Vrij, Maarten Pleun (1895-1955)

 
English | Nederlands

VRIJ, Maarten Pleun (1895-1955)

Vrij, Maarten Pleun, jurist (Amsterdam 10-7-1895 - 's-Gravenhage 21-1-1955). Zoon van Cornelis Vrij, hoofd ener lagere school, en Marie Caroline Mauser. Gehuwd met Gerberta Henriette Ledeboer op 3-8-1944. Er waren geen kinderen. afbeelding van Vrij, Maarten Pleun

Na de HBS doorlopen en staatsexamen gymnasium gedaan te hebben ging hij rechten studeren aan de Universiteit van Amsterdam en, onder S.R. Steinmetz, sociologie als keuzevak, 'maar op zo'n grondige wijze, dat de latere briljante rechtsgeleerde altijd vergezeld bleef, onderricht en gestimuleerd werd door de socioloog die hij eveneens geworden was', zoals gezegd wordt in de inleiding tot het in 1956 verschenen gedenkboek.

Hij werd in 1922 advocaat en procureur te Amsterdam en promoveerde in 1923, cum laude, op een handelsrechtelijk proefschrift bij Paul Scholten, getiteld: Beperking der meerderheidsmacht in vereeniging en vennootschap door rechten der leden (Haarlem, 1923). In 1928 werd hij benoemd tot hoogleraar in het strafrecht en het strafprocesrecht aan de rijksuniversiteit te Groningen. Later kwamen daar de leeropdrachten rechtsfilosofie en criminologie bij.

Men zou hebben kunnen verwachten dat Vrij van nature moest zijn aangetrokken tot een classicistisch recht; niettemin kon hij met zijn verstand en hart ook niet anders dan de Nieuwe Richting in het strafrecht aanvaarden. Dit laatste betekende dat de misdaad en de misdadiger ook in het licht van de criminologie moesten worden bestudeerd en gekend. Voor deze nieuwe richtingen stond Vrij open: hij luisterde naar de sprekers van de Groningse school en naar W.A. Bonger. Hij spelde de verslagen van de internationale criminologische conferenties voor zover hij ze nog niet bijgewoond had en hij begon die mondiale bijeenkomsten zeer trouw te bezoeken. Men kan niet zeggen dat hij naar huidige opvattingen gemeten als een belangrijk criminoloog moet worden beschouwd. Vrij die de criminologie als een deelwetenschap van de sociologie beschouwde, had in Nederland wel de grote verdienste als eerste verschillende kanten van wat hij het object van de criminologie beschouwde, nauwgezet te bestuderen.

De criminoloog laat zich niet sturen door de strafrechtelijke aanwijzing van misdadigheid, maar houdt zich bezig met wat voldoende zedelijk laakbaar en maatschappelijk onduldbaar voor strafbaarstelling zou kunnen zijn; ook als het toevallig niet strafbaar (meer) is - zoals de zelfmoord en prostitutie - hindert het de criminoloog niet bepaald gedrag tot het object van zijn vak te rekenen. Dit breidt het misdaadbegrip voor het gebruik ter aanwijzing van het object van de criminologie al uit. Om nog even van het misdaadbegrip uit te gaan: de criminologie bestudeert niet alleen misdaden, maar ook misdaadcomplexen, van onderscheidene structuur: zij bestudeert 'criminaliteit'. Hij is van mening dat bijvoorbeeld ook de niet-criminele verwaarlozing ('Verwahrlosung') en de a-socialiteit door de criminoloog moeten worden bestudeerd.

Heel bijzonder van Vrij is, in de eerste plaats, dat hij aan de zogenaamde moderne richting de plaats geeft die sommige anderen haar in zijn tijd nog ontzeggen, maar dat hij aan de andere kant volledig op de bres staat voor het strafrecht als recht. Is zijn intreerede: Te recht! in 1928 een programma, zijn preadvies voor de Nederlandse Juristen-Vereniging in 1930 is een exercitie van de puurste straftheoretische soort.

In de tweede plaats heeft Vrij zijn zo volmaakt eigen plaats in de ontwikkeling van het strafrecht ingenomen door zijn macro-sociologische inbreng in het strafrecht. Men kan hem daardoor een van de eerste strafrechtssociologen van ons land noemen. Het was de typische jurist Vrij die waarschuwde tegen de 'verjudicering' van de strafrechtelijke instituten en het is betekenisvol geweest dat Vrij, na overstag te zijn gegaan naar het strafrecht, Steinmetz toesprekende in zijn intreerede in het strafrecht en het strafprocesrecht, gewaagt van een terugkeer naar de sociologie.

In zijn afscheidscollege Ter Effening (Groningen, 1947) brengt hij het begrip dat hem tot buiten onze grenzen bekend gemaakt heeft ter sprake, namelijk het 'derde element van het delict'. Worden aan het delict vanouds twee elementen toegeschreven (1) onrechtmatigheid, (2) de schuld. Vrij voegt een derde element in, (3) de subsocialiteit, dat is hetgeen het delict aantast, zowel reeds in de reële krenking van belangen en rechten van concrete anderen als in het stellen van een algemeen gevaar voor de toekomst. Gebrek aan die 'subsocialiteit' kan maken dat een strafbare dader niet wordt vervolgd, of, zo al vervolgd, niet behoeft te worden veroordeeld of gestraft.

