Vorm, Willem van der (1873-1957)

 
English | Nederlands

VORM, Willem van der (1873-1957)

Vorm, Willem van der, koopman en reder (IJsselmonde 6-11-1873 - Rotterdam 29-4-1957). Zoon van Willem van der Vorm, vlasboer, en Maaike Lagendijk. Hij bleef ongehuwd. afbeelding van Vorm, Willem van der

Willem van der Vorm, opgroeiend in een agrarisch milieu, zag reeds vroeg, dat de vlasteelt op de Zuidhollandse eilanden, waarin zijn vader een bestaan had gevonden, weinig uitzicht meer bood. Het zakenleven in het nabijgelegen krachtig opstrevende Rotterdam trok hem onweerstaanbaar aan. Na zijn schooljaren in zijn geboortedorp, het lager onderwijs en op een 'Franse school' te IJsselmonde, was hij in Rotterdam eerst werkzaam als inspecteur van de American Petroleum Company (APC). In deze functie werd het hem duidelijk dat de politiek van de Duitse kolensyndicaten, om de prijs in het binnenland hoog te houden teneinde buitenlands te kunnen dumpen, een kans bood voor afzet van Britse kolen op het vasteland van Europa. Door deze gedachte bezield, trad hij op 1 mei 1900 in dienst van de Scheepvaart- en Steen-kolenmaatschappij te Rotterdam. Aanvankelijk bleef deze nog een dochteronderneming van het APC-concern, doch in 1905 nam Van der Vorm de leiding over en bleef haar tot 1944 als directeur en daarna als gedelegeerd-commissaris dienen. Hij ontwikkelde zich daarbij tot een zakenman van grote stijl, die rechtlijnig en bepaald niet zachtzinnig, doch onbevangen en zonder aanzien des persoons iemand waardeerde naar capaciteiten en karakter. Dank zij zijn hulp kon Britse steenkool doordringen tot in het hartje van Duitsland, mede steunend op een geleidelijk geschapen net van filialen. Voor het vervoer in de omgekeerde richting bouwde hij stukgoedlijndiensten op in de korte vaart, welke onder meer de gelegenheid boden tot verscheping van agrarische en industriële Produkten van Friesland en Groningen. Tevens werden belangen bij de Britse mijnbouw verkregen. Toen de Nederlandse regering hem teleurstelde met betrekking tot de exploitatie van Limburgse steenkool, wist hij door aankoop van een spoorwegbedrijfje uit die streek, dat eigenaar was van een pakket aandelen, zich te verzekeren van het recht op de exploitatie van de Domaniale Mijn, waar reeds sedert een achthonderd jaar steenkool werd gedolven. Anderzijds werkte hij in het algemeen belang met inzet van zijn organisatie en vloot mede om een halt toe te roepen aan de stijging van de kolenprijzen en -vrachten na de Eerste Wereldoorlog. Ook daarvóór in de periode 1914-1918 was zijn onbaatzuchtigheid gebleken bij het verlenen van grote diensten aan zijn land als de feitelijke leider van de kolendistributie. In zijn zakelijke politiek was hij eer aan de voorzichtige kant, en dit deed zijn overweldigend groot succes in het bedrijfsleven des te merkwaardiger uitkomen. Het feit dat in 1928 zijn onderneming indirect ondergebracht werd bij de grote concurrente, de Steenkolen Handels Vereeniging te Utrecht, zonder dat tientallen jarenlang de verdere wereld daarvan enig vermoeden had, was zijn grootste meesterstuk, te meer daar hij in zijn zakelijk beleid volkomen onafhankelijk bleef optreden.

