Treub, Marie Willem Frederik (1858-1931)

 
English | Nederlands

TREUB, Marie Willem Frederik (1858-1931)

Treub, Marie Willem Frederik, politicus, hoogleraar in de staathuishoudkunde en statistiek en staatsman (Voorschoten 30-11-1858 - 's-Gravenhage 24-7-1931). Zoon van Jacobus Petrus Treub, burgemeester van Voorschoten, en Marie Louise Cornaz. Gehuwd op 28-4-1886 met Maria Hoog; na echtscheiding op 4-11-1897 huwde hij op 31-8-1898 met Susanne Adèle Cornaz. Op 10-6-1916 volgde ontbinding van het tweede huwelijk. Op 15-2-1917 hertrouwd met Annie Julia Judels, van wie hij op 27-4-1928 scheidde. Uit het eerste huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Treub, Marie Willem Frederik

Evenals zijn broers Hector (de latere gynaecoloog) en Melchior (toekomstige directeur van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg) doorliep hij de dorpsschool te Voorschoten en de Gemeentelijke HBS in Leiden, waar hij in 1876 eindexamen deed. Het geld voor zijn verdere studie verdiende hij met allerhande kleine gemeentelijke functies in het dorp waar zijn vader burgemeester en secretaris was. Treub behaalde het staatsexamen voor Grieks en Latijn en bekwaamde zich daarna voor het examen van kandidaat-notaris en vervolgens in 1881 voor het admissie-examen, waarna hij op 11-10-1881 te Leiden rechten ging studeren. Tijdens zijn kandidaatsstudie werd hij in 1883 bekroond met een gouden medaille van de Utrechtse Universiteit voor een inzending op de prijsvraag naar de historie onzer belastingen. Vervolgens studeerde hij in Parijs en sinds 1884 in Amsterdam, waar hij in 1885 voor het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid slaagde. Op 31 maart 1885 volgde in Utrecht zijn promotie op het eerste deel van het antwoord op de prijsvraag.

De eerste fase van Treubs maatschappelijke loopbaan speelde zich af in de hoofdstad. Hij had de uitnodiging gekregen aan de Universiteit van Amsterdam privaatdocent in het belastingrecht te worden en ving zijn lessen in september 1885 aan. In hetzelfde jaar richtte hij de Notariële Sociëteit en de Notariële Vereeniging op. Hij werd in 1887 redacteur van het Weekblad voor Notarisambt en Registratie, Sociaal Weekblad en Vragen des Tijds. Beide laatste tijdschriften droegen een progressief-liberale signatuur. Zijn politieke belangstelling deed hem in 1887 lid worden van de oud-liberale kiesvereniging 'Burgerplicht', maar hij richtte met anderen de radicale kiesvereniging 'Amsterdam' op, toen bleek dat de koers van 'Burgerplicht' niet viel te wijzigen. Hoewel radicaal, heeft Treub altijd de socialistische ideeën bestreden.

In 1889 werd Treub gemeenteraadslid en in 1893 wethouder van financiën. Opmerkelijke resultaten boekte hij. Zo het besluit waarbij B & W werden gemachtigd om in bestekken van gemeentewerken bepalingen op te nemen omtrent minimumloon en maximumarbeidsduur, alsmede de vaststelling van een reglement voor gemeentewerklieden. Zowel besluit als reglement waren een arbeidsrechtelijke primeur. Hij stelde een gemeentelijke rekenkamer en een daadwerkelijk bouwtoezicht in. Als wethouder van publieke werken (1895) bracht Treub de particuliere waterleiding- en telefoonbedrijven onder gemeentebeheer, terwijl hij de belangrijkste stoot gaf tot naasting van de tram- en gasbedrijven.

In 1896 werd Treub benoemd tot hoogleraar in de staathuishoudkunde en de statistiek aan de Universiteit van Amsterdam, als opvolger van P.W.A. Cort van der Linden. Zijn overgang van gemeenteraad naar Universiteit oogstte veel kritiek, zowel van gemeentewege, omdat hij zijn taken niet afgemaakt zou hebben, als van diegenen uit de wetenschappelijke hoek die zijn economische ideeën te ondiep of onjuist achtten, zoals J. d"Aulnis de Bourouill en N.G. Pierson. Treub publiceerde veel, waaronder zijn tweedelig werk over het wijsgerig economisch stelsel van Karl Marx, waarin hij diens denkbeelden bestreed. Anderzijds was hij ook geen voorstander van de zg. liberale school. Hij bracht twaalf promovendi tot de doctorstitel. Tijdens zijn hoogleraarschap werd hij in 1899 de eerste directeur van het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen, in welke hoedanigheid hij een beslissende rol speelde bij de oplossing van het grote conflict dat tot de spoorwegstakingen van 1903 had geleid.

