Visser, Philips Christiaan (1882-1955)

 
English | Nederlands

VISSER, Philips Christiaan (1882-1955)

Visser, Philips Christiaan, glacioloog en diplomaat (Schiedam 8-5-1882 - Wassenaar 3-5-1955). Zoon van Gerrit Bastiaansz. Visser, eigenaar-directeur van de familiezaak 'De Graauwe Hengst', een jeneverstokerij in Schiedam, en Maurina Gerarda van der Pant. Gehuwd 1. op 25-1-1912 met jkvr. Jeannette Hooft en na haar overlijden op 16-9-1939 met 2. jkvr. Cornélie Alexine de Graeff op 15-1-1941. Uit het laatste huwelijk werden 1 dochter en 2 zoons geboren. afbeelding van Visser, Philips Christiaan

Philip Visser is, na enige tijd de HBS in Schiedam te hebben gevolgd, opgeleid bij het instituut Esmeyer, een handelsschool in Rotterdam. Op zijn twintigste jaar met vakantie in Zwitserland, maakte hij kennis met het hooggebergte; de gevolgen van deze kennismaking hebben hem letterlijk en figuurlijk boven zijn omgeving uitgetild. Jaarlijks ging hij terug naar de Alpen - daar deed hij de praktische kennis op die nodig was voor zijn latere expedities.

In 1910, het jaar waarin zijn eerste boek Boven en beneden de sneeuwgrens het licht zag, ontmoette hij jonkvrouw Jeannette Hooft. Hij huwde haar twee jaar later. Zij was in Engeland opgevoed en was al even gefascineerd door het hooggebergte als hij. In 1914 besloot het echtpaar in de Kaukasus te gaan klimmen, maar door de oorlog gedwongen reisden zij via Petersburg terug. In Nederland hield Visser lezingen over zijn reis. Weldra ontwikkelde hij zich tot een begaafd spreker die zijn gehoor boeide. De over uitstekende contacten beschikkende reiziger werd nu in 1916 firmant bij de firma Daniel Visser en Zoonen 'De Graauwe Hengst' te Schiedam, een firma waarin hij zou blijven participeren tot 1927. In dat zelfde jaar 1916 vertrokken Visser en zijn vrouw opnieuw naar Rusland, ditmaal met de door mevrouw Heemskerk-von Zaremba, die in Rusland was geboren, uitgeruste ambulance. Gedurende dit maandenlange verblijf werd hem ook gelegenheid geboden het Russische front te bezoeken.

Na terugkeer in Nederland kwamen er moeilijkheden bij de firma D. Visser en Zoonen en wellicht zal het echtpaar opgelucht hebben ademgehaald toen zij naar Stockholm konden vertrekken. Hier maakten zij zich bijzonder verdienstelijk. Visser werd attaché honorair aan het gezantschap dat werd geleid door mr.dr. A.M.D. baron Sweerts de Landas Wyborgh, wat hem de nodige status bezorgde. Onder de vele vooraanstaande mensen die Visser in deze tijd ontmoette was ook Sven Hedin, die hem raadde zijn belangstelling voor het hooggebergte niet te versnipperen, maar te concentreren op één bepaald gebied. De kaart van de Karakorum vertoonde toen vele witte plekken. Daarom vertrok het echtpaar in april 1922, zo goed mogelijk voorbereid, daarheen. Toppen werden overwonnen, gletsjers in kaart gebracht; mevrouw Visser, even getraind als haar man, botaniseerde in dit gebied en Visser zelf fotografeerde tot op de hoogste toppen, ontwikkelde en drukte zijn foto's ter plaatse af. In januari van het volgend jaar keerde het echtpaar terug en werkte de resultaten uit. Boeken over de expeditie werden persklaar gemaakt en over geheel Europa, en weldra ook daarbuiten, waren de Vissers welkome sprekers, die volle zalen trokken. Dit bracht geld binnen, dat nodig was voor de voorbereiding van volgende expedities. Hoewel o.a. het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap bereid was subsidies te geven en de zeereizen soms door de stoomvaartmaatschappijen werden aangeboden, moest het grootste bedrag toch door hen zelf op tafel worden gelegd en dat betekende hard werk.

