Vollenhoven, Cornelis van (1874-1933)

 
English | Nederlands

VOLLENHOVEN, Cornelis van (1874-1933)

Vollenhoven, Cornelis van, Leids hoogleraar rechtswetenschap (Dordrecht 8-5-1874 - Leiden 29-4-1933). Zoon van mr. Willem Jan van Vollenhoven, president van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht, en Maria Elisabeth Rijshouwer. Hij was ongehuwd. afbeelding van Vollenhoven, Cornelis van

Van Vollenhoven, die zijn moeder op drie- en zijn vader op elfjarige leeftijd verloor, bezocht lagere school en gymnasium in zijn geboortestad. Sedert 1891 studeerde hij in Leiden in de rechten (doctoraal 1895), Semitische talen (kandidaats 1896) en staatswetenschap (doctoraal 1897). Op 3-5-1898 promoveerde hij cum laude op stellingen in de rechten en in de staatswetenschap op een proefschrift Omtrek en inhoud van het internationale recht. Van 1897 tot 1901 was hij werkzaam als particulier secretaris van kamerlid en Deli-planter J.Th. Cremer, na diens benoeming tot minister van Koloniën als adjunct-commies op dat ministerie. In 1901 werd hij benoemd tot hoogleraar te Leiden in 'het adatrecht van Nederlandsch-Indië' en 'het staats- en administratief recht van Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao'. Hij zou dit hoogleraarschap onafgebroken tot zijn dood blijven vervullen. Van Vollenhoven aanvaardde zijn ambt met een oratie over Exacte rechtswetenschap. Daarnaast gaf hij nog college betreffende de Nederlandsch-Indische wetboeken (1902-1907), Islam (1902-1906, 1927-1931) en begon hij een college vergelijkende rechtsgeschiedenis (1932-1933). In 1932 verleende de Universiteit van Amsterdam hem een eredoctoraat in de letteren.

Van Vollenhoven heeft zich in zijn leven steeds laten inspireren door persoon en werk van Hugo de Groot, en, evenals De Groot, door de Bijbel. In dat licht kan zijn onvermoeibaar ijveren voor de zaak van het internationale recht en van rechtsbedeling en staatkundige ontwikkeling in de Nederlandse koloniën, met name Nederlandsch-Indië, worden verstaan. In het internationale recht spande hij zich vooral in voor uitbanning van de aanvalsoorlog als instrument van nationaal beleid; in de Indonesische rechtsbedeling voor de kennis en de politieke erkenning van het levenskrachtige volksrecht (adatrecht) en de 'inlijsting' van dat adatrecht binnen het grotere rechtsgeheel van de kolonie; in staatkundige ontwikkeling voor 'ontvoogding', emancipatie, autonomie van een "op eigen belang en eigen gaven ingericht" Indonesië. Door zijn wetenschappelijke en polemische geschriften en via zijn oud-leerlingen oefende hij invloed uit op het regeringsbeleid.

Internationale rechtspraak die een statenstrafrecht zou toepassen en daarbij zou beschikken over een bovenstatelijke militaire macht, werd door hem in talrijke geschriften en dagbladartikelen bepleit. In 1932 verscheen in Den Haag zijn Du droit de paix. De iure pacis waarin zijn leer van het vredesvolkenrecht wordt neergelegd: 'Prier pour la paix sans organiser le globe, c'est faire comme le Christian scientist qui prie pour sa guérison sans aller chez le médecin.'

