Steenberghe, Maximilien Paul Léon (1899-1972)

 
English | Nederlands

STEENBERGHE, Maximilien Paul Léon (1899-1972)

Steenberghe, Maximilien Paul Léon, zakenman en politicus (Leiden 2-5-1899 - Hilvarenbeek 22-1-1972). Zoon van Paul Jean Ghislain Steenberghe, oud-militair en beambte Staatsspoorwegen, en Pétronille Aimée Florentine Engeringh. Gehuwd met Catharina Theodora Maria Ausems sinds 15-11-1921. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 4 dochters geboren. afbeelding van Steenberghe, Maximilien Paul Léon

Maximilien Steenberghe kwam voort uit een officiersfamilie. Hij bezocht de St. Willibrordusschool in Utrecht, doorliep daar het gymnasium en liet zich vervolgens inschrijven aan de Rijksuniversiteit als student rechten. Dank zij een snelle studie mocht hij reeds op 21-jarige leeftijd zijn academische studie voltooien. Na zijn militaire dienstplicht te hebben vervuld werd hij als bedrijfsjurist benoemd bij de N.V. Textielfabrieken H. van Puyenbroek te Goirle. Binnen enkele maanden werd hij in de directie opgenomen. Dank zij een grote werkkracht, intelligentie en goede uitdrukkingsvaardigheid groeide het aanzien van de jonge Steenberghe snel in breder kring. Ternauwernood dertig jaar oud werd hij tot landelijk voorzitter van de Algemeene Roomsch Katholieke Werkgevers Vereeniging gekozen.

Op 25 juni 1934 trad Steenberghe voor de Roomsch Katholieke Staatspartij als minister van Economische Zaken toe tot het tweede kabinet-Colijn (1933-1935). Hij aanvaardde deze post ondanks het feit dat hij tijdens zijn voorzitterschap van de R.K. Werkgevers Vereeniging reeds was gaan twijfelen aan de onverkorte handhaving van de gouden standaard, die H. Colijn voorstond bij diens deflatie- en bezuinigingspolitiek. Hij vroeg zich af of dit wel het geschikte middel was om de economische teruggang van die jaren tot staan te brengen. Juist doordat de gulden tegenover de andere valuta zo bijzonder hoog stond gewaardeerd was het voor het bedrijfsleven bijna onmogelijk op de buitenlandse markten te concurreren. Bij aanvaarding van het ministerschap behield Steenberghe zich dan ook het recht voor om zodra de omstandigheden hiertoe aanleiding gaven aan het kabinet devaluatie van de gulden voor te stellen. Toen de ministerraad na de devaluatie van de Belgische frank aan de gouden standaard bleef vasthouden, legde hij op 6 juni 1935 zijn ambt neer. In zijn korte regeerperiode had Steenberghe zich een krachtig en resoluut bewindsman getoond. Hij bracht als minister de winkelsluitingswet tot stand, wist de wet op uitverkopen en opruimingen evenals de wet op het verbindend en onverbindend verklaren van ondernemersovereenkomsten te doen aannemen. Bovendien slaagde hij erin clearingsovereenkomsten, allereerst met het buurland Duitsland, te sluiten, waardoor het internationale betalingsverkeer, dat wegens vele deviezenbeperkingen zeer moeizaam verliep, met meer garanties werd omgeven. Bij het reguleren van de economie was Steenberghe geen dogmatisch denker maar een pragmatisch realist, voor wie ingrijpen van bovenaf alleen door de nood van de omstandigheden aanvaardbaar was. Geheel in de geest van het katholieke subsidiariteitsbeginsel diende de overheid, naar zijn mening, slechts ordenend op te treden voor zover het particuliere bedrijfsleven hiertoe zelf niet in staat was.

