Vries, Hugo de (1848-1935)

 
English | Nederlands

VRIES, Hugo de (1848-1935)

Vries, Hugo de, hoogleraar plantenfysiologie (Haarlem 16-2-1848 - Lunteren 21-5-1935). Zoon van Gerrit de Vries Azn., minister van Justitie (NNBW, IX, 1255), en Maria Everardina Reuvens. Gehuwd met Elisabeth Louise Egeling op 10-4-1879. Uit dit huwelijk waren 3 zoons en 1 dochter. afbeelding van Vries, Hugo de

De Vries bezocht de lagere school te Haarlem, begon al vroeg planten te bestuderen en te verzamelen, zowel in de directe omgeving van Haarlem als op jaarlijkse vakantiereisjes. In 1860 ging hij naar het gymnasium te Haarlem. In hetzelfde jaar ontving hij voor de inzending van een herbarium van 100 planten op een prijsvraag van de Maatschappij van Landbouw een eervolle vermelding. Voor de samenstelling van zijn collectie had prof. C.A.J.A. Oudemans (1825-1906) te Amsterdam hem advies gegeven. Ook de ontmoeting met de botanicus F.W. van Eeden sr. (1829-1901) is voor hem van betekenis geweest. Toen in 1862 de vader benoemd was tot lid van de Raad van State verhuisde de familie naar Den Haag. Hugo de Vries bezocht hier het stedelijk gymnasium. In 1863 begon hij microscopische waarnemingen te doen. Hoewel het onderwijs in Latijn en Grieks weinig indruk op hem maakte, doorliep hij het gymnasium met zeer goed gevolg, en behaalde in verschillende jaren een prijs.

Na het eindexamen in 1866 werd De Vries ingeschreven als student aan de Rijksuniversiteit te Leiden in philosophia naturalis met de bedoeling plantkunde als hoofdvak te nemen. Dit werd door zijn ouders niet gewaardeerd wegens de geringe maatschappelijke vooruitzichten. In 1869 deed hij zijn kandidaatsexamen. Ook ontving hij in hetzelfde jaar een gouden medaille voor zijn antwoord op een prijsvraag van de Rijksuniversiteit te Groningen betreffende de invloed van de temperatuur op plantenwortels. Het antwoord werd gepubliceerd als 'Matériaux pour la connaissance de l'influence de la température sur les plantes' (Archives Néerlandaises Sciences Exactes Naturelles 5 (1870) 385-402). De hiervoor benodigde experimenten deed De Vries thuis op zolder; zijn vader, die het serieuze werk zag, verzoende zich min of meer met de keuze van zijn zoon.

Tijdens zijn studietijd begon het Darwinisme bekend te worden. De hoogleraren in Leiden, W.F.R. Suringar (1832-1898) en J. van der Hoeven, (1801-1868), stonden er afwijzend tegenover, maar de studenten waren er enthousiast over. Een groep sprak af, dat de eerstvolgende, die zou promoveren een stelling over het Darwinisme op zou nemen. Dit werd Hugo de Vries. Hij promoveerde 6 oktober 1870 op het proefschrift De invloed der temperatuur op de levensverschijnselen der planten, een uitwerking van het antwoord op bovengenoemde prijsvraag. De Vries poneerde dat de Darwinse hypothese van de pangenesis de veranderlijkheid van de soorten niet kan verklaren, en ook, dat de Diatomeeën van de Desmidiaceeën afstammen. Deze laatste stelling werd door de promotor Suringar zeer fel bestreden: in kernachtig Latijn ontkende hij zowel de bijzaak, als de hoofdzaak en ook de conclusie (J. Valckenier Suringar, De plantensystematiek..., 12-13).

Hugo de Vries werd in begin 1870 tijdelijk waarnemend leraar te Assen. Na zijn promotie ging hij voor het wintersemester naar het laboratorium van Wilhelm Hofmeister (1824-1877) te Heidelberg. Hij volgde er ook de colleges van de chemicus R.W. Bunsen (1811-1899) en de fysicus H.L.F. von Helmholtz (1821-1894). Het onderzoek van De Vries richtte zich toen zowel op de invloed van hogere temperaturen op de plantecel als op de semipermeabiliteit van het protoplasma, die hij ontdekte: water kan wel, maar een groot aantal in water oplosbare stoffen kunnen niet in de vacuole doordringen zolang de cel levend is. In het zomersemester 1871 ging hij naar het laboratorium van Julius Sachs (1832-1897) te Würzburg, de voorvechter van de experimentele plantenfysiologie, waar hij een gedegen opleiding ontving in experimenteel onderzoek. Van september 1871 tot 1875 was De Vries vervolgens leraar aan de HBS te Amsterdam, maar hij was zo gesteld op het werk in Würzburg dat hij telkenmale van de eerste tot de laatste vakantiedag daar in het laboratorium onderzoek bleef verrichten.

