Vries, Carl Wilhelm de (1882-1967)

 
English | Nederlands

VRIES, Carl Wilhelm de (1882-1967)

Vries, Carl Wilhelm de, hoogleraar staats-, administratief en arbeidsrecht (Amsterdam 26-8-1882 - 's-Gravenhage 19-8-1967). Zoon van Gerard de Vries, kantoorbediende, en Johanna Wilhelmina Vollgraff. Gehuwd op 29-8-1907 met Henriette Elisabeth Dorothea Vollgraff en na haar dood op 24-2-1909 met Anna van den Toorn op 18-3-1913. Uit het tweede huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

De Vries stamde uit een doopsgezind geslacht dat tal van predikanten en geleerden van naam heeft voortgebracht. Na zijn ouders op zeer jeugdige leeftijd te hebben verloren, kwam hij aanvankelijk te Leeuwarden in huis bij een zuster van zijn vader die getrouwd was met een vrij-evangelische predikant met een grote sociale bewogenheid voor het lagere volk, en later in het gezin van de rechter C.W. Vollgraff, een oom van moederszijde. Na de HBS in Alkmaar en het gymnasium in Amsterdam en 's-Gravenhage doorlopen te hebben, ging hij in 1902 in Leiden rechtswetenschap studeren, een studie die in 1907 afgesloten werd met een promotie op stellingen, waarna hij repetitor werd in het staats- en strafrecht. Ondertussen vervulde hij van 1904 tot 1911 zijn dienstplicht. Later was hij van 1912 tot 1920 reserveofficier bij de Landweer. Inmiddels begon hij zijn ambtelijke carrière in 1913 als commies van staat bij de Raad van State: in 1920 werd hij daar tot referendaris bevorderd.

In de tijd dat De Vries ambtelijk werkzaam was bleek dat de armoede die hij in zijn jonge jaren in Friesland had leren kennen, een diepe en blijvende indruk op hem had gemaakt. In 1916 schreef hij een - veelgebruikt - Handboek voor armbezoekers en in 1918 volgde het secretariaat van de Algemene Armencommissie, een functie die hij zou blijven vervullen tot het inwerkingtreden van de Algemene Bijstandswet in 1965. Ook in wetenschappelijk opzicht was De Vries actief. In 1919 nam hij het initiatief tot het samenstellen van een aan J. Oppenheim aangeboden verzamelbundel Nederlands Administratief recht (Leiden, 1919), in 1921 werd hij privaatdocent in de Nederlandse sociale wetgeving en haar geschiedenis aan de Universiteit te Leiden. Al deze maatschappelijke en wetenschappelijke werkzaamheid bleef niet onopgemerkt: in 1925 werd De Vries hoogleraar in het staats-, administratief- en arbeidsrecht aan de Nederlandsche Handelshoogeschool te Rotterdam. Tijdens zijn hoogleraarschap, dat tot 1952 alleen met onderbrekingen tijdens de bezettingstijd zou duren, is De Vries een maatschappelijk en wetenschappelijk even actief man gebleven.

Zo was hij in 1926 een stuwende kracht in de Staatscommissie tot herziening van de financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten als lid-secretaris. Dit leidde tot een voorzitterschap van de Commissie van advies voor gemeentefinanciën gedurende een kwart eeuw. Hij was één van de initiatiefnemers tot het oprichten van een leerstoel in de bestuurswetenschap te Rotterdam, de eerste hier te lande, in 1927. Hij werkte in 1939 mee aan de oprichting van de Vereniging voor administratief recht, waarvan hij tien jaar het voorzitterschap bekleedde. In het politieke leven stond hij bekend als een overtuigd en vurig liberaal. Ofschoon onconventioneel en vaak onberekenbaar in zijn optreden - vele anecdotes die er over hem in omloop zijn getuigen hiervan - bezat hij een grote charme en vasthoudendheid en dat waren eigenschappen die hem geschikt maakten op te treden als secretaris of voorzitter. Zo vinden wij hem ook als rijksarbiter voor landbouw-crisisgeschillen, als voorzitter van de bedrijfsraad voor het chemigrafisch bedrijf en als voorzitter van het centraal medisch tuchtcollege.

Binnen vakkringen viel De Vries spoedig op als enthousiast en toegewijd parlementair historicus. In 1921 en 1928 publiceerde hij omvangrijke artikelen over de geschiedenis van de sociale wetgeving in de tweede helft van de 19de eeuw; zij zouden hem later goed van pas komen voor zijn bewerking van en aanvulling op de Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland van Van Weideren Rengers, die in 1948 uitkwam. Ook zijn volgende publikaties berustten doorgaans op uitgebreid bronnenonderzoek, waarbij echter wel eens te veel het accent kwam te liggen op wat geput werd uit particuliere archieven. De Vries' bedoeling iemand als Thorbecke van een niet in alle opzichten verdiend voetstuk te halen en zijn verlangen recht te doen aan diens tegenspelers die in publieke waardering tekort zijn gekomen, hebben hem zelf soms in eenzijdigheid doen vervallen. De ongekende Thorbecke (Amsterdam, 1950) en vooral Overgrootvader Koning Willem III (Amsterdam, 1951) riepen veel tegenkritiek op. Zijn opvattingen over de regels van het parlementaire stelsel vonden in het bijzonder hun neerslag in twee belangrijke redevoeringen: de rectorale oratie Het grondwettig koningschap onder Koning Willem III 1849-1870 ('s-Gravenhage, 1946) en het afscheidscollege over Cort van der Linden, de visie van een groot staatsman ('s-Gravenhage, 1952).

Na zijn aftreden als hoogleraar in 1952 aanvaardde hij op 73-jarige leeftijd nog een tijdelijke leeropdracht in het arbeidsrecht en het mijnrecht te Delft. De toespraak Bestaanszekerheid ('s-Gravenhage, 1955) waarmede De Vries de leeropdracht aanvaardde, trok de aandacht door de ruime definitie die hij aan het begrip arbeidsrecht gaf.

P: Behalve de genoemde: 'Het arrest van den Hoogen Raad van 31 December 1915... aangaande de bevoegdheid van de rechterlijke macht krachtens art. 2 der Wet op de Rechterlijke Organisatie', in Themis 78 (1917) 337-361; 'Gegevens omtrent den kinderarbeid in Nederland volgens de enquêtes van 1841 en 1860 medegedeeld door R.A. Gorter en C.W. de Vries', in Economisch-Historisch Jaarboek 8 (1922) 1-253; 'Van de kinderwet-Van Houten tot de arbeidswet-1889', in Sociaal Jaarboek voor Nederland 3 (1921-1922) 2-27; 'Bijdrage tot de staatkundige geschiedenis der arbeidswetgeving in Nederland (Tien jaar sociale hervormingsarbeid onder leiding van een liberale regeering; 1891-1901)', in Themis 1924-1926 en 1928; W.J. van Weideren Rengers, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland (4e bijgew. uitg. 's-Gravenhage, 1948-. dl. I 1849-1891. Met aant. van C.W. de Vries; dl. II 1891-1901 door C.W. de Vries; dl. III 1901-1914 door W.H. Vermeulen; dl. IV 1914-1918 door C.W. de Vries. Oost-Indië 1891-1918; West-Indië 1849-1918 door W.H. Vermeulen; dl. V 1940-1946 door L.G. Kortenhorst).

L: C. van den Bergh, in De Nederlandse Gemeente 21 (1967) 421-424; W.H. Vermeulen, in Rotterdams Jaarboekje 7e reeks 6 (1968) 233-237.

W.H. Vermeulen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013