Poortvliet. Tijdens deze tweede ministeriële periode gelukte het hem de 'Faillissementswet' in het Staatsblad te brengen, terwijl hij de oud-hoogleraar H.L. Drucker belastte met de voorbereiding van een herziening van het arbeidscontract, dat pas in 1907, dus geruime tijd na Smidts ambtsperiode zijn plaats in het Burgerlijk Wetboek zou krijgen.

Op 9 mei 1894 trad het kabinet af en Smidt keerde nu voorgoed terug naar het ambteloze leven. Hij wijdde zich aan de rechtswetenschap, gaf nog de studie Uitbreidingsplan en bouwverbod... (Haarlem, 1912) uit en had ook veel bemoeienis met een aantal naamloze vennootschappen, waarvan hij commissaris was, zoals de Koninklijke West-Indische Maildienst en de Drenthsche Stoomboot-Maatschappij. In 1912 noopte een ernstige ziekte hem alle activiteiten te staken. Toen enig herstel intrad, schreef de meer dan tachtigjarige nog de brochure Suriname en Nederland... (Haarlem, 1913), waarin hij wees op de verantwoordelijkheid van Nederland t.a.v. Suriname.

Smidt was een markante vertegenwoordiger van een met diepe religiositeit van evangelische signatuur doortrokken liberalisme. Deze geestesgesteldheid werkte duidelijk door in zijn talrijke politieke en juridische activiteiten, die het land, maar vooral het soms wat vergeten lijkend Drenthe, hebben gediend.

L: F.W.J.G. Snijder van Wissenkerke, in Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en Levensberichten... 1916-1917, 215-250; M. [= W.L.P.A. Molengraaff] in Rechtsgeleerd Magazijn 36 (1917) 134-136; L. Buning, Het Herenbolwerk. Politieke en Sociale Terreinverkenningen in Drenthe over de periode 1748-1888 (Assen, 1966) passim.

I: L.G. Karper, De 21 Ministers van Justitie naar wie de vergaderzalen zijn vernoemd (Den Haag 1983) 21.

L. Buning †


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013