Verberne, Louis Gerardus Josephus (1889-1956)

 
English | Nederlands

VERBERNE, Louis Gerardus Josephus (1889-1956)

Verberne, Louis Gerardus Josephus, historicus (Nes bij Nieuwer-Amstel 29-9-1889 - Breda 5-1-1956). Zoon van Antonius Petrus Verberne, onderwijzer in het kerkdorp Nes aan de Amstel, en Maria Adriana van Kints. Gehuwd op 21-7-1921 met Maria Augustina Stapper. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 1 zoon geboren.

Verberne was afkomstig uit een katholiek geslacht, dat in de negentiende eeuw voornamelijk het onderwijs diende; zelf ontving hij zijn eerste opleiding van zijn vader, waarna hij in 1908 de onderwijzersakte behaalde via de Bisschoppelijke Kweekschool te Hoorn en te Beverwijk. Daarop volgde een loopbaan die hem als voltooiing van een leven van noeste vlijt en toegewijde studie tot de hoogste trap van het wetenschappelijk onderwijs zou voeren. Tot 1917 gaf hij aan enkele lagere scholen les, in de avonduren studerende voor de akte M.O.-Nederlands, die hij in 1916 behaalde. Een kortstondige journalistieke carrière bij De Maasbode gaf hij in 1917 op voor de functie van leraar Nederlands te Eindhoven. Spoedig behaalde hij nu ook de middelbare akte geschiedenis, te Tilburg verworven, en bereidde hij zich, gestimuleerd door de Tilburgse docent dr. H.F.M. Huijbers, voor op een academische voortzetting van zijn studie. Na een colloquium doctum bij prof. H. Brugmans behaalde hij in korte tijd het kandidaatsexamen te Amsterdam. Bij dit alles werd zijn onderwijstaak zeker niet verwaarloosd: vanaf 1922 doceerde hij Nederlands en geschiedenis aan het katholiek lyceum te Breda, waar hij van 1925 tot 1947 tevens de functie van conrector vervulde.

Naast zijn diverse maatschappelijke verplichtingen ging de wetenschappelijke geschiedbeoefening echter steeds meer een hoofdrol in zijn leven spelen. Na het doctoraal examen in 1925 aan de pas opgerichte katholieke universiteit te Nijmegen was het Huijbers, de eerste hoogleraar in de nieuwe geschiedenis aldaar, die hem als onderwerp voor een dissertatie het leven van Gijsbert Karel van Hogendorp aan de hand deed. Het resultaat was een promotie cum laude in 1931 bij Huijbers' opvolger, prof. J.D.M. Cornelissen, op een proefschrift gewijd aan Gijsbert Karer"s leerjaren (1931). Meer dan een doorsnee-dissertatie bevatte dit boek de neerslag van een gerijpte historische kennis, dat men wel als een definitief werk over de jeugdjaren van Van Hogendorp mag beschouwen. Zoveel rijkdom had het archiefonderzoek intussen opgeleverd dat Verberne er stof uit kon putten voor een aantal andere verhandelingen over de door hem herontdekte staatsman, en die men met andere opstellen terugvindt in de bundel In den spiegel van het verleden (1947). Dat hij niet tot een vervolgdeel op zijn dissertatie kwam is wel in de eerste plaats te wijten aan de overige taken die hij op zich nam en die zijn leven soms overbelastten. Zo werkte hij het grootste deel van de jaren dertig aan een overzicht van Nederlands nieuwe geschiedenis (19de en 20ste eeuw), in 1937 en 1938 gepubliceerd als onderdeel van de door H. Brugmans opgezette Geschiedenis van Nederland. Dit werk bracht hem naar voren als een kenner van die tijd en als een bewonderaar van de politiek van koning Willem I. Het was dan ook geen wonder dat Verberne een overtuigd aanhanger werd van de in de jaren '30 opkomende Groot-Nederlandse gedachte. In meer dan één opzicht bleek Verberne een pionier: vooral dank zij hem spreken wij thans van de 'Bataafse' in plaats van de 'Franse' tijd ten teken van de herwaardering van de periode na 1795. Zijn oorspronkelijk inzicht toonde hij bovendien in zijn intreerede van 1947 als hoogleraar in de politieke, economische en sociale geschiedenis te Tilburg. Die rede behandelde Het sociale en economische motief in de Bataafse tijd (1947) en behoort tot het beste wat Verberne gegeven heeft. Korte tijd later werd hij tevens benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw te Nijmegen, een ambt dat hij in 1948 aanvaardde met een rede over Gogel en de uniteit (1948).

Juist de kwaliteit van deze kleinere werken doet het betreuren dat Verberne zijn tijd teveel aan educatieve en academische verplichtingen moest besteden om nog tot groter opgezette oorspronkelijke arbeid te komen. Wederom vroeg een overzichtswerk zijn aandacht, namelijk een door hemzelf geplande Geschiedenis der Nederlanden op Groot-Nederlandse basis (1948-1955. 4 dln.), waaraan hij zelf een geschiedenis van de nieuwe tijd bijdroeg, al werd de moderne geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden door de Belg J. Scheerder in dl. 4 apart beschreven. Daarnaast verscheen van zijn hand een boekje over De Nederlandse arbeidersbeweging in de negentiende eeuw (1940).

Zijn persoonlijk leven werd gekenmerkt door een terughoudendheid. Hoewel hij, de Hollander, uitstekend aardde in het Brabantse en de informele omgang zeker niet schuwde, was zijn geestelijk leven toch sterk introvert. De zoon der katholieke emancipatie had niets exclusief-rooms, en zocht graag het contact met andersdenkenden, vooral andere overtuigde Groot-Nederlanders als prof. Geyl of prof. Gerretson. Gemoedelijk in de omgang, mild als examinator, wat behoudend naar taalgebruik en overtuiging was hij een stimulator voor velen totdat in zijn laatste levensjaar een slopende ziekte hem tot een eenzaam einde voerde.

P: Zie de 'Lijst van voornaamste geschriften samengesteld door H.F.J.M. van den Eerenbeemt' in de hieronder genoemde geschriften van L.J. Rogier.

L: L.J. Rogier, Herdenking van L.G.J. Verberne (Nijmegen, 1956); tevens in L.J. Rogier, Terugblik en uitzicht (Hilversum [enz.], 1965) II, 469-492; 533-536; K. Meeuwesse, in Jaarboek van de geschied- en oudheidkundige kring van stad en land van Breda 'De Oranjeboom" 9 (1956) 11-21; M. de Haas, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1956-1957. Levensberichten 97-99.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013