Treubs Haagse tijd ving aan toen hij in 1904 voor het kiesdistrict Assen lid van de Tweede Kamer werd. Hij was daarin de grote tegenstander van Abraham Kuyper. Hij beijverde zich voor staatsexploitatie der spoorwegen en wist de regering te dwingen het vraagstuk der werkloosheid aan te pakken. Als voorzitter van de dientengevolge ingestelde staatscommissie inzake de werkloosheid legde hij de basis voor zijn befaamde ministeriële Noodregeling van 22 augustus 1914 ter instandhouding van de werkloosheids-verzekeringskassen. Treubs parlementaire loopbaan nam in 1913 een ontijdig einde, omdat hij zich niet kon verenigen met H. Goeman Borgesius' politieke zet om het staatspensioen als voornaamste leus op het concentratiemanifest der drie Vrijzinnige partijen te plaatsen.

In 1913 werd Treub voor het eerst minister. Na het falen van D. Bos als formateur kreeg Cort van der Linden van de Koningin de opdracht een extra-parlementair kabinet samen te stellen. Treub kon kiezen tussen de portefeuilles van Financiën of Landbouw, Nijverheid en Handel. Aangezien onder het voorafgaande kabinet-Heemskerk de sociale verzekering onder het tweede departement ressorteerde en Treub als kamerlid zijn sporen mede had verdiend op sociaal verzekeringsterrein en daarbij vaak minister A.S. Talma bestreed, werd het Landbouw. Hij ontwierp een indrukwekkend stelsel van sociale verzekeringswetgeving annex uitvoeringsorganisatie, waarbij hij van heel andere ideeën uitging dan zijn voorganger en o.m. diens Raden van Arbeid wilde vervangen.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moest Treub zich ineens op gans andere zaken concentreren en daarmee al gauw zijn ambtgenoot van Financiën A.J. Bertling terzijde staan en van 24 oktober 1914 af vervangen. In koortsachtig tempo nam Treub de nodige maatregelen op financieel, economisch en humanitair terrein, zoals bijv. verbod van gouduitvoer, levensmiddelenwet, beurswet en oprichting nationaal steuncomité onder auspiciën van de Koningin. Hierdoor werd hij een nationaal begrip voor zakelijk staatsmanschap. 'Minister Voorwaarts' heette hij. Toen normaler toestanden in de plaats van de verwarde eerste oorlogsmaanden waren getreden nam Treub zijn sociale verzekeringsplannen weer ter hand en zette hij zich tevens tot reorganisatie van de gehele belastingwetgeving. Ter financiering van zijn ontwerp-Ouderdomswet diende hij een ontwerp-pensioenbelasting in en stelde de eis dat het voorlopig verslag hiervan binnen moest zijn alvorens het ontwerp-Ouderdomswet te behandelen. De Kamer liet hem daarop op 8 februari 1916 vallen met de aanneming van de motie-Schaper c.s.

Een jaar later (22 februari 1917) werd hij opnieuw uitgenodigd de portefeuille van Financiën te beheren, omdat zijn voorganger A. van Gijn was afgetreden wegens een conflict met zijn ambtgenoten over de subsidiëring van voedingsartikelen. Treub slaagde erin delen van zijn belastingstelsel aanvaard te krijgen, had een belangrijk aandeel in de oprichting van de Nederlandsche Uitvoer Maatschappij en had het voortdurend aan de stok met zijn collega van Landbouw, F.E. Posthuma, o.m. over de uitvoeringsvergunningen die de laatste afgaf, maar de eerste aan de grens door de douane ongeldig liet verklaren. Op 9 september 1918 trad het kabinet-Cort van der Linden af.

Treub was gebrouilleerd met zijn oude partij, de Vrijzinnig-Democratische Bond, en poogde zakelijke vernieuwing aan de politiek te geven door oprichting van de Economische Bond in 1917. Bij de verkiezingen in 1918 behaalde deze slechts drie zetels. Treub maakte opnieuw van september 1918 tot oktober 1921 deel uit van de Tweede Kamer.

