Veraart, Johannes Antonius (1886-1955)

 
English | Nederlands

VERAART, Johannes Antonius (1886-1955)

Veraart, Johannes Antonius, jurist en econoom (Amsterdam 26-1-1886 - Wassenaar 15-1-1955). Zoon van Josephus Johannes Veraart, expediteur, en Christina Bernardina Maria Röholl. Gehuwd met Lucia Maria Henrietta Anna Biermann op 20-5-1913. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Veraart, Johannes Antonius

Na het Ignatiuscollege in Amsterdam, studeerde Veraart van 1904 tot 1908 rechtswetenschap - met vooral belangstelling voor economie - aan de Universiteit van Amsterdam. In 1910 volgde zijn promotie op Arbeidsloon (Amsterdam, 1910). Vervolgens aanvaardde hij het leraarschap gemeentelijke HBS in Nijmegen. Op 23-jarige leeftijd werd hij betaald propagandist en juridisch en economisch adviseur van de Nederlandse Bond van Boekdrukkerijen (NBvB). In tegenstelling tot de algemene economische situatie in Nederland ging het de bedrijfstak van de drukkerijen rond de eeuwwisseling en daarna slecht. Er was te veel concurrentie onderling en te weinig goede administratieve en bedrijfsorganisatorische leiding in de bedrijven. Veraart leek de aangewezen man voor deze Bond, gezien zijn dissertatie, waarin hij zich tegen de concurrentiepolitiek had gekeerd en bepleit had lonen en prijzen te koppelen aan een herziening van de economische politiek. Hij organiseerde voor de noodlijdende drukkerswereld de eerste economische bedrijfsorganisatie, waar samenwerking van werkgevers en werknemers de handhaving van de sociale en economische ordening moest garanderen. Op 1 januari 1914 werd in deze bedrijfstak een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) ingevoerd, die model stond voor vele regelingen in den lande. Toen Veraart verder wilde gaan en uniforme prijstarieven en bedrijfssanering adviseerde, ontstond verschil van mening met de Federatie van drukkerspatroons, die alleen onredelijke concurrentie wilde voorkomen. Hij moest zijn ontslag nemen in december 1918.

Ondertussen was hij in 1914 benoemd tot privaatdocent te Delft in de leer van de economische organisatie der werkgevers en werknemers en van de collectieve arbeidsovereenkomsten, waarna hij m.i.v. 1 januari 1919 hoogleraar handelsrecht, staathuishoudkunde, arbeids- en fabriekswetgeving en mijnrecht werd. Zijn intreerede luidde: Economie en arbeidswetgeving in onderling verband (Delft, 1919). De sociale onrust aan het einde van 1918 leek Veraart gunstig om initiatieven te ontwikkelen tot invoering van de bedrijfsorganisatie in het land, eerst in katholieke kring, dan daarbuiten. Als voorzitter van het Nationaal Hanzebureau (Informatie en Voorlichtingscentrum van de katholieke ondernemers in midden- en kleinbedrijf) lanceerde hij de gedachte van een contactcommissie in januari 1919 van katholieke werkgevers- en werknemersvakcentrales. Deze commissie besloot tot een congres om de plannen tot bedrijfsorganisatie te bespreken. Op 8 april 1919 hadden Veraart en mr. L.G. Kortenhorst, secretaris Algemeene Roomsch-Katholieke Werkgevers Vereeniging, een onderhoud met de regering, die nieuwe pogingen tot omwenteling vreesde. Het gelukte Veraart daarop, met dit onderhoud schermend om werkgevers en werknemers onder druk te zetten, het Paasmanifest van 19 april 1919 tot stand te helpen brengen. Dit manifest verklaarde dat de R.K. Vakbeweging en R.K. Werkgevers, op basis van solidariteit, wilden komen tot een R.K. Centrale Raad van Bedrijven, om de stoot te geven in geheel het Nederlandse bedrijfsleven tot cao's en andere bedrijfsregelingen, die de positie van de werknemers, economisch en juridisch, moesten verbeteren. Het aangekondigde eerste katholieke bedrijfsradencongres kwam op 8 en 9 juli 1919 onder zijn leiding bijeen. De geforceerde samenwerking viel in 1922 uit elkaar, tijdens de verandering van de conjunctuur en in de wetenschap dat revolutiedreiging niet meer aanwezig was. Veel solidariteit konden de katholieke werkgevers en -nemers binnen eigen kring niet opbrengen. Het uitgangspunt van het Paasmanifest en van Veraart was ook te optimistisch geweest: medebeslissingsrecht van arbeiders in een kapitalistische economie, met duidelijke belangen- en loonconflicten, zou moeilijk te realiseren zijn geweest.