In 1875 kreeg Hugo de Vries een Duitse opdracht om monografieën te schrijven over een aantal landbouwplanten, waarvoor hij in april naar Würzburg verhuisde. Resultaten hiervan waren studies over rode klaver (1877), aardappel (1878) en suikerbiet (1879). Om toegelaten te worden als privaatdocent bij de Universiteit te Halle schreef hij een Habilitationsschrift: Untersuchungen über die mechanischen Ursachen der Zellstreckung (1877), waarin hij een aantal resultaten van zijn werk in Heidelberg en Würzburg samenvatte. Dit betrof vooral het osmose-onderzoek, dat voortbouwde op zijn ontdekking van de semipermeabiliteit van het protoplasma in de cel. Hij vond, dat de cel meer water afgeeft naarmate de concentratie van de opgeloste stof in het omringende water hoger is. Daardoor neemt de druk op de celwand, de turgor, af, totdat het protoplasma zich losmaakt van de wand. Dit verschijnsel noemde De Vries 'plasmolyse'. De concentratie van de opgeloste stof waarbij plasmolyse juist optreedt noemde hij de isotonische concentratie. Deze gebruikte hij voor een kwantitatieve vergelijking van de effecten van verschillende stoffen.

In 1877 werd Hugo de Vries toegelaten als privaatdocent aan de Universiteit te Halle. Nog in hetzelfde jaar werd hij benoemd tot lector aan de Universiteit van Amsterdam. Nadat hij een aanbod had gekregen om hoogleraar te worden aan de Landwirtschaftliche Hochschule te Berlijn volgde zijn benoeming tot hoogleraar te Amsterdam Zijn oratie over De ademhaling der planten hield hij op 15 oktober 1878. In dit jaar werd hij ook lid van de Nederlandsche Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Er brak nu een tijd aan van intensief onderzoek en onderwijs. Het eerste drietal studenten dat bij hem studeerde, J.H. Wakker (1859-1927), H.P. Wijsman (1862-1916) en F.A.F.C. Went (1863-1935), vormde een groep, waarmee hij zeer intensief heeft gewerkt. Niet alleen werd de recente literatuur regelmatig kritisch doorgenomen, maar ook het eigen onderzoek werd goed doordacht en zorgvuldig bekeken. Een stimulans voor het onderzoek was, dat de geniale chemicus J.H. van 't Hoff (1852-1911) ongeveer tegelijkertijd hoogleraar te Amsterdam was geworden. De Vries zette zijn onderzoek over de plasmolyse voort en kwam tot de conclusie dat de isotonische concentratie verband heeft met het moleculairgewicht van die stof. Een bekend voorbeeld betreft het moleculairgewicht van raffinose.

Toen tijdens een vergadering bleek dat dit nog niet bekend was, ging De Vries weg, om voor het einde van de vergadering terug te komen met de uitkomst verkregen uit een plasmolyse-proef (gepubliceerd in 1888). Van 't Hoff heeft de gegevens van Hugo de Vries kunnen gebruiken voor zijn beschouwingen over verdunde vloeistoffen en Svante Arrhenius voor zijn theorie van de elektrische dissociatie: afwijkende getallen voor sterke elektrolyten wat betreft de isotonische concentraties.