Op het eind van hetzelfde jaar werd Treub voorzitter van de Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië, opgericht op initiatief van o.m. C.J.K. van Aalst. De Indische ondernemers hadden toentertijd te kampen met de gevolgen van de zg. ethische politiek en hoopten dat Treub invloed op de regering, de Indische landvoogd en zijn ambtenaren kon uitoefenen om begrip voor hun positie te krijgen. Treub zette zich geheel voor zijn nieuwe taak in en schreef belangrijke studiën over de Indische economie. Drie maanden voor zijn dood en nog geheel fit nam hij afscheid van de Ondernemersraad. Hij stierf na een operatie in het Zuidwal ziekenhuis te 's-Gravenhage aan een cystenlever.

Treub was een geniale individualist, een 'Einspänner' zoals hij toenmaals vaak werd genoemd. Hij dacht en werkte sneller dan anderen en begon de belangstelling voor het onderwerp alweer te verliezen als anderen op gang kwamen. Hij was integer en eerlijk en kwam graag onverbloemd voor zijn mening uit. Hij was in staat tot diepe vriendschappen, maar wel met mannen wier gaven en ambities dezelfde richting uitgingen. Treub had een Franse inslag en schitterde in de 'discours' aan tafel, hoewel zijn stemgeluid saai was.

Treub was een wezenlijk liberale geest, in het eerste decennium van zijn maatschappelijk optreden politiek radicaal, vervolgens vrijzinnig-democraat en ten slotte neigend naar behoudendheid, voornamelijk echter uit bezorgdheid over de economische toestand van het moederland en van Nederlandsch-Indië. Steeds bleef hij wars van dogmatiek, traditioneel denken en vooringenomen standpunten. Daarom was hij de ideale zaken-minister, maar schoot als politicus en staatsman tekort. Treub was niet godsdienstig, men zou hem tegenwoordig een humanist noemen.

Hoewel Treub geen school maakte, geen groepering blijvend achter zich verenigde, noch belangstelling en geduld had voor het beïnvloeden van mensen, is zijn betekenis heel groot geweest. Hij was op vele gebieden een voorloper, die bovendien over een grote intelligentie, ijzersterke gezondheid en de harde leerschool van zijn jeugd beschikte om zijn ideeën tot uitvoering te brengen. Zijn grote jaren waren uiteraard die van de Eerste Wereldoorlog. Zijn dominerende persoonlijkheid bezorgde hem ook vijanden, niet in het minst door zijn grilligheid en zijn latere sombere en soms zelfs zwartgallige uitlatingen met name over de werking van ons parlementaire stelsel (zijn vraag in 1925 of een staatsgreep in uiterste nood niet een einde zou dienen te maken aan het eindeloos gepraat over futiliteiten in de Europese parlementen). Ook was hij tegen de slappe jeugd, de haar doel voorbijgeschoten arbeidswetgeving, de vakbeweging en de ethische politiek in Indië. Zijn plan tot monopolisering van de brand- en levensverzekering door de staat vond geen weerklank.

P: Ontwikkeling en verband van de Rijks-, provinciale- en gemeentebelastingen in Nederland (Leiden, 1885). Proefschrift Utrecht; De ontwikkeling der staathuishoudkunde tot sociale economie (Amsterdam, 1896). Inaugurele rede: Over coöperatie (Amsterdam, 1898); Het economisch standpunt der Vrijzinnig-Democraten ... (Amsterdam, 1901); Het wijsgeerig-economisch stelsel van Karl Marx (Amsterdam [enz.], 1902-1903. 2 dln.); Over den economischen invloed van de toepassing der coöperatie ('s-Gravenhage, 1904); Over sociale verzekering (Amsterdam, 1906); Hoofdstukken uit de geschiedenis der staathuishoudkunde 5e dr. (Haarlem, 1930); Oorlogstijd (Haarlem, 1916); De economische toekomst van Nederland (Haarlem [enz.]. 1917); Wederopbouw ('s-Gravenhage, 1918) Rede... Economische Bond; Sluit de gelederen! (Haarlem, 1920) Rede... Economische Bond; Nederland in de Oost (Haarlem, 1923); Regeeringsbemoeiing met het bedrijfsleven in Nederlanden Ned-Indië (Roermond, 1925); Herinneringen en overpeinzingen (Haarlem, 1931); voorts talloze artikelen in Vragen des Tijds, Sociaal Weekblad, WPNR enz.

L: N.E.H. van Esveld, Treub (Assen, 1958).

I: N.E.H. van Esveld, Treub (Assen, 1958) Afbeelding achter titelblad.

N.E.H. van Esveld †


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013