De naam van Veraart zou in Nederland voorgoed verbonden blijven aan de constructie van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO), waarvan hij in het begin van de jaren '20 de auctor intellectualis en gedurende zijn gehele leven de stimulator is geweest. Hij beschouwde zichzelf als leerling van de neothomisten J.V. de Groot O.P. en J.Th. Beysens, bijzondere hoogleraren resp. te Amsterdam en Utrecht, en van de Amsterdamse katholieke hoogleraar A.A.H. Struycken en borduurde voort op de toen geldende katholieke sociale leer, die bovenal uitging van de solidariteit der klassen. Meer deductief dan P.J.M. Aalberse en de 'Leidse School', wilde Veraart op constructieve wijze het kapitalisme bestrijden en het economisch doel met hogere normen in overeenstemming brengen. Ook als antwoord op de idee van de klassenstrijd en de nationalisatiegedachte van het socialisme, leek de bedrijfsorganisatie, die de particuliere eigendom van de produktiemiddelen nominaal intact liet, een alternatief voor het chaotische kapitalisme, dat vernietigende concurrentie toestond. Economische bedrijfsorganisatie per bedrijfstak - d.w.z. alle ondernemingen in dezelfde tak van produktie, dienst enz. - was nodig om afspraken te maken over prijzen en lonen, over de verhouding tussen werkgevers en -nemers en over hun rechten en plichten ten opzichte van elkaar. Veraarts economische bedrijfsorganisatie, met medezeggenschap voor arbeiders in prijs- en overige bedrijfspolitiek, moest uitmonden in de PBO, waardoor de bedrijfstakken organen van de Nederlandse staat zouden worden, de verordeningen voor alle betrokkenen een bindend karakter zouden krijgen, bedrijfs- en arbeidsregelingen zouden kunnen worden uitgevaardigd en bedrijfs- en arbeidsrechtspraak uitgeoefend, daartoe door grondwet en bedrijvenwet gemachtigd. Daarnaast zouden in de plannen van Veraart de bedrijfsorganisaties de zorg hebben voor de uitvoering van de sociale verzekeringen en de nodige medezeggenschap regelen. De staat diende zo min mogelijk bij deze organisatie betrokken te worden: de organisaties moesten zichzelf besturen; dat was de gedachte die Veraart van democratie had: beperking van de alleenheerschappij van het kapitaal én van de arbeid, en daarmee zou de onderling afgedwongen samenwerking stakingen onnodig maken. Het parlement werd zo ontlast van veel werk op sociaal en economisch gebied en zou zich beter aan de andere taken kunnen wijden. De consumenten zouden zich via een nationale consumentenraad moeten wapenen tegen de prijsafspraken van deze PBO. Dit stelsel van Veraart weerspiegelde de katholieke leer van het subsidiariteitsbeginsel en de verzoeningsgedachte tussen kapitaal en arbeid, zoals dat later bevestigd werd in Quadragesimo Anno, de pauselijke encycliek van 1931.

