Sterck, Johannes Franciscus Maria (1859-1941)

 
English | Nederlands

STERCK, Johannes Franciscus Maria (1859-1941)

Sterck, Johannes Franciscus Maria, letterkundige (Amsterdam 3-1-1859 - Haarlem 28-8-1941). Zoon van Adrianus Hermanus Petrus Eleonardus Sterck, koopman, en Elisabeth Maria Theodora de Voys (naamsverandering Vois in Voys bij Besl. Arr.Rb.Asd. 13-1-1920). Sinds 21-8-1884 gehuwd met Johanna Francisca Maria Smits. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na het overlijden van zijn eerste vrouw op 25-6-1902 hertrouwd op 26-11-1907 met Johanna Maria Proot. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. afbeelding van Sterck, Johannes Franciscus Maria

Sterck was afkomstig uit een katholieke koopmansfamilie te Amsterdam. De vader overleed nog voor de geboorte van zijn zoon, zodat de opvoeding vooral de taak werd van de moeder, een dochter van de Amsterdamse juwelier Adriaan de Voys. Op de lagere school volgde in 1870 de gymnasiumopleiding te Rolduc, waar hij kennis maakte met latere katholieke voormannen als Alphons Ariëns en Frans Erens. Aangezien Rolduc geen erkend diploma kon verstrekken werd in 1877 het staatsexamen met succes afgelegd, waarna hij zich te Amsterdam liet inschrijven in de juridische faculteit en tevens colleges ging volgen in de literaire faculteit. Die interesse werd gevoed door J.A. Alberdingk Thijm, een goede bekende van de familie, die op zijn jonge kennis zijn voorliefde voor zowel Bilderdijk als Vondel wist over te dragen. Vooral deze laatste schrijver zou aan Stercks gehele leven een rijke inhoud geven. Intussen was hij genoodzaakt zijn eigen academische studie af te breken wegens een tuberculeuze aandoening, die na een verblijf op Madeira overigens voorgoed verdween.

In de jaren na de terugkomst in Nederland had Sterck de handen vrij om zijn voorkeuren te volgen, daartoe in staat gesteld door het familiefortuin. Tweeërlei zaken vroegen vooral om zijn aandacht: het heden en verleden van de hoofdstad, en meer in het bijzonder haar grootste dichter, Vondel. In Amsterdam nam Sterck deel aan de activiteiten van de kring rond Thijm, die streefde naar ontplooiing van het katholieke culturele leven. Na de dood van Thijm, in 1889, nam Sterck zijn plaats in in de uitgeverij C.L. Langenhuysen. Tevens werd hij als het ware de behoeder van Thijms literaire nalatenschap en zijn opvolger als uitgever van Vondel. Tal van artikelen gewijd aan de dichter zagen in de loop der jaren het licht, alle gebaseerd op het minutieuze archiefonderzoek dat ook ten grondslag lag aan de verzameling Oorkonden over Vondel en zijn kring (1918). De artikelen (die veelal later weer gebundeld werden) verschenen o.a. in de jaarverslagen van het mede door Sterck in 1902 opgerichte Vondelmuseum te Amsterdam, en na 1930 ook in de Vondelkroniek, eveneens mede op zijn initiatief tot stand gekomen. Anders dan bij de romantisch-bevlogen Thijm, die zich niet ontzag de historische werkelijkheid wat bij te kleuren, stond bij Sterck een strikt onderzoek der bronnen op de voorgrond; het is niet overdreven te zeggen dat onze huidige kennis van Vondels leven voor een aanzienlijk deel op Stercks inspanningen teruggaat. Evenals Thijm had Sterck vooral belangstelling voor het leven van Vondel, en minder voor een filologisch-tekstkritische benadering, hetgeen ook bleek uit zijn redactie van de Wereldbibliotheekuitgave van Vondels Werken (1927-1940. 11 dln.). Zijn waarheidsliefde sprak ook uit zijn geschriften over oud-Amsterdam, waar door de katholieke traditie geheiligde zaken als de 'mirakelkist' in hem een kritische beschrijver vonden. Een andere vrucht van zijn interesse in het lokale verleden bood zijn aardige boekje Onder Amsterdamsche Humanisten (1934).

Als Amsterdammer liet Sterck zich niet onbetuigd in het stedelijk leven: van 1894 tot 1910 was hij lid voor de liberalen van de gemeenteraad, terwijl hij voorts een belangrijke rol speelde in het toneelleven door zijn optreden als regeringscommissaris voor de Amsterdamsche Tooneelschool. Naast het Vondelmuseum profiteerde ook een in de Vrije Universiteit gelocaliseerd Bilderdijkmuseum van zijn initiatief en verzamelactiviteit. Bovendien behoorde hij tot de oprichters van het genootschap Amstelodamum in 1900. In 1925 benoemde het genootschap hem tot erelid, twee jaar later gevolgd door het Koninklijk Nederlandsch Oudheidkundig Genootschap. Om al deze verdiensten had Sterck reeds in 1919 het doctoraat honoris causa van de Amsterdamse Universiteit mogen ontvangen. Zijn arbeidsterrein was toen inmiddels al verlegd naar Haarlem. In 1893 in Amsterdam tot schoolopziener benoemd, verwisselde hij in 1916 de hoofdstad voor Haarlem, waar hij in 1924 afscheid nam als inspecteur. Hoewel wat terughoudend en gesloten van karakter werd zijn hulpvaardigheid alom geprezen, evenals zijn open interesse voor de ontwikkeling der wetenschap en het katholieke culturele leven. Naast bovengenoemde eerbewijzen waren diverse pauselijke en andere onderscheidingen daarvan de beloning.

P: Zie de bibliografieën in de hierna te noemen levensberichten van J.M. Sterck-Proot (Maatsch. Ned. Lett.) en B.H. Molkenboer (Vondelkroniek).

L: J.M. Sterck-Proot, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1940-1941. Levensberichten 48-56; eadem, 'Dr. h.c. Johannes Franciscus Maria Sterck', in Haerlem. Jaarboek 1941, 18-19; A. le Cosquino de Bussy en B.H. Molkenboer O.P., in Amstelodamum. Maandblad ... 28 (1941) 137-140; M. van Can, in Rolduc's Jaarboek 22 (1942) 138-140; B.H. Molkenboer O.P., 'De Vondelaar Jan Sterck . . .', in Vondelkroniek 12 (1941) 201-240.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1411.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013