Verweij, Albert (1865-1937)

 
English | Nederlands

VERWEIJ, Albert (1865-1937)

Verweij, Albert (bekend onder de naam Verwey), dichter, criticus, litteratuurhistoricus (Amsterdam 15-5-1865 - Noordwijk-aan-Zee 8-3-1937). Zoon van Jan Verweij, meubelmakerspatroon, en Wilhelmina Frederika van der Vijgh. Gehuwd sinds 6-3-1890 met Katharina (Kitty) van Vloten. Uit dit huwelijk zijn 4 dochters en 3 zoons geboren. afbeelding van Verweij, Albert

Verwey groeide op in een rechtzinnig-hervormd gezin. Hij verloor op vijfjarige leeftijd zijn moeder, bijna acht jaar later zijn vader. Hij bezocht na de HBS met driejarige, die met vijfjarige cursus, waar de leraar dr. W. Doorenbos en de poëzie der Engelse romantici diepe indruk op hem maakten. Weldra leerde hij de enige jaren oudere letterkundigen kennen met wie hij in 1885 het tweemaandelijkse tijdschrift De Nieuwe Gids oprichtte. Van dezen is Willem Kloos van onschatbare betekenis voor hem geweest. Tegenover diens aansporingen, vormende kritiek en inspirerende omgang stelde Verwey steun in het werk als redactiesecretaris van het tijdschrift en in het persoonlijke leven van Kloos. Tijdens zijn verloving kwam een bitter einde aan de homo-erotisch gekleurde vriendschap.

In 1889 verliet hij de redactie. Hij had, na enkele jaren als kantoorbediende waarbinnen een reis naar Amerika viel die lang heeft nagewerkt, geen betrekking meer vervuld. Gehuwd in het. stille Noordwijk wonend, leefde hij met zijn voorspoedig groeiend gezin van een vruchtbare letterkundige produktie, deels berustend op studie (o.m. Een inleiding tot Vondel [1892] en bloemlezingen, waarvan die uit de lyriek van Bredere (1893) en Gedichten van Jonker Jan van der Noot (1895) invloed hebben doen gelden), maar verloor niet het contact met zijn generatiegenoten. Dit werd nog zeer verlevendigd toen hij in in 1894, nadat de meeste redacteuren en medewerkers De Nieuwe Gids vaarwel hadden gezegd, met Lodewijk van Deyssel (K.J.L. Alberdingk Thijm) de redactie op zich nam van het Tweemaandelijksch Tijdschrift voor letteren, kunst, wetenschap en politiek, dat in 1902 een maandblad zou worden onder de naam De XXe Eeuw.

Tegelijk speurde Verwey óver de grenzen. Medewerkers voor de tijdschriften vond hij in Vlaanderen, geestverwanten die een niet naturalistische, niet sensitivistische litteratuur voorstonden vooral in Duitsland: de dichters van de Blätter für die Kunst. Met hun centrale figuur, Stefan George, verbond hem sedert 1896 een vriendschap, waarvan de sporen in hun werk te vinden zijn.

De diepgaande, hoewel duidelijk begrensde invloed van Verwey op de litteratuur van zijn tijd bleek pas duidelijk, toen hij in 1905, na een breuk met Van Deyssel, De Beweging. Algemeen maandschrift voor letteren, kunst, wetenschap en staatkunde stichtte, een tijdschrift beogend 'dat boven gedeeltelijke en tijdelijke bedoelingen aan de Geestelijke Beweging van onzen tijd uiting (zou geven)'. In 1908 nam hij de bouwmeester H.P. Berlage, de filosoof T.J. de Boer en de sociaal werkzame technoloog Is.P. de Vooys in de redactie op. Toch bleef De Beweging 15 jaar lang vooral het tijdschrift der jonge dichters, die er een eer in stelden als het scherpe oordeel van Verwey hun werk een plaats gunde: de jonggestorven Alex Gutteling, Maurits Uyldert, die zijn biograaf zou worden, P.N. van Eyck, in wie hij de toekomstige leider van De Beweging zag, J.C. Bloem, C.L. Schepp (Jan Prins), Jacob Israël de Haan, later Victor E. van Vriesland, M. Nijhoff, H. Marsman. Ook ouderen, zeer verschillend naar hun dichterschap, vonden er hun plaats: W.L. Penning, Aan van der Leeuw, later J.A. der Mouw (Adwaita). Sommigen hunner leverden ook kritieken, en De Vooys schreef over sociale politiek, De Haan over significa en strafrechtspleging, F.C. Gerretson over politieke geschiedenis, P.J. Troelstra een enkele keer over politiek. Van Eeden liet het niet bij De kleine Johannes II, waarmee de eerste jaargang, als symbool van de aansluiting bij De Nieuwe Gids, opende. Litterair-historische artikelen schreven J. Koopmans, J.L. Prinsen en C.G.N. de Vooys. Studiën en kritieken op het gebied ook van vreemde litteraturen plaatste Verwey in zijn eigen rubriek 'Boeken, menschen en stroomingen'.