Een ander gebied, waar Hugo de Vries baanbrekend werk verricht heeft, is de erfelijkheidsleer. Zoals uit de stellingen bij zijn dissertatie bleek, was hij al vroeg geboeid door het vraagstuk van het ontstaan van soorten. In 1880 gaf hij een college over variabiliteit, dat om de 2 jaar herhaald werd met regelmatige toevoeging van nieuwe gegevens, ook uit eigen proeven (Th.J. Stomps in Tübinger Naturwissenschaftliche Abhandlungen 12 (1929) 11). Een van de eerste resultaten hiervan was het aantonen van een erfelijke component in een aantal monstruositeiten (klemdraai, bandvorming of fasciatie, steriliteit). Een beschouwing over zaadkeuze bij cultuurplanten verscheen in 1882. De belangstelling voor Ch.R. Darwin en zijn theorie bleek uit een biografie in De Natuur door Hugo de Vries in 1882 en een bespreking van diens meesterwerken in 1889. In 1889 verscheen de fundamentele beschouwing van De Vries zelf: Intracellulaire Pangenesis. Hierin gaf hij een helder overzicht van de opvattingen over erfelijkheid en van zijn eigen standpunt. Hij wees de erfelijkheid van verworven eigenschappen scherp af en daarmee ook het transport van deeltjes uit de lichaamscellen naar de kiemcellen, zoals Darwin gepostuleerd had. In de plaats daarvan stelde De Vries het idee, dat de erfelijkheid atomistisch opgebouwd is uit afzonderlijke eenheden, die gebonden zijn aan stoffelijke dragers. Deze zouden groter dan moleculen zijn, maar toch submicroscopisch. Deze stoffelijke dragers van de erfelijke eigenschappen noemde hij 'pangenen', ter ere van Darwin, die de pangenesis-hypothese had opgesteld. Als ervaringsfeit stelde De Vries, dat kruisingen in de eerste generatie voor elk soortenpaar gewoonlijk duidelijke kenmerken heeft, zodanig, dat de beschrijvingen ervan door verschillende onderzoekers in de regel op elkaar passen, maar dat in de volgende generatie zonder terugkruising bij een voldoend aantal (duizenden) exemplaren, enkele op de vader, enkele op de moeder lijken, terwijl de overige de vaderlijke en de moederlijke kenmerken in een bonte afwisseling en in bijna elke graad van vermenging te zien geven (ibidem, 25). Verder postuleerde De Vries dat de pangenen (later door W.L. Johannsen korter 'genen' genoemd) in elk geval in de celkern aanwezig zijn en dat ze uit de kern kunnen treden om hun specifieke werking te kunnen uitoefenen, maar alléén in de cel zelf. Ook schreef hij dat de tweedeling van de chromosomen in volledige overeenstemming was met zijn pangenesis-idee (ibidem, 196) maar veel verder dan deze korte aanduiding ging hij niet. Deze beschouwingen geven aan, dat Hugo de Vries toen al een merkwaardig duidelijk inzicht had in het mechanisme van de erfelijkheid. Dat niet al zijn uitspraken juist bleken te zijn, is niet verwonderlijk. Het is gebleken, dat zijn stelling: 'Het gehele levende protoplasma bestaat uit Fangenen; alleen deze vormen daarin de levende elementen!' (ibidem, 190), onjuist is, hoewel er gelijkenis is met de moderne uitspraak: 'alle zichzelf vermenigvuldigende elementen in de cel bestaan uit DNA.' Wel is de kiem van het latere begrip mutatie te vinden: 'er kunnen nieuwe soorten pangenen uit de reeds voorhanden zijnde ontstaan' (ibidem, 73). Hoezeer het boek een nieuwe en ongewone visie betekende bleek uit de opmerking van 'een zeer bekend botanicus' uit die dagen, door F.A.F.C. Went vermeld: 'dat hij niet begreep, hoe De Vries, die toch tot dien tijd toe zulke belangrijke onderzoekingen op botanisch gebied had verricht, nu met zulke fantastische beschouwingen kon aankomen' (Went, in NRC, 15-2-1923).

Gedurende de hierop volgende jaren kweekte Hugo de Vries een aantal plantensoorten, kruiste afzonderlijke individuen met bepaalde kenmerken en onderzocht de samenstelling van hun nakomelingschap in de verschillende generaties. Hierbij vond hij, dat in de tweede generatie bij zelfbestuiving de verhouding 1 : 3 optrad. Op een collegeplaat van 1896 zou dit al vastgelegd zijn (De Veer, Leven en werk..., nt. op p. 205). Ook al zou deze plaat van 1897 zijn (uit de beschrijving van De Vries is het niet duidelijk, of de resultaten van de kruising Papaver somniferum (Mephisto) x (Danebrog), tweede generatie, al in 1896 of pas in 1897 bekend waren) dan is het toch duidelijk, dat Hugo de Vries de zg. Mendel-splitsing geheel zelfstandig gevonden heeft: 'uit deze getallen [van de Papaver-kruising] heb ik de formule voor het eerst afgeleid.' (De Veer, ibidem, 205). De bewering dat van de herontdekkers alleen C. Correns de Mendel-splitsing zelf ontdekt zou hebben is dus onjuist. Dat Hugo de Vries het werk van G.J. Mendel toen nog niet gelezen had, kan op zijn gezag aangenomen worden, zolang het tegendeel niet bewezen is; de mededeling van Stomps, dat dat pas gebeurde nadat M.W. Beijerinck (1851-1931) het werkje in 1900 aan De Vries had toegestuurd, steunt dit. Wel is het zeer waarschijnlijk, dat De Vries indirect wist van Mendels werk door het gebruik van de termen 'dominant" en 'recessief".

