Tilanus, Hendrik Willem (1884-1966)

 
English | Nederlands

TILANUS, Hendrik Willem (1884-1966)

Tilanus, Hendrik Willem, politicus (Deventer 5-10-1884 - 's-Gravenhage 16-2-1966). Zoon van Willem Joris Tilanus, officier der huzaren, en Clasina Jacoba Johanna van Os. Gehuwd op 30-9-1909 met Johanna Catharina Hillegonda Adriana Middelbeek. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren.

Na onder meer op het Instituut Tesch in de Molenstraat te 's-Gravenhage lager onderwijs te hebben ontvangen, kreeg hij zijn opleiding op de Cadettenschool te Alkmaar (1902-1904) en de Koninklijke Militaire Akademie te Breda (1904-1907), waar hij onder meer de strafrechtcolleges volgde van J.J.C. van Dijk. Op 19-7-1907 volgde zijn beëdiging als officier te Gorkum. Vervolgens was hij als beroepsmilitair in Gorkum (1907-1909), Amsterdam (1909-1910) en te Utrecht (1910-1913) werkzaam en doceerde van 1913-1919 aan de Koninklijke Militaire Akademie te Breda de artilleriewetenschappen. In deze jaren was hij tevens werkzaam ten bate van de Christelijke Militaire Tehuizen.

Reeds in zijn militaire loopbaan had Tilanus belangstelling getoond voor de Nederlandse politiek, maar in het actieve partijwerk trad hij sedert 1917 naar voren, toen hij de functie van tweede secretaris van het hoofdbestuur van de Christelijk-Historische Unie ging vervullen. In 1922 verwierf hij het lidmaatschap van de Tweede Kamer voor deze partij en werd secretaris van de fractie. Sedertdien ontwikkelde Tilanus zich tot één van de leidende figuren in de CHU en hij werd in 1939 zowel voorzitter van de partij als van de fractie. In de Kamer nam hij als onderwijsspecialist en defensiedeskundige aan de werkzaamheden deel. Daarnaast vervulde hij ook andere maatschappelijke taken: van 1919-1922 als secretaris van de Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken en van 1919 tot 1951, met uiteraard een onderbreking in de bezettingstijd, als secretaris van de Onderwijsraad.

Tilanus wekte in de zomer van 1940, na de capitulatie voor Duitsland, in een persoonlijk rondschrijven zijn partijgenoten en bekenden op om trouw te blijven aan de naar Engeland uitgeweken koningin Wilhelmina en haar ministers, aan de nationale tradities en religieuze overtuiging. Hij tekende verzet aan, deels in samenwerking met H. Colijn, W. Drees, J. Schouten, B.M. Telders, T.J. Verschuur en J. Donner, tegen de actie van de Nederlandse Unie. Hij werd op 7-10-1940 door de Duitsers als gijzelaar gevangen genomen, en vertoefde als zodanig in gijzelaarskampen te Buchenwald (9-10-1940 - 15-11-1941), te Haaren, N. BR. (16-11-1941 - 11-5-1942), te Beekvliet (11-5-1942 - 29-10-1942), op 'De Ruwenberg' (29-10-1942 - 6-9-1944) en te Vught (6-9-1944 - 17-9-1944).

Tilanus nam direct na zijn invrijheidstelling, reeds tijdens de hongerwinter, zoveel mogelijk zijn politieke contacten op. Hij probeerde de CHU weer op te richten wat niet zonder moeilijkheden ging. Spoedig kwam Tilanus in conflict met mr. G.E. van Walsum over het eigendomsrecht van het christelijk-historische dagblad De Nederlander dat zich tot spreekbuis van de Nederlandse Volksbeweging maakte, en daarmee pleitend voor de zg. 'doorbraak', het fundament van een zelfstandige Unie aantastte. Ook gingen enige zeer bekwame christelijk-historische jongeren als prof. P. Lieftinck, mr.dr. A.A. van Rhijn en mr. G.E. van Walsum over naar de nieuw opgerichte PvdA. Vooral echter dank zij de volhardende verkiezingsactie van Tilanus, kon de CHU toch na de verkiezingen van 17-5-1946 met acht van de 100 zetels in de Tweede Kamer terugkeren, met Tilanus opnieuw als fractieleider. Tot 1963 zou hij deze belangrijke leidinggevende taak in de Kamer blijven vervullen.