Zijn gezag was in deze jaren ongetwijfeld groot. Van zijn Inleiding tot de nieuwe Nederlandsche dichtkunst 1880-1900 (1905) werden bij de Wereldbibliotheek van 1905 tot 1914 20.000 exemplaren gedrukt, de Groningse Universiteit verleende hem in 1914 een eredoctoraat, buitenlandse uitgeverijen en tijdschriftredacties wendden zich tot hem. Voor velen was hij een steun of een voorbeeld, hetzij door zijn poëzie, zijn helder oordeel, zijn kijk op de wereld, of door zijn persoonlijke zorg en trouw. Maar zijn leidende functie wekte ook irritatie. Onderlinge waardering binnen de kring van De Beweging (men sprak honend van de 'Noordwijker Kamer') en het negeren van veelgelezen schrijvers schenen te duiden op kliekgeest, het spreken van een 'geestelijke beweging' op hoogmoed. Zwaar van gevolgen was het 'Voorbericht' van de drie delen Verzamelde gedichten (1911-1912), dat de bundels omschreef als boeken, waarin de gedichten, gerangschikt in de volgorde van ontstaan, 'een verband [vertoonden] dat tot hun eigen verklaring onmisbaar was'. Jongeren hebben zich beijverd om dat verband aan te tonen, de buitenwacht kon in de aangehaalde woorden een motivering zien voor het niet uitwerpen van zwakke gedichten. De onpersoonlijke formulering 'dat de Idee in [de dichter] plan heeft voor al wat hij schrijven zal', deed de mening postvatten, als zou Verwey zich bij uitstek als 'de dichter van de Idee' beschouwen. In werkelijkheid was hij bij de introspectie waarvan vele gedichten getuigenis afleggen, evenzeer als bij zijn studie van andere dichters, gericht op manifestaties van het dichterschap in het algemeen. Dit geldt zowel voor veel van zijn natuur- en landschapsschilderingen als voor zijn tekening van gestalten in het lyrische werk. Ook in twee zijner toneelstukken, Jacoba van Beieren (1902) en 'Cola Rienzi' (1909), heeft het denken over het dichterschap zijn aandeel gehad. Dit neemt uiteraard niet weg dat de aanleiding tot een gedicht veelal herkenbaar door het persoonlijke leven van de dichter geleverd wordt; crises in zijn gevoelsleven vindt men terug in Uit de Lage Landen bij de Zee ( 1904) en De figuren van de sarkofaag (1930) (geschreven onder de indruk van de dood van vrienden) en Het zwaardjaar (1916) en De weg van het licht (1922) (geschreven tijdens oorlog en revolutie).

Verwey aanvaardde als criticus poëzie op grond van de klank (zijn begrip 'toon' verdient alsnog onderzoek) en baseerde zijn waardering vooral op de rol van de creatieve verbeelding, die hij in aansluiting bij Jean Paul en de Engelse romantici onderscheidde van de fantasie. Haar werking zag hij in de 'verheerlijking van de werkelijkheid', ook bij schilders: Rembrandt, Versier. Proza van Arij Prins, Jac. van Looy, Arthur van Schendel, Nine van der Schaaf, had zijn belangstelling of voorkeur. Onder de oude Nederlandse dichters bewonderde hij bovenal Vondel, en ook trokken hem figuren in wie hij leiders zag: Hadewych, Spiegel, Drost, Potgieter.

De hoogleraarsbenoeming in Leiden (1924), doorgezet door minister J.Th. de Visser, bleek een gelukkige keus. Opnieuw kwam een generatie van jongeren onder de ban van zijn rustige zekerheid en natuurlijk leiderschap. Kern van zijn onderwijs was: het zich aandachtig rekenschap geven van klank en betekenis van de tekst; daarna hechtte hij belang aan achtergronden en toespelingen. De luistercolleges, waarop hij de teksten zoveel mogelijk voorlas, zoals hij ook voor zichzelf gewoon was te doen, gebruikte hij om, in zijn ruim tienjarige ambtsvervulling, eenmaal de Nederlandse litteratuurgeschiedenis door te lopen en jaarlijks een onderwerp uit de 19de of 20ste eeuw te behandelen. Dat hij termen als 'geest', 'idee', 'toon' als vanzelfsprekend niet placht toe te lichten, gaf zijn leerlingen misschien meer een gevoel van reeds ingewijd zijn, dan dat het hun vraaglust wekte. Nieuw was dat hij, rekening houdend met het toekomstig leraarschap van de meeste zijner studenten, een spreekbeurtencollege invoerde, alsook de aanstelling van een assistente voor de studiebegeleiding van de pre-kandidaten. In deze jaren bevestigden studies als Vondels Vers (1927) en Ritme en Metrum (1931) zijn gezag als hoogst bevoegde schrijver over poëzie. Ten tweeden male aanvaardde hij een officiële benoeming: als lid van minister Marchants spellingcommissie.

