Suijling, Johannes Philippus (1869-1962)

 
English | Nederlands

SUIJLING, Johannes Philippus (1869-1962)

Suijling, Johannes Philippus (ook bekend onder naam Suyling) rechtsgeleerde ('s-Hertogenbosch 4-9-1869 - 's-Gravenhage 14-6-1962). Zoon van Jacobus Suijling, vishandelaar, en Maria Pieternella Baggerman. Gehuwd op 3-9-1903 met Sofia Adriana Anna de Graaff. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Suijling, Johannes Philippus

Suijling doorliep het gymnasium te 's-Hertogenbosch en liet zich op 17 oktober 1888 als student aan de Universiteit van Utrecht inschrijven. Op 4 december 1893 promoveerde hij cum laude op het proefschrift De statutentheorie in Nederland gedurende de XVIIe eeuw ('s-Hertogenbosch, 1893). Zijn promotor, die later zijn ambtsvoorganger zou blijken te zijn, H.J. Hamaker had hem tot dit rechtshistorische onderzoek aangemoedigd.

Suijling vestigde zich in zijn geboortestad als advocaat en procureur, maar zijn hart was maar half bij de praktijk; hij wilde naar de zittende magistratuur en had tijd nodig om zich te verdiepen in de juridische litteratuur. Een studieverblijf eerst te Berlijn en daarna te Parijs gaf hem hiertoe gelegenheid. Teruggekeerd zette hij zijn lectuur voort en bestudeerde naast burgerlijk recht het burgerlijk procesrecht. Vandaar voerde de weg hem tot het publieke en ten slotte tot het internationale recht.

Na korte tijd rechter-plaatsvervanger te zijn geweest, werd hij in 1900 benoemd tot rechter in de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch. Zijn belangstelling voor het administratieve recht bracht Suijling ertoe het ontwerp-Beroepswet, door minister J.A. Loeff tijdens het ministerie-Kuyper (1901-1905) in de Kamer aan de orde gesteld, van kritische kanttekeningen te voorzien. Het gevolg was dat deze Suijling verzocht naar het departement van Justitie over te gaan, mede ter voorbereiding van de door Loeft in het uitzicht gestelde invoering van de algemene administratieve rechtspraak. In 1903 vestigde hij zich te 's-Gravenhage, om tot 1911 als raadadviseur ten departemente werkzaam te zijn. T.g.v. de spoorwegstakingen werd hij onmiddellijk na aankomst gezet aan de behandeling van stakingskwesties. Daarna kwam de administratieve rechtspraak aan de beurt, welke hem een paar jaar in beslag nam. Later werd hij ook met andere legislatieve arbeid belast.

In 1907 werd hij buitengewoon hoogleraar in het volkenrecht te Leiden, een functie die hij wist te combineren met het raadadviseurschap. Zijn op 16-10-1907 uitgesproken intreerede was getiteld Critische rechtswetenschap en volkenrecht (Leiden, 1907). Suijling betoogde hierin o.m. dat de wilsgebondenheid niet universeel als het effect van een geheimzinnige wilsbinding ontstaat, maar individueel, uit de innerlijke drang des harten voortkomt. 'Eenzelfde onbewuste neiging als de springveer van ons zedelijk handelen, drijft ook ons rechtsleven', zo schrijft hij. In 1911 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar in het burgerlijk en internationaal privaatrecht te Utrecht. Node afscheid nemend van zijn vrienden uit de Haagse kringen, aanvaardde hij zijn hoogleraarschap op 25-9-1911 met het uitspreken van de rede Het Wereldverkeer in het privaatrecht (Haarlem, 1911). Hij zegde het volkenrecht, een recht dat nergens ter wereld geldt, 'daar het immers slechts in de vorm van landsrecht bestaat' vaarwel en had voor de rest van zijn leven slechts bemoeienis met het burgerlijk recht. Als rector der Universiteit sprak hij op 26-3-1926 de diesrede uit Kartel en trust in het privaatrecht (Utrecht, 1926). Niet aan de theorie, maar aan de eisen van de praktijk ontleende hij het onderwerp van deze rede.