Veraart heeft niet afgelaten zijn geesteskind, de PBO, tot het laatst toe in talloze artikelen en brochures te verdedigen. In de jaren '20 ontmoetten zijn ideeën nog veel tegenstand, ook in eigen R.-K. gelederen, vooral bij de werkgevers met hun secretaris Kortenhorst als woordvoerder, toen bleek dat de particuliere eigendom en de beschikkingsmacht daarover meer beperkt werden in de proeve van Veraart dan oorspronkelijk was aangenomen. Verder was er weerstand bij de socialisten, die in die tijd nog niet in verzoening geloofden, de staat een grote rol toekenden en de vakbonden wilden behouden, én bij de liberalen, die nog vasthielden aan een rigide economisch liberalisme. Die dagelijkse strijd in de vroege jaren weerhield Veraart ervan een handboek over de PBO te schrijven, d.w.z. een theoretische grondslag te geven aan zijn praktische modellen, die overtuigender had kunnen werken. In die zelfde tijd zag Veraart zich gedwongen actief aan de katholieke politiek deel te nemen, toen het hem niet gelukt was zijn PBO-voorstellen bij de katholieke werkgevers en -nemers snel geaccepteerd te krijgen. Hij was er nu eenmaal van overtuigd dat hij met zijn stelsel gelijk had. In 1924 werd Veraart voorzitter van het Verbond 'St. Michael', dat binnen de RKSP door acties en propaganda, zoals in het blad van Max van Poll, De Morgen, medestanders poogde te vinden voor een vernieuwde Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) - bij de oude garde had Veraart weinig kans met zijn overhaaste hervormingsplannen -, met gedemocratiseerde organisatie, een nieuw program, dat natuurlijk de invoering van de PBO voorop moest plaatsen, en een nieuwe bemanning van de fractie, die meer representatief voor de diverse groepen in de RKSP moest zijn. Deze partij moest in haar visie de hervormingspartij worden op het sociaal-economisch terrein, geen middenpartij, met verzoening van linker- en rechtervleugel. De eenheidspartij van de katholieken zette hij op de tocht: het ging nu, na de voltooide erkenning van de katholieken in staatkundig en maatschappelijk opzicht, om de emancipatie van de groepen binnen de katholieke wereld: de arbeiders, de jongeren en, in het algemeen, de geschoolde leken. Eind januari leek de partij door een reorganisatie in democratisch opzicht opener te worden. Veraart kwam met de mede-Michaëlist H.W.E. Moller in de Kamer. Hier gaf hij alle aandacht aan de bedrijfsorganisatie, maar hij verloor het contact allengs met de katholieke arbeiders, van wie hij zichzelf als kampioen beschouwde. Dezen konden hem niet in alles volgen en het R.-K. Vakbureau prefereerde in 1929 afgevaardigden uit eigen rij. Veraart was bovendien te ongedurig om moeizame compromissen in de Kamer voor te bereiden. De RKSP was ook niet de programpartij geworden die hij na 1925 had verwacht. Zo kwam reeds in 1929 voor Veraart een einde aan het Kamerlidmaatschap, maar hij bleef op ander terrein politiek of maatschappelijk actief: tot aan de bezettingstijd was hij lid van de Hoge Raad van Arbeid en lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, een functie die hij reeds sedert 1919 had bekleed.

In tegenstelling tot vele anderen onder de katholieke jongeren, die teleurgesteld waren in de slagvaardigheid van het parlementaire stelsel in de grote nood van die dagen (werkloosheid), behield Veraart een rotsvast vertrouwen in de democratie én in de oplossing van de nood via een bestrijding van het kapitalisme, waartegen hij vernietigende requisitoirs schreef. Zijn oplossing van de bedrijfsorganisatie vond ook toen nog geen ruime bijval, al kwam hij met de idee, zoals in het Plan van de Arbeid (SDAP) was geopperd, om van overheidswege grote financiële injecties te geven om de economie weer op gang te helpen. Het corporatieve stelsel - zoals in Italië en Portugal: populair in sommige katholieke kringen - achtte hij schijnbedrijfsorganisaties, die de tirannie over de arbeiders hadden gebracht. Zo bleef Veraart wijzen op de gevaren van de dictaturen, of deze nu kwam van rechter- of linkerzijde, en was uit zijn Joden van Nederland (Hilversum, 1938) gebleken dat hij de ogen niet sloot voor de jodenvervolgingen over de grens.

Na de Duitse inval week hij uit naar Londen, waar hij tot 1944 economisch adviseur was van het ministerie van Algemene Oorlogvoering. Ook was hij voorzitter van het Scheidsgerecht voor de Zeeongevallenwet en kantonrechter in Londen en daarnaast actief in de International Christian Democratie Union en medeoprichter van de Nederlandse tak, nl. de Katholieke Staatkundige Groep in Engeland (Katholiek Cultureel Tijdschrift 1946-1947) . Veraart betoonde zich ook toen een alert beschermer van de parlementaire democratische tradities van Nederland - hij was een bewonderaar van het Engelse parlementaire systeem - zodra hij hoorde van plannen van Nederlanders die na de bevrijding van Nederland een sterker gezag en een door de regering in eerste instantie aan te wijzen vertegenwoordigend lichaam met geringer wetgevende macht wilden. Een artikel hierover in het Londense Vrij Nederland van 26 augustus 1944 leidde tot meningsverschil met minister-president Gerbrandy, die hem ontsloeg uit zijn ambtelijke functie (Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, 5c) . Als reactie op deze botsing schreef hij nog in Londen Inleiding tot de Nederlandsche Constitutie (Londen, 1945), bedoeld als verdediging van het door de Grondwet geregelde parlementaire stelsel.