Tussen zijn aftreden in 1935 en zijn plotselinge dood nog geen twee jaar later was zijn produktie veelzijdig en belangrijk. Na Het lachende Raadsel (1935), waarin de herdenking van Stefan George een ruime plaats inneemt, en het afzonderlijk uitgegeven hartstochtelijke strijdgedicht De Dichter en het Derde Rijk (1936) verscheen nog de bundel In de Koorts van het Kortstondige (1936), waar een beheerste zelfopenbaring als 'Ik en mijn Land' contrasteert met het felle en bittere tijdsgedicht 'Aan een Vriend die wil dat ik Vrede predik'. Met 'Rudolf Pannwitz' Paradijs-trilogie' (in De Stem 17 (1937) 2 (februari) 160-169) sloot hij de lange reeks af van zijn aan hoge eisen van gelijkwaardigheid beantwoordende poëzievertalingen (Dantes Goddelijke Komedie, Shelleys 'Alastor' en hymnen, Shakespeares Sonnetten, gedichten van Baudelaire, George en vele anderen). Zijn Inleiding tot Vondels Volledige Dichtwerken en Oorspronkelijk Proza (1937) bewees, zoals reeds vroeg zijn Leven van Potgieter (1903), hoe verrijkend voor ons inzicht in poëzie van vroeger het woord van een dichter kan zijn. Veel weerklank vond het essay Het Lijden aan de Tijd (1936), geschreven als antwoord op een enquête: een waarschuwing tegen kleinmoedigheid en wanhoop en laatste belijdenis van trouw aan Spinoza, wiens godsbegrip (bij Verwey 'het Leven') in zijn gehele geestelijke werkzaamheid centraal staat. Na zijn overlijden bleek, ook nog uit het algemeen bekend raken van gedeelten uit zijn cantate 'Honestum petimus usque' (geschreven voor het lustrumconcert van het Amsterdams Studentencorps in 1937) en de wijze waarop bij de Vondelherdenking het gelegenheidsgedicht Amsterdam en Vondel (1937) ontvangen werd, hoezeer Albert Verwey een nationale figuur was geworden.

A: Verwey-archief in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

P: Bibliografieën in De Stem 17 (1937) 7-8 (juli-augustus) 836-840 en onder L genoemde werken van M. Hanot, 203-271 ; F.W. van Heerikhuizen, 58-59; J.C. van Aart, 169-170; M. Wolf, 148-151; Dichtspel van Albert Verwey (Amsterdam, 1978). Uitg. door M. Nijland-Verwey.

L: 'Ter herdenking Albert Verwey', in De Stem 17 (1937) 7-8 (juli-augustus); S. Vestdijk, Albert Verwey en de idee (Rijswijk, 1940); M. Hanot, 'De beginselen van Albert Verweys literaire kritiek', in Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Reeks 6: 78 (Gent, 1957) 273-295; F.W. van Heerikhuizen, Alben Verwey (Brugge [enz.], 1963); E. Jaeckle, Rudolf Pannwitz und Albert Verwey im Briefwechsel (Zürich, 1976); J.C. van Aart, Idealisme en 'Idéisme'... (Amsterdam, 1977) 170-171; M. Wolf, Albert Verwey and English romanticism ('s-Gravenhage, 1977); P. Henrard, Wijsheidsgestalten in dichterwoord. Onderzoek naar de invloed van Spinoza op de Nederlandse literatuur (Assen, 1977); Th. Weevers, Droom en beeld (Amsterdam, 1978); H.[P.G.] Scholten, Aspecten van het tijdschrift De Gemeenschap (Baarn, 1978). Proefschrift Leiden.

I: De briefwisseling tussen P.N. van Eyck en Aart van der Leeuw. Uitg., ingel. en van aant. voorzien door P. Delen (Den Haag, 1973) 99.

C.A. Zaalberg


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013