In 's lands vergaderzaal verzette hij zich scherp tegen de Indië-politiek van de kabinetten-Schermerhorn, -Beel, en -Drees, maar bevorderde dat in 1948 en daarna christelijk-historische bewindslieden in het kabinet optraden. Wel leverde hij tegen het einde van zijn politieke loopbaan ernstig kritiek op de Mammoetwet van minister J.M.L.Th. Cals, wiens deskundigheid hij erkende, maar wiens onderwijsvernieuwing hij slechts matig kon waarderen, mede omdat hij de resultaten daarvan voor de positie van het bijzonder onderwijs wantrouwde. Op grond van zijn verdiensten op staat- en onderwijskundig terrein, alsmede zijn arbeid op het gebied van de christelijke werkgevers- en werknemersorganisaties heeft de VU hem op 20-10-1958 het eredoctoraat in de rechten verleend.

Zijn gehele leven hard werkend, om door noeste zelfstudie vooruit te komen en bij te blijven, daarbij levend vanuit de orthodox-protestantse traditie, die hij hoog schatte, heeft dr. Tilanus, zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog, voor en achter de schermen, in het binnenlandse politieke leven een rol van betekenis gespeeld. Binnen en buiten het parlement was hij lid van talloze commissies en besturen (o.a. voorzitter van de defensiecommissie en van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs). Als fractieleider stond Tilanus vrijwel dagelijks in contact met de Nederlandse bewindslieden, terwijl hij zijn invloed liet gelden bij diverse naoorlogse kabinetsformaties. Beminnelijk in gesprek, hoffelijk in de omgang, maar vasthoudend waar het zijn inzichten betrof - zowel jegens politieke tegenstanders als naaste geestverwanten - met groot respect voor kennis en levenservaring van anderen, met een uitgesproken oordeel over zijn medepolitici en hun standpunten, was hij na A.F. de Savornin Lohman, J.Th. de Visser, J.W. Schokking, D.J. de Geer en J.R. Slotemaker de Bruïne de eigenlijke en enige leider van de CHU, die soms tegen veler verwachtingen in zijn kiezers wist vast te houden. Hoewel loyaal in de persoonlijke omgang met de rooms-katholieken, stond hij gereserveerd tegenover hun grote invloed. Door afkomst en jeugdervaringen vaak met veel begrip voor de antirevolutionairen, voelde hij voor incidenteel contact en overleg tussen beide grote protestantse partijen, maar verwachtte geen spoedige samensmelting, en meende deze ook niet concreet te moeten bevorderen.

In religieus opzicht was dr. Tilanus een uitgesproken kerkelijk meelevend mens (Nederl. Herv.) van orthodoxe inslag, maar zonder scherpe dogmatische trekken; qua vroomheid was hij meer praktisch dan leerstellig ingesteld.

Zonder enig uiterlijk vertoon leidde hij met vaste, wilskrachtige hand zijn partij en Kamerfractie, en betoonde zich vooral in en na de Tweede Wereldoorlog door ervaring en positie één der invloedrijkste personen in de Tweede Kamer. Dr. Tilanus behoorde zeker niet tot politici die binnen en buiten eigen kring nieuwe banen hebben gewezen. Veeleer werd zijn politieke optreden gekenmerkt door een zo krachtig mogelijk handhaven van de eenmaal bestaande politieke overtuiging van de partij. Daartoe moest de politieke organisatie volgens hem in stand gehouden worden, en moesten leden daarvan, indien mogelijk, medewerking verlenen aan het landsbewind.

A: Archief-Tilanus in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

L: 'dr. H.W. Tilanus 80 jaar', in Binding. Maandelijks Contactblad van de Christelijke-Historische Unie 9 (1964) 12 (sept.); G. Puchinger, Tilanus vertelde mij zijn leven (Kampen, 1966).

G. Puchinger


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013