Gedurende de eerste helft van zijn hoogleraarschap heeft Van Vollenhoven vooral gewerkt als ontdekker van het adatrecht van Indonesië en als schepper van de adatrechtswetenschap. Gedurende zijn gehele loopbaan leverde hij constructieve strijd voor de politieke erkenning van het adatrecht, voor de eerbiediging van het volkseigene, tegen de miskenning van het adatrecht, tegen codificatie- en unificatieplannen, tegen 'wetboekjuristenrecht', 'ambtenaarsrecht' en 'phantaisierecht'. Met name richtte hij zich tegen de steeds opnieuw in particuliere en regeringskring opduikende plannen en voorstellen tot ongedaanmaking of ontkrachting van de - reeds lang bestaande (zij het minimalistisch geformuleerde) - erkenning van het adatrecht ten gunste van een eenheidsprivaatrecht, en tegen afzonderlijke, adatrecht miskennende, wetsontwerpen, vooral op agrarisch terrein. In 1928 werd de idee van rechtsunificatie echter definitief door de regering verlaten. In 1906 verscheen de eerste aflevering van zijn alom geroemde en magistrale werk Het adatrecht van Nederlandsch-Indië, waarin na een methodologisch voorstuk het adatrecht wordt beschreven voor elk van de 19 geografische rechtskringen waarin de auteur Indonesië had verdeeld, en met een voor de rechtsstof geëigende systematiek en terminologie. In 1918 is deze beschrijving voltooid en gebundeld als Deel I van het grote werk. Daarna verschijnen de afleveringen van het tweede deel (gebundeld in 1931), waarin aan de orde komen het adatrecht der zg. vreemde oosterlingen (zoals Chinezen, Arabieren, Indiërs), het godsdienstig deel van het adatrecht, de handhaving van het adatrecht, de 'inlijsting' ervan in het rechtsgeheel van Ned.-Indië, zijn verleden en zijn toekomst. Het ganse werk kwam tot stand vanachter zijn Leidse schrijftafel (hij heeft Indonesië slechts tweemaal kort bezocht, in 1907 en in 1932). Het adatrecht was voor Van Vollenhoven allerminst een museumartikel: "Wat noodig is, is: practische dienstbaarmaking, in oostersche lijn, van de oostersche gedachten en oostersche trekken van het adatrecht aan de moderne . .. behoeften van . . . hedendaagsch Indië .... Een oostersche behoeften bevredigend en tot oostersche harten sprekend adatrecht zal tegen den kortzichtigen overmoed van westersch recht alleen dan bestand zijn, indien zijn ontdekking, bijwerking, bevruchting wordt voortgezet in oosterschen geest, - en door wie beter dan door Indonesiërs?" (1928).

Het vrijheidsstreven in Indonesië wordt reeds in het begin der jaren twintig door Van Vollenhoven gesignaleerd in een serie artikelen in de NRC (3-6 april 1922): 'Doch de vrijheidsgloed, dien wij bewonderen en eeren in 1572, gloeit sinds een dozijn jaren ook in ons Oosten.' Hij bepleit ontvoogding, autonomie. Talrijke artikelen wijdt hij aan de staatshervorming van de kolonie. In 1922 verschijnt zijn Proeve van eene staatsregeling voor Nederlandsch-Indië, die aan de reële, gedifferentieerde rechtsbehoeften aldaar wil beantwoorden. Een serie van 18 staatsrechtelijke artikelen m.b.t. de Nederlandse koloniën uit de jaren 1928-30 werd in 1934 gebundeld in Staatsrecht overzee (Leiden, 1934). Van Vollenhovens ijveren voor autonomie en het 'ethische' karakter van zijn onderwijs voor a.s. Nederlandse en Indonesische bestuursambtenaren en rechters gaven aan andersdenkenden in den lande aanleiding tot oprichting, te Utrecht in 1925, van een tegen 'Leiden' gerichte indologische faculteit. Dit ging gepaard met ernstige aantijgingen over en weer en leidde tot een langdurige conflictsituatie tussen de beide universiteiten. Van Vollenhoven heeft deze aanvallen op zijn integriteit, zijn vaderlandsliefde, op de door hem lyrisch beminde universiteit, niet fundamenteel gepareerd; tot zijn levenseind heeft hij het verdriet over deze beschuldigingen met zich mee gedragen.

In Leiden is Van Vollenhoven van meet af aan middelpunt, instigator en begeleider geweest van belangrijke en omvangrijke activiteit op het terrein van de 'étude pratique" van het adatrecht. Hij wist zijn leerlingen in en buiten de colleges te stimuleren en hield persoonlijk contact met hen gedurende hun werk in Indonesië. Zo vormde zich een Nederlandse 'adatrechtsschool'. Na de oprichting van de Rechtshogeschool in Batavia, in 1924, ontstond ook aldaar onder leiding van zijn oud-leerlingen een zeer vruchtbaar en krachtig studiecentrum van adatrecht en rechtsbeleid. In samenwerking met buitenlandse collega's ondernam Van Vollenhoven stappen tot de internationalisatie van de studie van niet-westers volksrecht en trachtte hij ook een internationale studie van koloniale volksrechtspolitiek te organiseren.

