Sneller, Zeger Willem (1882-1950)

 
English | Nederlands

SNELLER, Zeger Willem (1882-1950)

Sneller, Zeger Willem, historicus (Winsum 11-12-1882 - Amsterdam 10-11-1950). Zoon van Egbert Sneller, onderwijzer, en Geertruida van Cuijlenburgh. Sinds 28-4-1910 gehuwd met Cornelia van Latesteijn, uit welk huwelijk 2 zoons en 4 dochters geboren werden. afbeelding van Sneller, Zeger Willem

Sneller was afkomstig uit een orthodox christelijk milieu, en heeft die erfenis naar uiterlijk en overtuiging een leven lang meegedragen. Zijn vader, uit een Veluwsch boerengeslacht, was naar Winsum in Friesland gegaan om een betrekking als onderwijzer te aanvaarden. In 1886 ging hij met de Doleantie mee, een jaar later bracht tbc hem een vroegtijdige dood. De moeder ging daarop met haar kinderen (naast Zeger waren nog twee dochters en een zoon geboren) naar haar geboorteplaats Utrecht. Door de smalle financiële middelen stond voor haar oudste zoon na de lagere school geen andere weg open dan de opleiding tot onderwijzer aan de christelijke normaalschool. Volgens de familietraditie liep hij dan 'tandenknarsend' langs het voor hem gesloten gymnasium. Zeker is in elk geval dat de kwekeling een grote drang tot kennis en zelfontplooiing aan de dag legde. Na het behalen van de hulpakte werkte hij te Rijnsburg, intussen verder studerend voor de hoofdakte die hij in 1904 in Leiden verwierf. Hoewel prof. Woltjer van de Vrije Universiteit hem verdere studie ontried, liet de jonge Sneller zich daardoor niet ontmoedigen: eerst bekwaamde hij zich voor het staatsexamen, en toen dat in 1907 achter de rug was, stond eindelijk de deur van de universiteit voor hem open: dank zij de uitkering van het bescheiden vaderlijke erfdeel kon hij gedurende enkele jaren in Utrecht voor het kandidaatsexamen Nederlandse letteren werken. Die jaren zijn van grote invloed geweest voor Snellers vorming: vooral door het inspirerende optreden van de hoogleraar G.W. Kernkamp maakte de student hier kennis met een liberale denkwereld die de eigen overgeleverde en trouw bewaarde overtuigingen enigszins kon relativeren en verbreden, zonder overigens de basis van zijn geloof aan te tasten. Na een met lof afgelegd kandidaatsexamen in 1910 vertrok hij, pas gehuwd, als leraar aan de Christelijke kweekschool naar Middelburg. Toen hij in 1912 doctoraal examen deed was die betrekking echter al weer opgegeven voor het leraarschap aan de Christelijke HBS in Den Haag. Een erfenis van zijn Zeeuwse periode kreeg gestalte in het proefschrift waarop hij in 1916 bij Kernkamp cum laude promoveerde, en dat Walcheren in de vijftiende eeuw behandelde (1916).

Op Snellers verdere carrière had Kernkamp grote invloed: aan diens voorspraak was het in eerste instantie te danken dat zijn veelbelovende leerling in 1919 onder Japikse tot onderdirecteur van het Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën werd benoemd. In die functie zou hij zich bezighouden met het uitgeven van Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Frankrijk, onder welke titel hij (samen met W.S. Unger) in 1930 een eerste deel publiceerde. Intussen was Sneller al in 1922 tot hoogleraar in de economische geschiedenis benoemd aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam, ondanks zijn betrekkelijk geringe wetenschappelijke krediet. De bij die gelegenheid gehouden inaugurele rede over Economische en sociale denkbeelden in Nederland in den aanvang der negentiende eeuw vormt nog altijd een lezenswaardig stuk. Na zijn benoeming steeg het getal van zijn publikaties gestaag, en daarmee ook zijn aanzien als hoogleraar. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Sneller zich tot een geleerde van naam, en verrichtte hij baanbrekend werk door zijn exploratie van de geschiedenis der Rotterdamse bedrijvigheid. Met N.W. Posthumus was zijn werkzaamheid een voorname factor in de heroriëntering van de economische geschiedenis, waarin naast de handelsbetrekkingen ook de bestudering van de nijverheid een belangrijke plaats verkreeg. Aan Snellers initiatief was bovendien de totstandkoming te danken van een Geschiedenis van den Nederlandschen landbouw 1795-1940, die onder zijn redactie in 1943 verscheen (gevolgd door een tweede, herziene druk in 1951).