Steenberghe had inmiddels de naam verworven een harde en snelle werker te zijn die zakelijk was, maar tegelijkertijd werd gewaardeerd als een aangenaam, loyaal en integer man. Wel meenden sommigen een zeker superioriteitsgevoel bij hem te ontdekken. In de R.K. Staatspartij van die dagen genoot hij een groot aanzien. Ongetwijfeld heeft dat alles ertoe bijgedragen dat Colijn, die in de herfst van 1936 ten slotte toch tot devaluatie van de gulden was overgegaan, op 24 juni 1937 Steenberghe weer als minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart (later weer Economische Zaken genoemd) in zijn kabinet opnam. Afgezien van een korte onderbreking tijdens het laatste kabinet-Colijn (25-7-1939-10-8-1939) oefende Steenberghe tot 20 november 1941 deze functie uit: eerst in het vierde kabinet-Colijn, vervolgens in het kabinet-De Geer, dat kort na het vertrek naar Londen het kabinet-Gerbrandy zou worden. Vóór de Tweede Wereldoorlog maakte hij zich als minister verdienstelijk op het terrein van de economische verdedigingsvoorbereiding hetgeen in een reeks van wetten, waaronder de schepenvorderingswet en de distributiewet, zijn neerslag vond. Deze voorbereidselen hebben ertoe bijgedragen dat de voedselvoorziening in de eerste oorlogsjaren al bij al redelijk verlopen is. Toen na de inval van de Duitsers in mei 1940 duidelijk werd dat de strijd hopeloos was, verliet hij samen met mr.dr. A.A. van Rijn, minister van Landbouw, als laatste van het kabinet. Den Haag, nadat hij het opperste gezag aan generaal H.G. Winkelman had toevertrouwd. In Hoek van Holland scheepte hij zich met de rest van het kabinet voor Engeland in.

In Londen hield Steenberghe zich als minister aanvankelijk voornamelijk bezig met de inschakeling van de Nederlandse koopvaardijvloot voor de strijd van de geallieerden tegen de Duitsers. Hij onderkende reeds spoedig het belang van het aanleggen van voorraden en goederen in de V.S. zoals ook inderdaad tijdens de oorlog geschiedde - zij zouden na de bevrijding naar Nederland worden verscheept. Op 20 november 1941 legde Steenberghe samen met zijn collega uit de R.K. Staatspartij Ch.J.I.M. Welter, de minister van Koloniën zijn functie neer. De katholieke ministers konden zich toen niet meer verenigen met het optreden van P.S. Gerbrandy, die als minister-president volgens hen niet alleen belangrijke informatie voor het kabinet achterhield, maar ook in de positiekeuze tegenover de Engelse regering door niet krachtig genoeg op te treden onvoldoende met de Nederlandse belangen rekening zou houden. In maart 1942 verliet Steenberghe Engeland om zich in de V.S. te vestigen en daar de oprichting van de Economische, Financiële en Scheepvaartmissie van het Koninkrijk der Nederlanden voor te bereiden, die dergelijke belangen voor Nederland in opdracht van de Nederlandse regering te Londen zou behartigen. Van deze commissie werd hij ook voorzitter en vertegenwoordigde in deze hoedanigheid, voor zover bepaalde aangelegenheden niet reeds door de Nederlandse ambassade werden verzorgd, de Nederlandse regering in de V.S. Steenberghe was vooral betrokken bij scheepvaartkwesties en bij aankoop van goederen. Tevens trad hij op als leider van delegaties bij verschillende belangrijke internationale conferenties die tijdens de oorlog in de V.S. en Canada werden gehouden.

Na de bevrijding van Nederland keerde Steenberghe naar Nederland terug en zou hij vooral in het zakenleven actief zijn, waarin hij een voorname plaats ging innemen. In de eigenlijke politiek trad hij nog slechts in de jaren 1951 en 1952 naar buiten toe op. Als vergeefse formateur na de 'nacht van Oud' (23-1-1951) bleek hij binnen de Katholieke Volkspartij tot de 'rechtervleugel' te behoren. Deze liet zich nadien duidelijk horen. Een zogenaamde groep-Steenberghe, waarvan onder anderen prof.mr. F.J.F.M. Duynstee, mr. E.M.J.A. Sassen, mr. B.J. van Spaendonck en prof.mr. F. van der Ven deel uitmaakten, sprak zich met het oog op de kamerverkiezingen van 1952 uit voor een tegenover de PvdA onafhankelijk optreden. Haar bezwaar was dat de KVP onder pressie van de Katholieke Arbeidersbeweging teveel op de socialisten was gericht, die wegens hun collectivistische beginselen voor de katholieken niet de meest ideale partners zouden zijn. De groep-Steenberghe sprak zich zeer nadrukkelijk uit voor sociale rechtvaardigheid, gebaseerd op eigen christelijke beginselen. Samenwerking met de socialisten moest niet als een goed op zich worden nagestreefd, maar was anderzijds bij het doel eigen program zo goed mogelijk te verwezenlijken niet uit te sluiten. De verkiezingen van 1952 vielen voor de KVP echter bijzonder ongunstig uit en leverde de PvdA grote winst op, waarmee aan politieke ambities van Steenberghe voorgoed een einde kwam.

