Struiken, Antonius Alexis Hendrikus (1873-1923)

 
English | Nederlands

STRUIKEN, Antonius Alexis Hendrikus (1873-1923)

Struiken, Antonius Alexis Hendrikus (naamsverandering bij K.B. 27-3-1901 no. 85 in Struijcken; bekend onder de naam Struycken) rechtsgeleerde (Doesburg 8-2-1873 - 's-Gravenhage 28-7-1923). Zoon van Arnoldus Struiken, gepensioneerd kapitein, en Johanna Wilhelmina Maria Wanders. Gehuwd met Geertruida Sanders op 29-8-1899, Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Struiken, Antonius Alexis Hendrikus

Struycken bezocht de Rijkshogereburgerschool te Groningen, deed staatsexamen en studeerde sedert 1892 rechten aan de Rijksuniversiteit te Leiden: sloot deze studie op 11-10-1898 af met een promotie cum laude in de rechtswetenschap op stellingen en verwierf op 11 juni 1903 eveneens summa cum laude de doctorstitel in de staatswetenschappen op een proefschrift over Het Rechtsbegrip; theoretische onderzoekingen . S. Oppenheim was daarbij zijn promotor.

Inmiddels had hij zich in 1898 als advocaat en procureur gevestigd te 's-Gravenhage; daarnaast was hij leraar in de staatswetenschappen aan de HBS te Schiedam en die te Dordrecht. De gemeenteraad van Amsterdam benoemde hem op 17 september 1906 tot hoogleraar - opvolger van prof. Levie de Hartog - in het staatsrecht en volkenrecht, de encyclopaedie van het recht en de staatsleer welk ambt hij op 15 oktober van dat jaar aanvaardde met een oratie over Positief recht. Nauwelijks acht jaar later, op 22 juni 1914, moest de Amsterdamse rechtenfaculteit node afscheid nemen van de briljante docent, de zichzelf en zijn studenten hoge eisen stellende hoogleraar en de daarom wel gevreesde examinator, wegens diens benoeming tot lid van de Raad van State. Desondanks hebben, op verzoek van studenten, besturen van Universiteit en stad Amsterdam hem nog enkele jaren kunnen behouden als docent in de algemene staatsleer.

Zijn omvangrijke leeropdracht en de hoge plichtsbetrachting, waarmee hij deze vervulde, leidden ertoe dat hem te weinig tijd voor studie bleef - vermoedelijk de voornaamste reden waarom hij aan het lidmaatschap van de Raad van State de voorkeur gaf. Nochtans verscheen in wat men zijn 'staatsrechtelijke periode' zou kunnen noemen, een reeks in heldere stijl - teken van zijn helder denken - geschreven artikelen, die een ruimer lezerspubliek bereikten dan de vakgenoten alleen. Genoemd moeten worden zijn brochure Administratie of rechter (1910), waarmee hij de ontwikkeling van de administratieve rechtspraak in ons land voor de volgende decennia sterk beïnvloedde; zijn De grondwet. Haar karakter en waarde (1914) en zijn bestrijding van de theorie van het rechtsbewustzijn van zijn Leidse collega H. Krabbe, mede in verband met de toenmalige plannen tot grondwetsherziening. Deze publikaties hebben grote invloed gehad op het staatspolitieke denken van zijn tijd en tot in onze tijd toe de staatsrechtelijke theorie in hoge mate medebepaald.

Zijn adviseurschap van de regering en een martelende ziekte gaven hem niet de ruimte om wat zijn hoofdwerk had moeten worden: Het staatsrecht van het Koninkrijk der Nederlanden af te maken: het eerste en enige deel dat verschenen is (1915-1917) doet in zijn briljantheid vermoeden, wat ons ontgaan is. Diepe verontrusting over de barbaarsheid en de rechtsschendingen in de Eerste Wereldoorlog, met name de inval en het optreden der Duitse legers in België, richtten zijn aandacht steeds meer op vraagstukken van internationale politiek en internationaal publiekrecht: De oorlog en het volkenrecht [ 1914]; Nederland, België en de mogendheden (1919). Na het einde van de vijandelijkheden streefde hij als adviseur van de regering - hij was trouwens herhaaldelijk Nederlands gedelegeerde aan de conferentietafel, bijvoorbeeld op de Parijse onderhandelingen over de herziening van de verdragen van 1839, op de Haagse Conferentie van 1922 over Rusland en die over de herziening van het oorlogsrecht in 1922-1923, en was tevens lid van het Permanente Hof van Arbitrage - naar een sterke zelfstandigheidspolitiek van Nederland, een loyale houding jegens België en steun aan de Volkenbond. Wat dit laatste betreft: hij wilde dit jonge en nog zwakke instituut niet te zwaar belasten en zijn draagwijdte beperken tot het politiek mogelijke. Dat in Den Haag naar zijn gezaghebbende stem geluisterd werd, blijkt wel uit het toenmalige buitenlandse beleid van de regering. Zijn rede De hoofdtrekken van Nederlands buitenlands beleid (1923), bedoeld voor de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, heeft hij niet meer kunnen uitspreken. Het is zijn politiek testament geworden.

P: Een chronologische lijst van geschriften en tijdschriftartikelen in dl. IV van Verzamelde werken..., 227-242 en Lijst van geschriften van leden der Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland. Supplement 1930 ('s-Gravenhage, 1931) 44-45.

L: Eigen Haard 40 (1914) 20 (16 mei) 377-378; R. Kranenburg, in Amsterdamsche Studentenalmanak 85 (1915) 69; J.A. Veraart, in De Beiaard 8 (1923) II, 332-354; P.J.H. Geurts, in De Tijd van 4 augustus 1923; H.A. van Karnebeek, in Haagsch Maandblad 1 (1924) 4 (april) 371-377; C. Goseling, in Amsterdamsche Studentenalmanak 94 (1924) 61-64; Grotius Annuaire International pour l'année 1924, 103-111; C.J. Vinkesteijn, in Annalen van de Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland 1925, II, 5-9; J.A. Veraart, 'Capituleert de Democratie? . . . Neen!', in Roeping 16 (1937-1938) 7 (april) 448-460.

I: Zestig juristen. Bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap. Onder red. van T.J. Veen en P.C. Kop (Zwolle 1987) 292.

W.E. Siegmann †


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013