Het hoogleraarschap te Rotterdam heeft hij met grote toewijding en energie vervuld. Als docent viel hij op door zijn heldere presentatie, die bij een niet primair historisch gerichte studentenschaar belangstelling voor zijn vak wist te wekken. Als examinator was Sneller echter gevreesd, omdat hij bij anderen dezelfde nauwkeurigheid en vlijt verwachtte die hij zelf ten toon spreidde. Als mens was de hoogleraar niet erg toegankelijk: iets stars en hoekigs in zijn karakter belemmerde de ongedwongen omgang. Zijn autoritaire persoonlijkheid was niet ingesteld op een gemakkelijk verwerken van tegenwerpingen en leidde licht tot een zekere achterdocht. Maar voor wie zijn gezag erkende bleek hij een toegewijde leermeester, en de eisen die hij stelde leidden ertoe dat in Rotterdam een school van economisch historici opbloeide die zich onderscheidde door de kwaliteit van haar werk, zoals o.a. uit de door Sneller gestimuleerde reeks proefschriften naar voren kwam. Bij het vijfentwintigjarig ambtsjubileum in 1947 verscheen als blijk van hulde een bundel Economisch-historische opstellen geschreven voor prof.dr. Z.W. Sneller . . . Zijn eerzucht vond in Rotterdam echter geen limiet, maar een ordinariaat aan een universiteit bleek moeilijk te verkrijgen. Een verbintenis met de Leidse universiteit werd in 1939 bekrachtigd met een bijzonder hoogleraarschap. Na de oorlog, toen Sneller na de dood van zijn vrouw vereenzaamd was achtergebleven, bood de instelling van een economische faculteit aan de Vrije Universiteit gelegenheid van werkkring te veranderen. Als decaan gaf hij van 1948 tot 1949 gezicht aan de nieuwe faculteit, totdat zijn slechte gezondheidstoestand hem dwong terug te treden.

Snellers credo als christelijk historicus leren we o.a. kennen uit een opstel over 'De zin der geschiedenis', afgedrukt in de vierde lustrumbundel van het Gezelschap van Christelijke Historici in Nederland, eveneens De zin der geschiedenis geheten (1944). Cultuur en geschiedenis zijn voor de gelovige niet te scheiden aspecten van het leven dat doel en zin vindt in het Koninkrijk Gods. Als economisch historicus trok Sneller in zoverre de consequentie uit zijn overtuigingen dat hij een materialistische geschiedbeschouwing afwees en aan geestelijke factoren uiteindelijk de voorrang gaf. Aan de andere kant was hij ten volle overtuigd van de waarde der economische geschiedenis, zoals o.a. bleek uit zijn Leidse intreerede op 6 oktober 1939 over De economische geschiedenis in hare betrekking tot economie en geschiedenis (1939). Daarom bood hij ook weerstand aan pogingen in Rotterdam zijn colleges voor pre-kandidaten facultatief in plaats van verplicht te stellen. En dat hij aan het economische motief grote waarde toekende bewijst ook wel zijn gedachte dat er verband moet worden aangenomen tussen de verbreiding der moderne devotie en het marktgebied van Deventer. Dit laatste poneerde hij in Deventer, die Stadt der Jahrmärkte (Weimar, 1936. Pfingstblätter des Hansischen Geschichtsvereins : 27 [lees: 25]. Overigens omvatte zijn belangstelling van jongsaf aan een ruimer veld dan de economische geschiedenis. In zijn latere jaren kwam dat vooral tot uiting in zijn beschouwingen over Fruin - als geschiedvorser bewonderd, als geschiedschrijver bij Groen ten achter gesteld. Historici als Geyl, Van Winter en J.W. Smit hebben zich echter tegen die opvatting van Sneller verzet.

Naast zijn wetenschappelijk werk mag Snellers rol als organisator niet onvermeld blijven. In Rotterdam trad hij o.a. op als voorzitter van het door hem samen met pater Bonaventura Kruitwagen opgerichte Historisch Genootschap 'De Maze'. Na 1945 maakte hij deel uit van het directorium van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, terwijl in diverse andere verenigingen eveneens bestuursfuncties vervuld werden. Voelde hij zich daarom in later jaren weleens wat veronachtzaamd, zo zijn daar naar het uiterlijke van zijn loopbaan toch weinig gronden voor te vinden. Een gewoon hoogleraarschap aan een universiteit bleef weliswaar lang uit, maar daar tegenover staan zijn succesvolle Rotterdamse carrière, met driemaal de bekleding van het rectoraat, en voorts het lidmaatschap van de Kon. Ned. Akademie van Wetenschappen sinds 1946.

P: Zie de lijst in de bundel Economisch-historische opstellen. . . (Amsterdam, 1947) 209-212 en (vollediger) de bibliografie in: Z.W. Sneller, Bijdragen tot de economische geschiedenis (Utrecht [enz., 1968]) 231-235.

L: P.J. Bouman, 'Professor Dr. Z.W. Sneller als hoogleeraar 1922-1947', in Economisch-historische opstellen... (Amsterdam, 1947) 7-11; C. Wiskerke, in Rotterdams Jaarboekje 5e reeks 9 (1951) 193-195; T.S. Jansma, in Jaarboek van de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde te Leiden 1950-1951. Levensberichten 186-193; J.H. Kernkamp, in Verslag van de Algemene Vergadering der Leden van het Historisch Genootschap .. . 1951 (Utrecht, 1952) 5-6; P.J. van Winter, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1951-1952, 264-281; I.J. Brugmans, in Economisch-Historisch Jaarboek 25 (1952) 266-269.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1951-1952 (Amsterdam 1952) afbeelding tegenover pagina 264.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013