De tweede expeditie begon in november 1924 en duurde tot januari 1926. Wederom konden vele witte plekken in de Karakorum in kaart worden gebracht. De Nederlandse Alpenvereniging maakte hen beiden erelid. Ook de over deze tocht - de eerste met de sedertdien bekende hond Patiala die de maharadja van Patiala had geschonken - verschenen publikatie is tot op de dag van vandaag boeiende lectuur. Teruggekeerd werden de ontdekkingsreizigers erelid van het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap.

De derde expeditie duurde van februari 1929 tot januari 1931, dus welhaast twee jaar waarbij in Chinees Turkestan werd overwinterd. De vierde expeditie nam de zomer van 1935 in beslag.

Hun lezingen, boeken en kranteartikelen waren steeds weer voltreffers. Dat bracht de secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken, jhr.mr. A.M. Snouck Hurgronje, op het idee dat Philip Visser weleens de juiste consul-generaal voor Nederland in Brits-Indië zou kunnen zijn. De wereldreiziger, nu een vijftiger, aanvaardde de aangeboden post op 15 november 1931, en op deze wijze is hij zonder de gebruikelijke opleiding en zonder het afleggen van de diplomatieke examens in de buitenlandse dienst 'geparachuteerd'. In het koele seizoen werkte de consul-generaal in de grote havenstad Calcutta, maar in het warme seizoen bewoonde hij Simla, de zomerresidentie van de vice-koning van Brits-Indië. In 1932 bezocht het echtpaar Visser Nepal - een voor vreemdelingen toen volledig gesloten gebied. In dat zelfde jaar werd de wereldreiziger honorair lector aan de Universiteit van Calcutta. Op 10 juni 1933 werd hij om zijn glaciologisch onderzoek doctor honoris causa in de filosofie aan de Universiteit van Innsbruck. Aan het einde van dat zelfde jaar vertrokken de Vissers, belast met een opdracht van de Nederlandse regering in verband met de suikeraanplant, naar Nederlands-Indië.

Ook na de reeds genoemde vierde Karakorum-expeditie was het echtpaar een paar maanden in Nederland om in 1937 opnieuw naar Nederlands-Indië te vertrekken. Bij terugkomst werd hem de gezantschapspost in Turkije aangeboden (1938) en volgde begin 1940 de benoeming tot gezant in Denemarken. Die laatste post werd echter ten gevolge van de oorlog nooit door hem bezet: Visser bleef in Turkije, waar hij verdienstelijk ambassadewerk verrichte. Zo onderhield hij contacten met Fr. von Papen waarbij o.a. vredesmogelijkheden besproken werden (zie Fr. von Papen, Memoirs (London, [1952]) 455). Na de oorlog was Visser achtereenvolgens van 1945 tot 1948 gezant in de Unie van Zuid-Afrika en van 1948 tot 1950 ambassadeur in Moskou. Zijn indrukken over het Russische land en zijn volk beschreef hij na zijn pensionering in 1950: Mijn indrukken uit de Sowjet-Unie (Amsterdam, [1952]).

Vervolgens accepteerde hij het aanbod om als Nederlands vertegenwoordiger zitting te nemen in de Bijzondere Commissie van de Verenigde Naties voor de Balkan, welke functie hij vervulde tot 1952, terwijl hij ten slotte nog werkzaam is geweest als lid van de vaste staf van het Defensie Studiecentrum als vertegenwoordiger van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken: Wissenschaftliche Ergebnisse der niederländischen Expeditionen in dem Karakorum und die angrenzenden Gebiete in den Jahren 1922, 1925, 1929/ 30 [ und 1935 ] . (Leipzig [etc.], 1935-1938.2 Bde.); 'God en de mens' in Wending 4 (1949) 8 (oktober) 473-483, alsmede de publikaties in hieronder genoemd Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap en Jaarboek van de Maatschappij ...

L: J.H.G. Schepers, in Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 2e reeks 72 (1955) 191-199 en J.S. Schippers, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1955-1956. Levensberichten 128-129.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1541.

Mw. M.W. Jurriaanse


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013