Vessem, Anton Johan van (1887-1966)

 
English | Nederlands

VESSEM, Anton Johan van (1887-1966)

Vessem, Anton Johan van, advocaat en politicus (Rotterdam 15-10-1887 - Utrecht 1-11-1966). Zoon van Cornelis Marinus van Vessem, koopman, en Anna Margaretha van Lindern. Gehuwd op 10-7-1917 met Adriana Petronella van Osch. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Vessem, Anton Johan van

Na de HBS te 's-Gravenhage doorlopen en staatsexamen gymnasium gedaan te hebben, studeerde hij van 1908-1914 rechten aan de universiteit van Utrecht. Na zijn studie vestigde hij zich als advocaat en procureur in die stad en associeerde hij zich in 1925 met R. van Genechten. Hij was een fervent aanhanger van de Groot-Nederlandse, 'Dietse' gedachte en tevens een fel tegenstander van Franse maar ook van Duitse invloeden op Nederland op politiek, economisch of cultureel terrein - daarin bleef hij zich ook tijdens de bezetting van Nederland door de Duitsers trouw. In 1917 was hij een van de oprichters en secretaris van de Dietsche Bond; ook riep hij enige bladen van Groot-Nederlandse strekking (Dietsche Stemmen, De Toorts) in het leven. Hij had een niet onbelangrijk aandeel in de actie tegen het ontwerp-verdrag met België, waarmee ir. A.A. Mussert toen naam maakte, en die hij in deze jaren (1925 tot 1927) leerde kennen. Van Vessem had van 1928 tot 1931 voor de Vrijheidsbond, later de Liberale Staatspartij "De Vrijheidsbond" geheten, zitting in de Utrechtse gemeenteraad, hetgeen hem niet verhinderde in december 1930 zijn naam te geven aan de poging, die Mussert toen waagde om tot een nationaal-socialistische partij te komen. Dat lukte pas een jaar later, en sindsdien trad Van Vessem voortdurend op als raadsman van Mussert, van de NSB, of van NSB-leden. Pas in 1935 liet hij zich formeel als lid van de NSB inschrijven. Hij werd toen ook lid van de Eerste Kamer voor deze partij.

De Duitse inval in mei 1940 schokte hem diep. Eén dag na de inval, op 11 mei, schreef hij een brief aan de voorzitter van de Eerste Kamer met de mededeling, dat de Duitse aanval zijn verwachtingen op buitenlands-politiek gebied had doen ineenstorten, en dat hij derhalve besloten had zich geheel uit de politiek terug te trekken. Na de capitulatie van het Nederlandse leger adviseerde hij Mussert, samen met W.O.A. Koster en J.W. de Ruiter, om de activiteiten van de NSB geheel stop te zetten. Zelf hield hij zich aan deze lijn. Gedurende de bezetting werden hem enige malen hoge posities aangeboden, die hij alle weigerde. Toch bleef hij lid van de NSB en liet zich de titel aanleunen van 'gemachtigde van den Leider voor rechtskundige aangelegenheden', omdat hij rechtskundige bijstand aan NSB-ers verleende. Dat deed hij overigens ook aan andere Nederlanders, die in conflict met de bezettende macht waren geraakt. Bij Duitse autoriteiten stond hij inderdaad ongunstig bekend.

Na de oorlog werd hij in tweede instantie tot vier jaar internering veroordeeld. Wat men hem o.a. kwalijk nam, was zijn bemoeienis met de aankoop van huizen en aandelen uit joods bezit ten behoeve van Mussert en diens schoonzuster. In 1948 werd hij vrijgelaten, in 1956 weer tot de Utrechtse balie toegelaten.

P: Repliek aan minister van Karnebeek, en andere opstellen (Utrecht, 1926); Hollando-Belgische alliantie-politiek? (Utrecht, 1928); Het standpunt der N.S.B. inzake: den Nederlandschen Nationaal-socialistischen staatsvorm... ['s-Gravenhage, 1939].

L: L. Buning, 'Van Vessem en de Vlamingen in de jaren 1914-1916', in Wetenschappelijke Tijdingen 33 (1974) 1 (Jan. -febr.) 1-19; R.L. Schuursma, Het onaannemelijk tractaat. Het verdrag met België van 3 april 1925 in de Nederlandse publieke opinie [Groningen, 1975]. Proefschrift Utrecht.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: London; Collectie ANEFO; Van Vessem in 1940]

N.K.C.A. in 't Veld


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013