In het bedrijfsleven bleef hij echter een voorname rol spelen. Hij was onder meer president-commissaris van De Nederlandsche Bank, Amsterdamse Ballast en Douwe Egberts en commissaris van de Amro-bank, Koninklijke Petroleum, Nationale Nederlanden, Friesch-Groningsche Hypotheekbank, Curaçaosche Handel-Maatschappij en de Nederlandse Scheepvaart Unie. Van 1953 tot 1960 was hij voorts president-curator van de Katholieke Economische Hogeschool in Tilburg en dat zal veel tot zijn reputatie van een 'groot Brabander', naast mannen als dr. P.C. de Brouwer, prof. H.A. Kaag en mr.dr. B.J.M. van Spaendonck hebben bijgedragen. Steenberghes ambtelijke bezigheden vonden nog een zekere voortzetting in zijn voorzitterschap van de Nederlandse delegatie in de gemeenschappelijke Belgisch-Nederlandse studie- en onderhandelings-commissie die van 1949 tot 1954 tot oplossingen voor verschillende oude waterstaatkundige geschillen trachtten te geraken. Deze commissie-Steenberghe-Van Cauwelaert bracht twee belangrijke kwesties tot een goed einde. Zij kwamen tot de afspraak dat het Albertkanaal in België en het Julianakanaal in Nederlands Limburg voor schepen tot 2000 ton met elkaar verbonden zouden worden. Hierdoor zou de beruchte 'stop van Ternaaien' tot het verleden gaan behoren. De commissie bereikte bovendien overeenstemming over de verbetering van het kanaal Gent-Terneuzen. Omtrent de Belgische desiderata nopens de Antwerpse waterverbetering met de Rijn, een aangelegenheid die de betrekkingen tussen Nederland en België meermalen ernstig had verstoord, slaagde de gemengde commissie er niet in een aanvaardbaar compromis te vinden. Toen Nederland na de stormramp van 1953 tot het Deltaplan besloot namen de Belgen een afwachtende houding aan, waardoor pas met het Schelde-Rijn-verslag van 13 mei 1963 hierover een definitieve regeling getroffen kon worden.

Zo was Steenberghe, ondanks zijn aanvankelijk in de jaren dertig zo opvallende positie binnen de RKSP en zijn invloedrijk ministerschap, ten slotte toch meer een voornaam en actief manager in katholiek-Brabantse kring gebleven dan een pur sang politicus of staatsman.

P: Behalve Nederland in de crisis [Den Haag, 1935]; Landbouwcrisispolitiek ['s-Gravenhage, 1939]; Radiovoordrachten, April, 1939; artikelen voornamelijk in Economisch-Statistische Berichten.

L: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1949-1956) dl. 2A, B, C, 3A, B, C, 6A passim; H.M. Hirschfeld, Herinneringen uit de jaren 1933-1939 (Amsterdam [enz.], 1959); idem, Herinneringen uit de bezettingstijd (Amsterdam [enz.], 1960); F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); C. Smit, De Scheldekwestie ([Rotterdam], 1966); A.H. Heil, 'Met kennis van Keynes' theorieën wordt dramatische crisis als in jaren dertig onwaarschijnlijk', in De Zakenwereld 45 (1967), (nov.) 12-15; P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 2e dr. (Assen, 1968); L. de Jong Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969- . dln.) I, III, K, passim; 'Steenberghe was een der machtigen' in De Tijd 26-1-1972; Van Boven, in De Werkgever (1972) 4 (17 febr.) 109; E. Janssen, 'De Rooms Katholieke Staatspartij en de krisis, 1930-1940', in Jaarboek Katholiek Documentatiecentrum 5 (1975) 39-79; J. Bosmans, 'De KVP, de groep-Steenberghe en de verkiezingen van 1952', ibidem 6 (1976) 20-76.

I: Website Parlementair Documentatie Centrum: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [23-5-2007].

H.P.H. Nusteling


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013