Hoe dit zij, Hugo de Vries was de eerste die de 'herontdekking van Mendel in 1900 publiceerde, eerst in een Franse samenvatting: 'Sur la loi de disjonction des hybrides' (Comptes Rendus de l"Académie des Sciences 130 (1900) 845-847 en in het Duits met een verwijzing naar G.J. Mendel: 'Das Spaltungsgesetz der Bastarde' (Berichte der Deutschen Botanischen Gesellschaft 18 (1900) 83-90. In hetzelfde jaar publiceerden Correns (1864-1933) en E. von Tschermak-Seysseneg (1871-1962) hun eigen voorbeelden en in Engeland werd W. Bateson (1861-1926) de voorvechter van deze nieuwe, toen revolutionaire interpretatie van het erfelijkheidsmechanisme. Het was het beginpunt van de experimentele erfelijkheidsleer of genetica (term van Bateson). Het was een breuk met het idee van geleidelijke veranderingen onder invloed van het milieu, die zich zouden sommeren, zoals Darwin verondersteld had. Hugo de Vries heeft zijn werk echter nooit als een breuk met dat van Darwin willen zien, maar als een verbetering.

Om de veranderlijkheid van de soorten te verklaren, terwijl de pangenen constant waren, voerde De Vries een nieuw begrip in: 'mutatie'. Hij deed dit aan de hand van zijn onderzoekingen met de soort die bekend stond als Oenothera lamarckiana , de Grote Teunisbloem. In zijn cultures traden plotseling nieuwe vormen op, die duidelijk verschilden van de oorspronkelijke vorm en die zelf ook constant waren bij zelfbevruchting. Verder noemde hij uit de literatuur tal van voorbeelden, die op deze manier verklaard konden worden. In zijn grote werk Die Mutationstheorie (1901-1903. 2 dln.) zette hij dit uitvoerig uiteen. Weliswaar gaf hij een definitie van het woord mutatietheorie waarin het begrip mutatie niet voorkomt: 'de stelling, dat de eigenschappen van de organismen uit scherp van elkaar gescheiden eenheden zijn opgebouwd' (ibidem, I. 3), dus hetzelfde idee, dat hij eerder pangenesis had genoemd, maar het hoofdmotief was dat deze eigenschappen of groepen ervan plotseling konden veranderen (ibidem, I. 4), zodat een variëteit in één maal aanwezig is. Uiteindelijk is gebleken, dat verscheidene vormen, die door Hugo de Vries verkregen werden als nakomelingen van zijn Oenothera lamarckiana en die hij als mutaties beschouwde, dit niet waren. De oorspronkelijke vorm bleek nl. een bastaard te zijn van twee verschillende ouders, waarvan de zaden met alleen de vaderlijke kenmerken én die met alleen de moederlijke, de zg. homozygoten, niet levenskrachtig waren. Normaal gaven slechts de zaden met de bastaard-combinatie nakomelingen, zodat het leek alsof de soort zuiver was. De afwijkende vormen, die Hugo de Vries vond, betroffen meestal planten met combinaties van ouderlijke kenmerken, die toch tot ontwikkeling waren gekomen. De door grootte afwijkende vorm 'gigas' kan volgens een latere indeling een 'genoom-mutatie' genoemd worden: het chromosomen-aantal ervan bleek verdubbeld te zijn. Er zijn tal van andere voorbeelden van mutatie bekend geworden, ook van mutaties van afzonderlijke genen, zoals De Vries in de eerste plaats bedoeld had en het idee is nu geheel geaccepteerd.

Hugo de Vries werd wereldberoemd door zijn werk en kreeg veel uitnodigingen. Hij maakte drie reizen naar Amerika waar hij zowel botanische instituten als praktische kwekers bezocht. Een voorbeeld van de laatste was Luther Burbank (1849-1926), die op zeer grote schaal planten kruiste en selecteerde. Voor De Vries bood dit geen nieuwe gezichtspunten: de door Burbank met verve aangeprezen 'nieuwe rassen' bleken hercombinaties te zijn van kenmerken, die al in het uitgangsmateriaal aanwezig waren.

In 1910 kreeg Hugo de Vries een aanlokkelijke aanbieding: hij kon 'Head of Department' worden aan de Columbia-Universiteit te New York. Hij was bereid in Amsterdam te blijven als er een nieuw laboratorium gebouwd werd en zijn onderwijstaak verminderd werd. Beide verzoeken werden ingewilligd, Th.J. Stomps (1885-1973) werd benoemd tot buitengewoon hoogleraar en een nieuw gebouw kwam tot stand.

Bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd ging Hugo de Vries met emeritaat. Op 16 februari 1918 was het officiële afscheid en op 13 juni gaf hij zijn afscheidscollege: Van amoebe tot mensch. Hierna trok hij zich terug in Lunteren, waar hij een proeftuin inrichtte om verder te werken aan de Oenotheraproblematiek en van waaruit hij zich praktisch niet meer met de Universiteit of de Akademie bemoeide. Hij overleed op 21 mei 1935.

Hugo de Vries was een sterke natuur. Hij was geniaal, maar als men het niet met hem eens was, kon hij zeer ongemakkelijk worden. Soms nam de tegenstelling onverkwikkelijke vormen aan zoals in de strijd met dr. J.P. Lotsy (1867-1931), die zelf ook niet gemakkelijk kon zijn. De Nederlandse Botanische Vereniging had met deze strijd te maken, hoewel De Vries om onopgehelderde reden in 1898 als lid bedankt had. Het conflict in de Vereniging eindigde doordat Lotsy zich terugtrok (Wachter in Nederlands Kruidkundig Archief 55 (1945 [= 1947]) 68, 78-82). Ernstiger was dat een plan van Lotsy om het Rijksherbarium naar Oegst-geest te verplaatsen met het inrichten van een bijbehorende proeftuin, dat al op hoog niveau goedgekeurd was, door het ingrijpen van De Vries en zijn medestanders verijdeld werd; in Leiden hoorde geen experimenteel onderzoek. Hierop nam Lotsy ontslag. Ook theoretisch nam Lotsy stelling tegen Hugo de Vries door aan te nemen dat dé oorzaak van het ontstaan van de soorten gezocht moest worden in kruisingen. De ironie van de geschiedenis is, dat dit inderdaad juist bij het voorbeeld dat Hugo de Vries bij zijn experimenten had gebruikt voor het grootste deel het geval bleek te zijn.

Aan de andere kant kon Hugo de Vries anderen helpen of stimuleren, en zelfs uitermate beminnelijk zijn. Zo heeft hij het zijn leerling Stomps mogelijk gemaakt te blijven studeren toen deze in zijn eerste studiejaar zijn vader verloor; Stomps is steeds zeer dankbaar gebleven en altijd een trouwe volgeling van De Vries geweest (Heimans en Margadant in Vakblad voor Biologen van 1973). Van andere aard was de relatie met F.A.F.C. Went, de leerling van het eerste uur in Amsterdam. Deze werd in 1896 tot hoogleraar in de plantkunde te Utrecht benoemd en heeft samen met De Vries een enorme stimulans gegeven voor het ontwikkelen van de experimentele richting in de Nederlandse botanie. Ook verschillende andere leerlingen van De Vries werden hoogleraar, zoals J.M. Janse (1860-1938). H.P. Wijsman, Th. Weevers (1875-1952) en H.M. Quanjer (1879-1961). Het is duidelijk dat Hugo de Vries een overheersende positie innam in de Nederlandse plantkunde en de aanduiding 'paus der Nederlandse botanici' is daardoor begrijpelijk.

A: Archief-De Vries in Botanisch Laboratorium te Amsterdam; Collectie-De Vries in Museum Boerhave te Leiden, alsmede Archiefstukken van J. Heimans over de herontdekking van de Mendel-wetten in het Biohistorisch Instituut, Rijksuniversiteit Utrecht.

P: Behalve Opera e periodices collata (Utrecht, 1918-1927. 7 dln.) bibliografieën in onderstaande publikaties van De Veer en P.W. van der Pas.

L: J. Valckenier Suringar, De plantensystematiek en de plantengeografie aan de Landbouwhoogeschool. Afscheidsrede... 1924 (Wageningen, 1925); W.H. Wachter, 'De Nederlandsche Botanische Vereeniging 1845-1945', in Nederlands Kruidkundig Archief 55 (1945 [= 1947]) 112-116; P.H.W.A.M. de Veer, Leven en werk van Hugo de Vries (Groningen, 1969). Proefschrift Nijmegen. Vele biografische referenties; J. Heimans en W.D. Margadant, 'In memoriam Prof.Dr. Th.J. Stomps', in Vakblad voor Biologen 53 (1973) 223-224; Robert Visser, 'Hugo de Vries', in Scienziati e Technologi dalle origini al 1875 1 (1975) 412-414; P.W. van der Pas, 'Hugo de Vries', in Dictionary of Scientific Biography 14 (1976) 95-105 met biografische referenties.

I: P.H.W.A.M. de Veer, Leven en werk van Hugo de Vries (Groningen, 1969) 17 [Afbeelding naar een ets van Jan Veth, 1896].

W.D. Margadant


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013