Van der Vorm behoorde niet tot de zakenlieden, die hun aandacht versnipperden over een zeer groot aantal ondernemingen. Zijn commissariaten hingen vooral samen met de belangen van zijn hoofdbedrijf. Maar men trof hem aan op verschillende punten, waar de algemene welvaart bedreigd werd. Zo worstelde hij mede met de Rotterdamsche Bankvereeniging in moeilijke crisisjaren. Maar zijn grootste prestatie was toch wel de redding van de door diezelfde ongunstige omstandigheden aan de rand van de afgrond gebrachte Holland-Amerika Lijn. Onder zijn leiding vormden enige grote Rotterdamse zakenlieden in 1933 een syndicaat, dat enige miljoenen geld in de bijna gestrande rederij pompte. En enkele jaren later tastten zij opnieuw in de buidel om de bouw van het nieuwe vlaggeschip Nieuw Amsterdam mogelijk te maken. Het verhaal wil, dat toen Van der Vorm bij de proefvaart een tafelrede hield met een hand in de zak en enkele Haagse heertjes zich daarover vrolijk maakten, hun van Rotterdamse zijde werd toegevoegd: als de heer Van der Vorm de hand niet in zijn zak had gestoken, zoudt U nu niet op dit schip kunnen varen. Het lag ook geheel in zijn lijn, dat hij in het kader van deze reddingsactie afstand deed van zijn commissariaat bij de Rotterdamsche Droogdokmaatschappij, wegens zijn afkerigheid van tegenstrijdige belangen.

Van der Vorm had grote belangstelling voor de ruitersport, die door hem tot op hoge leeftijd beoefend werd. Zo organiseerde hij de Rotterdamse jachtritten en bevorderde de uitzending van Nederlandse ruiters naar het buitenland. Als bestuurlid van de Stichting tot instandhouding van de Rotterdamsche manege redde hij deze in het oude centrum niet meer passende instelling door haar overplaatsing naar het landelijke Kralingen te verwezenlijken.

Daarnaast heeft Van der Vorm zich een kunstverzamelaar van formaat betoond, waarbij zijn interesse vooral uitging naar de Haagse School en die van Barbizon en later naar de 17de-eeuwse schilderkunst. Mede geadviseerd door de toenmalige directeur D. Hannema van het Museum Boymans werd een fraaie verzameling van verschillende schilderscholen bijeengebracht. Een fel zakelijk verschil van inzicht over de uitbreiding van het Museum was de aanleiding om zijn waardevolle bezit niet, zoals voordien zijn voornemen was geweest, aan de gemeente Rotterdam te vermaken, doch een eigen museum te stichten in zijn fraaie patriciërswoning aan de Westersingel. Later hebben zijn nabestaanden de oplossing gevonden, deze kunstschatten in bruikleen te geven aan het Museum Boymans-Van Beuningen en onder te brengen in daartoe afzonderlijk bestemde zalen. Ook in het instituut voor Scheepvaart en Luchtvaart speelde Van der Vorm een beslissende rol. Mede dank zij zijn doeltreffende steun kon dat in 1940 verwoeste gebouw worden vervangen door een mooie en doelmatiger nieuwe vestiging aan het Burgemeester s'Jacobplein te Rotterdam. Een ander door zijn persoonlijke inzet gesticht bouwwerk was de Schotse Kerk, die eveneens een door de oorlog verwoest monument waardig verving. Verder bleek zijn milddadigheid uit het feit dat hij een terrein schonk, waarop het bejaardenhuis 'Sonneburgh' kon verrijzen en zijn bemoeienissen met het Havenziekenhuis. Ter herinnering aan zijn moeder liet hij aan de Sint Jan te Gouda een kapel met fraaie kloosterglazen bijbouwen. De zegswijze ruwe bolster blanke pit is tot op grote hoogte op Van der Vorm van toepassing, mits het laatste van deze samenstellende elementen maar duidelijk de nadruk krijgt.

L: A. Loeff, in Rotterdams Jaarboekje 1958 6e reeks 6 (1958) 109-112; A.D. Wentholt, Brug over den Oceaan. Een eeuw geschiedenis van de Holland-Amerika Lijn. Met medew. van C. Borstlap (Rotterdam [enz.], 1973) passim.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1561.

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013