Het college geven dwong Suijling tot voortdurende zelfkritiek. Hij was overigens een uitmuntend docent, die door het geven van veelal met humor gekozen voorbeelden zijn colleges verlevendigde. Door zijn helder taalgebruik, zijn korte zinnen, levendige gebaren en de verzorgde vorm zijner voordracht wist hij zijn gehoor te pakken en mee te slepen. Ook in zijn geschriften is Suijling duidelijk en boeiend. Het resultaat van gedegen kennis en onafhankelijk denken wordt ondanks de veelal lichte toon in stellige uitspraken medegedeeld. Hij zocht voortdurend naar een oplossing, welke maatschappelijk doelmatig was en strookte met de gerechtigheid. Suijling noemde zichzelf positivist. Hij trachtte de wet uit de wet te verklaren en richtte zich op de doelmatigheid en nuttigheid daarvan. Dit wetspositivisme was mede een uitvloeisel van zijn gevoel voor orde en gezag.

Ofschoon het civiele recht zijn eigenlijke terrein bleef, had Suijling ook belangstelling voor andere delen van het recht, met name voor het steeds belangrijker wordende fiscale recht. In de jaren '20 en '30 verschenen de delen van de serie Nederlandsch Belastingrecht, waaraan naast J.H.R. Sinninghe Damsté, een goede vriend, o.m. J.G. Klaassen, H.F.R. Dubois en P.J.A. Adriani meewerkten. De hoofdredactie van deze serie evenwel had Suijling, die er een groot deel van zijn tijd en aandacht aan besteedde. Tevens begon hij in de Utrechtse periode met zijn grote levenswerk Inleiding tot het burgerlijk recht. Dit systematisch en niet artikelsgewijs opgezette werk trok de aandacht door de originele wijze van behandeling van de stof, die hij niet historisch interpreterend, maar in de logische samenhang van het positieve recht en het maatschappelijk doel der rechtsvoorschriften benaderde. Tot 1929 diende Suijling de Utrechtse juridische faculteit. Om gezondheidsredenen nam hij in dat zelfde jaar ontslag. De volgende jaren wijdde hij enkel en alleen aan zijn opus magnum.

Ofschoon Suijling Nederlandsch-Indië niet uit eigen ervaring kende, achtte hij het behoud der Rijkseenheid van groot belang en schaarde hij zich met overtuiging onder de oprichters van het Fonds ten behoeve van Indologische Studiën aan de Rijksuniversiteit te Utrecht (25 augustus 1925). Tot november 1947 was hij voorzitter van de wetenschappelijke raad van dit fonds; daarna dwong zijn leeftijd hem zijn activiteiten te beperken. Hoezeer men hem waardeerde, blijkt uit het in 1949 verschenen boek Wegens zijn bijzondere verdienste hem opgedragen door de Indologische Faculteit te Utrecht. Suijling drong, gewaarschuwd door de ervaringen van de jaren 1914-1918 aan op weerbaarmaking van het Koninkrijk, vooral geestelijk. 'Het zwaartepunt van het Koninkrijk ligt in het Oosterse Rijksgebied', zo schreef hij in een brochure Volkenrecht en politiek (Utrecht, 1915). Tevens pleitte hij voor de oprichting van een universiteit in Indië. Dat hij voortdurend contact hield met het rechtsverkeer van zijn tijd blijkt uit de talrijke juridische adviezen die hij in de loop der jaren heeft gegeven aan vrienden en bekenden, zelfs nog op hoge leeftijd. Hij behoorde met E.M. Meijers en P. Scholten tot de grootste en markantste juristen van zijn tijd.

P: Behalve de hierboven genoemde werken, Inleiding tot het burgerlijk recht 3e dr. (Haarlem, 1948-dln. Ie uitg. 1918-); Recht en staat in de empirische wetenschap . . . (Haarlem, 1945); Levend en stervend recht (Haarlem, 1947-1952. 2 dln.); De subjectieve rechten in het positieve privaat- en publiekrecht (Haarlem, 1949) en een korte bibliografie van niet afzonderlijk gedrukte of herdrukte artikelen, in Wegens zijn bijzondere verdienste (Amsterdam [enz.], 1949) 24-25.

L: F.C. Gerretson, in Wegens zijn bijzondere verdienste, 175-216; L.J. Hijmans van den Bergh, in het Jaarboek van de Rijksuniversiteit te Utrecht 1961-1962 , 47-52 ; J. van der Poel, in Weekblad voor fiscaal recht 91 (1962) 533-535; H. Schuttevâer, in Privaatrecht en belastingrecht (Deventer, 1972) 145-169.

I: Zestig juristen. Bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap. Onder red. van T.J. Veen en P.C. Kop (Zwolle 1987) 257.

W.M. Peletier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013