Van Vollenhoven heeft altijd doelgericht gewerkt. Hij stelde zijn hoogbegaafde wetenschappelijk vermogen in dienst van een humanistisch en religieus ideaal, dat ook zijn engagement tekent: Hugo de Groots 'societas humana'. De 'ethische richting' - waarvan Van Vollenhoven in Leiden overigens niet de enige exponent was - is te onderscheiden van de 'ethische politiek' die de regering sedert het begin van deze eeuw had aangenomen: die politiek volgde een wat paternalistisch getinte zedelijke roeping tot opheffing ('the white man's burden') van de inlander. Van Vollenhoven daarentegen streefde naar verstaan en eerbiediging van de Indonesische volkseigen levenswaarden en naar het scheppen van de politieke ruimte waarbinnen die andere levensstijl(en) zich uit eigen kracht kan (kunnen) ontwikkelen. Daarin was hij zijn tijd vooruit, en vermoedelijk ook de onze. Door zijn intimi werd hij beoordeeld als een dierbare, subtiele vriend en een kostelijk correspondent, door zijn studenten als een onvergetelijke leermeester (hij had 78 promovendi, onder wie 6 Indonesiërs), en door hen die louter van zijn werk kunnen kennis nemen als een auteur van ongeëvenaarde bekwaamheid, visie en invoelingsvermogen. Overigens heeft een enkele in de Indonesische dienst vergrijsde oud-leerling zich wel eens - bij alle instemming met Van Vollenhovens denkbeelden - afgevraagd of de Indonesische samenleving, door het gevolgde beleid van adatrechtsbescherming, na het onvoorzien abrupte einde van het Nederlandse bewind wellicht onvoldoende voorbereid was op de toen intredende woelige ontwikkelingen. In Indonesië wordt Van Vollenhoven door de oudere intellectuele generatie nog gekend en in ere gehouden - ook al treft men er ook nu nog wel die alles, in Van Vollenhovens woorden, 'net als voor Europeanen' wensen en die in het adatrecht een hindernis zien voor vooruitgang. Paul Scholten noemde Van Vollenhoven in 1933 'de universeelste jurist in Nederland', en zijn Parijse vriend en collega René Maunier schreef van hem in datzelfde jaar: 'C'était un sage, et presqu'un saint'.

A: Collectie-Van Vollenhoven, collectie-Joekes en collectie-Logemann (waarin een biografie over 'Van Vollenhoven en het staatsrecht') in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage, alsmede archief-Van Vollenhoven (waarin collegedictaten) dat momenteel berust in Oosters Instituut te Leiden. Verder persoonlijke correspondentie met K.P. van der Mandele in familiearchief van Van der Mandele onder beheer van de erven Van der Mandele. Inventaris van drs. H. ten Boom, Gemeentelijke Archiefdienst te Rotterdam.

P: Bibliografie in C. van Vollenhoven, Verspreide Geschriften (Haarlem, [enz.], 1934-1935. 3 dln.) III, 905-925.

L: F.D.E. van Ossenbruggen, 'Prof.mr. Cornelis van Vollenhoven als ontdekker van het adatrecht', in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië 90 (1933) I-XLI; jhr. W.J.M. van Eysinga, in Grotius. Annuaire international pour l"année 1934, 1-10, alsmede andere necrologieën ibidem. 340-343; F.M. baron Van Asbeck, in Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië. 2e druk ('s-Gravenhage, 1935) VII. 1380-1390; Henriette L.T. de Beaufort, Cornelis van Vollenhoven 1874-1933 (Haarlem, 1954); L. Erades en G. van den Steenhoven, in Nederlands Juristenblad 49 (1974) 565-577; Herdenking van de 100ste geboortedag van Cornelis van Vollenhoven, 1874-1974. Toespraken... te Leiden op 8 mei 1974 alsmede een artikel van de hand van F. Jansonius [Leiden, 1975]; H.W.J. Sonius, Over mr. Cornelis van Vollenhoven en het adatrecht van Indonesië (Nijmegen, 1976).

I: C. Fasseur, De indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950 (Amsterdam 1993) 374.

G. van den Steenhoven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013