Na zijn terugkomst mocht hij beleven dat zijn PBO in een succesvol ontwerp van wet gestalte kreeg en erkenning van zijn pionierswerk hiermee zijn deel werd. Na de bedrijfsradenwet van Verschuur in 1933 en de grondwetsherziening van 1938, kon pas na de oorlog de Wet op de Bedrijfsorganisatie (1950) - na het onder de oorlog tijdelijk ingevoerde, op het leidersbeginsel steunende systeem van Woltersom -een goede meerderheid vinden. Een minister zonder portefeuille, A.C. de Bruijn, zou zich zelfs voor de duur van één kabinet speciaal wijden aan PBO-zaken (1952-1956). De opgaande conjunctuur en de vernieuwde rol van de vakbeweging (Stichting van de Arbeid) hadden echter de belangstelling verminderd om de wet 'in te vullen', zodat het koporgaan, de Sociaal-Economische Raad (SER), een adviescollege van de regering is geworden en om plausibele redenen alleen in de land-, tuinbouw- en veeteeltsector zelfbesturende schappen zijn ontstaan. Veraart werd kroonlid van de SER (1950-1955). Naast zijn hernieuwd hoogleraarschap in Delft, was hij verbonden aan de Federatie van katholieke mijnbeambten en mijnwerkers. Ook de katholieke politiek liet hem niet los, getuige zijn laatste brochure Miserere van de katholieke staatkunde ('s-Gravenhage, 1952). Hierin bepleitte hij nogmaals een vooruitstrevende partij, werkend vanuit de encyclieken, wars van elk compromis. Het was de laatste loftrompet op eigen bouwsels: de Michaëlbeweging en de PBO. Hij overleed aan de gevolgen van een verkeersongeval in 1955.

Veraart bracht zijn persoonlijke mening, mondeling en schriftelijk, altijd pregnant naar voren. Dit en zijn manier van optreden, die bij sommigen de indruk wekte van tactloosheid, eigengereidheid en stroefheid, verklaren voor een deel zijn bescheiden politieke rol. Hoe knap ook als jurist en econoom en bekend met talloze andere disciplines, hoe strijdbaar en idealistisch ook, in de onwrikbare politieke constellatie vóór 1940, toen het triomfalisme in de RKSP de toon aangaf, kon hij alleen maar buitenstaander blijven en moest hij genoegen nemen met een rol van hoogleraar-publicist, die hij - begiftigd met een goede pen - met verve bekleedde. Zijn veelzijdigheid en zelfstandige meningen gaven aanleiding tot vaak vruchtbare discussies. Blijvend is zijn waarde als pionier voor de hervorming van de maatschappelijke structuren van zijn tijd, voor de PBO, waarvan de realisatie zijn geduld op de proef heeft gesteld. Hierdoor gaf hij concrete uitvoering aan de katholieke sociale leer. Zijn belang overschrijdt daarom de nationale grenzen.

P: Behalve bovengenoemde werken bibiografie, in Roeping 13 (1935) 501-506; Holland (Londen, [1945]); Beginselen der publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (Bussum, 1947); Wat denkt U van de medezeggenschap? [Antwoorden van] o.a. J.A. Veraart (Nijmegen, [1954]).

L: Roeping 13 (1935) 7 (april) 421-500; L.J. Rogier en N. de Rooy, In vrijheid herboren ('s-Gravenhage, 1953); L.J. Rogier, Annalen van het Thymgenootschap 43 (1955) 72-74; Aug. [H.M.] Albregts, ibidem, 203-204; F.J.H.M. van der Ven, in de Volkskrant 17 januari 1955; J.A. Middelhuis, ibidem; C.P.M. Romme, ibidem, 22 januari 1955; A.A. van Rhijn, in Sociaal Maandblad Arbeid 10 (1955) 68-69; W.G.J.M. Tomassen, Het R.K. bedrijfsradenstelsel 1919-1922 (Leiden, 1974).

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO; Veraart in maart 1942].

M.D. Bogaarts


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013