Om de al genoemde inleiding nog een ogenblik te volgen: 'het past in zijn heuristiek, dat Vrij congruentie van de straf zoekt met het delict in zijn drie elementen. Men kan allereerst zien, zegt hij, hoe de straf op onrechtmatigheid en schuld reageert. De vraag rijst intussen of straf wel op haar plaats zou zijn bij schuld aan onrechtmatigheid zonder meer: misschien zou een civiele sanctie dan voldoende zijn. Het is het subsociale, dat pas goed straf verlangt. Vrij duidt nog eens, verder dan voorheen, aan, wat het subsociale is: 'dat, wat de betrekking tussen de schuldige en zijn gemeenschap min of meer duurzaam verstoort. Aan de zijde van de gemeenschap is er onrust door het uitvallen van een tot dusver vertrouwde schakel en de vrees, dat ook de naaste omgeving van dit element is aangetast of nu aangestoken zal worden. De schuldige aan onrechtmatigheid zèlf is uit het lood, omdat hij nu de lust kent, die een onrechtmatige vrijheidsoverschrijding hem schonk, omdat hij het verlangen ervaart tot verdere aanmatigingen, omdat hij de onlust van de dreigende straf gevoelt en omdat hij ondanks alles toch ook nog niet vrij is van de behoefte aan het gareel, aan de waarborgen, ook op zijn beurt voor hem, van het recht.'

Ook Van Veen zet in zijn opstel Vrijs Subsocialiteit: het functioneren van de straf, de dogmatische (classicistische) oorsprong plus de bedoeling het strafrecht sociaal-functioneler te maken, uiteen. Hij ziet er een integratie van rechtvaardigheid en doelmatigheid in.

Het subsociale is bepaald niet zomaar een vondst geweest en zeker niet slechts een stokpaard. De gedachte is in de eerste tijd bijna unaniem met terughoudendheid of rechtstreekse tegenstand door Vrij's collega's ontvangen, maar Vrij heeft school gemaakt. Ook nu bloeit nog het Strafrechtelijk en criminologisch Colloquium prof.mr. M.P. Vrij gevormd door een achttiental van zijn oudleerlingen, en een vertegenwoordiger van de jongste generatie, J.R. Goppel, zegt in zijn artikel. De subsocialiteit van Vrij, van Vrij's theorie, dat die 'nu misschien meer dan ooit onze aandacht verdient'.

Overigens heeft Vrij's preadvies, betreffende 'de leer van de afwezigheid van alle schuld', uitgebracht aan de Nederlandse Juristen-Vereniging 1930, nog steeds grote invloed. Ten slotte blijkt uit steeds terugkerende discussies hoe actueel de Groningse voordracht 'Nieuw leven in de verhouding wetgever-rechter' van 1953 nog is.

Bij Vrij promoveerden zeven leerlingen, allen lid van het bovengenoemde colloquium.

Er is al dikwijls opgemerkt, dat Vrij's geschriften niet gemakkelijk te lezen zijn. Men zou kunnen zeggen, dat Vrij een behoorlijke tol vroeg aan hen, die wilden worden toegelaten tot zijn gedachtenwereld; die van slechts langzaam en herhaalde malen lezen. Hij schreef een barokke stijl, met talloze willekeurig lijkende maar o zo overwogen aangebrachte uitweidingen en versieringen, die de strenge structuur van zijn betogen soms lang aan de lezer verborgen kunnen houden. Maar structuur was voor alles, wat hij zocht: geen enkel 'element' kan naar zijn geloof alleen staan, hij zocht rusteloos naar congruenties en verbanden van elementen; had hij een samenhang ontdekt, dan dwong die voor hem gevolgen af voor andere groepen van elementen.

Vrij vertrok in 1947 van Groningen naar 's-Gravenhage om de functie van raadsheer in de Hoge Raad te gaan bekleden. Hoewel het door de collegiale rechtspraak moeilijk is aan te geven hoe groot het aandeel van een raadsheer in beslissingen van ons hoogste rechtscollege is, kan uit de stijl van bepaalde uitspraken en het bijzonder woordgebruik met betrekking tot strafrechtelijke onderwerpen de invloed van Vrij soms afgeleid worden. Zulks blijkt uit de beschikking van de Hoge Raad van 28-9-1951 betreffende de strekking en omvang van de behandeling van bezwaarschriften tegen de kennisgeving van de verdere vervolging en tegen de dagvaarding (art. 250 en 262 Sv.) uit drie arresten van 28-11-1950 inzake art. 7 Grondwet (drukpersvrijheid) in Nederlandse Jurisprudentie 1951, 137, 138 en 369 en uit arrest van 9-11-1954 met betrekking tot voorwaardelijk opzet (Nederlands[e Jurisprudentie] 1955, 55).

Vrij heeft in de internationale wereld van de penologie en de criminologie en de strafrechtwetenschappen in engere zin vele jaren lang aanzienlijke posities bekleed.

P: Professor Mr. M.P. Vrij. Verzameling uit zijn geschriften op het gebied van strafrecht en criminologie [Samengest. door E.J. Anneveldt e.a.]. (Zwolle, 1956).

L: G.E. Langemeijer, '"Subsocialiteit", Materiële Wederrechtelijkheid, "Zumutbarkeit"', in Tijdschrift voor Strafrecht 59 (1950) 6-18; B.V.A. Röling, 'Opmerkingen over het subsociale als element van het strafbaar feit', ibidem, 62 (1953) 259-287; W.H. Nagel, ibidem, 64 (1955) 1-21; R. de Waard, 'Problemen met betrekking tot straftoemeting', ibidem, 76 (1967) 298-331; G.E. Mulder, in Ars Aequi 18 (1969) 73-75; Th.W. van Veen, 'Vrij's subsocialiteit: Het functioneren van de straf", in Speculum Langemeijer. 31 rechtsgeleerde opstellen (Zwolle, 1973) 485-499; J.R. Goppel, 'De Subsocialiteit van Vrij', in Delikt en Delinkwent 73 (1973) 9 (november) 480-489.

I: Zestig juristen. Bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap. Onder red. van T.J. Veen en P.C. Kop (Zwolle 1987) 351.

W.H. Nagel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013