Waals [jr.], Johannes Diderik van der (1873-1971)

 
English | Nederlands

WAALS [JR.], Johannes Diderik van der (1873-1971)

Waals [jr.], Johannes Diderik van der, hoogleraar in de theoretische natuurkunde ('s-Gravenhage 7-8-1873 - Amsterdam 8-5-1971). Zoon van Johannes Diderik van der Waals, hoogleraar in de theoretische natuurkunde, en Anna Magdalena Smit. Gehuwd op 14-1-1902 met Jennigje Hendrika Jacoba Jonker. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 3 zoons geboren. afbeelding van Waals [jr.], Johannes Diderik van der

Van der Waals jr. werd geboren in hetzelfde jaar waarin zijn vader promoveerde op het beroemde proefschrift over de toestandsvergelijking. Na het doorlopen van het Stedelijk Gymnasium te Amsterdam studeerde hij wis- en natuurkunde aan de Universiteit aldaar. Hij deed op 15 februari 1895 kandidaatsexamen. Het wetenschappelijk werk van Van der Waals begon in 1896. De eerste jaren publiceerde hij vooral over statistica en stralingstheorie. Ondertussen deed hij op 16 maart 1898 zijn doctoraal examen. Hij promoveerde 21 december 1900 op een dissertatie getiteld Statistische behandeling der stralingsverschijnselen (Amsterdam, 1900). In zijn eerste stelling poneerde hij 'De entropie-wet is een waarschijnlijkheids-wet.' Ook in enkele andere stellingen, met name over de oorsprong der krachten die moleculen op elkander uitoefenen, gaf hij blijk van een vooruitziende blik.

Van 1898 tot 1900 was Van der Waals assistent bij prof. R. Sissingh, van 1900 tot 1901 leraar wiskunde aan de 1e gem. HBS met 5-jarige cursus te Amsterdam. In 1903 volgde een privaatdocentschap in de kinetische gastheorie aan de Universiteit van Amsterdam; zijn openbare les heette Statistische natuurbeschouwing ([S.1.], 1903). Nog in hetzelfde jaar werd hij benoemd tot hoogleraar in de theoretische natuurkunde aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Zijn inaugurele rede handelde over De hypothesen in de natuurkunde (Groningen, 1903). Hij ging in op de opvattingen van Ostwald en Boltzmann en de toen nog weinig bekende ensemble-theorie van Gibbs. Van der Waals gebruikte de term 'schaar' als vertaling van ensemble (in de statistische mechanica is een ensemble een fictief stelsel van mechanische systemen zodanig geconstrueerd dat middelen over dit stelsel het macroscopisch gedrag van een werkelijk systeem oplevert). Opmerkelijk is ook zijn vroegtijdige bijdrage tot de verklaring van de krachten, die werkzaam zijn tussen moleculen. Daartoe onderzocht hij de gemiddelde wisselwerking van twee elektrische dipolen onderhevig aan temperatuurbeweging. Het resultaat werd in 1908 gepubliceerd in een mededeling aan de Koninklijke Akademie: hij vond een aantrekkende kracht omgekeerd evenredig met de zevende macht van de afstand der deeltjes.

In dat jaar volgde hij als hoogleraar in de theoretische natuurkunde zijn vader in Amsterdam op. In 1909 hield hij zijn intreerede Over de vraag naar de meest fundamenteele wetten der natuur (Groningen, 1909), waarin hij sterk aandringt op bezinning over de begrippen van de natuurkunde. In 1916 volgde een serie artikelen over de Brown-beweging (= de toevalsbeweging van kleine bolletjes in een vloeistof). Hij gaf voorts een interpretatie van de viscositeit van vloeistoffen op grond van een kinetische theorie, d.w.z. uitgaande van de botsingen der deeltjes en het statistische gedrag van hun bewegingen. Van der Waals werd in 1925 tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen benoemd. In 1926 schreef hij een samenvattend artikel over de toestandsvergelijking in de eerste editie van het Handbuch der Physik. Inmiddels hield hij zich ook bezig met de grondslagen van de quantumtheorie en van de relativiteitstheorie. In 1931, toen Van der Waals rector-magnificus was, hield hij een diesrede, die wederom ging over de betekenis van de fundamentele natuurkundige begrippen. Hij wilde deze zo zuiver mogelijk houden en was overigens van mening dat verkeerde interpretaties veelal vanzelf verdwijnen of althans weinig invloed hebben op de ontwikkeling van de wetenschap. Hij aanvaardde wel de esthetiek van een theorie als criterium. Nieuwe ontwikkelingen bezag hij aanvankelijk met filosofische argwaan. Hij werd slechts langzamerhand gewonnen voor de gezichtspunten van relativiteitstheorie en quantummechanica, zoals blijkt uit zijn artikelen, redevoeringen en publikaties in de serie 'Volksuniversiteitsbibliotheek'. De wijsgerige opvattingen van Van der Waals stonden in verband met zijn opinies over de grondslagen van de wetenschap. Hoewel hij begrip kon opbrengen voor neo-positivistische en agnostische standpunten, meende hij toch dat de problemen voor de natuurkundige begrijpelijker zijn bij aanvaarden van een filosofisch realisme, zeer zeker in het materiële, maar liefst ook in het geestelijke vlak. Hij verdedigde zijn standpunt in De Gids en Onze Eeuw, tijdschriften waarvan hij vele jaren redacteur was.

De persoonlijkheid van Van der Waals werd gekenmerkt door een combinatie van ironie, scepsis, scherpte en beminnelijke humor. Deze eigenschappen waren direct duidelijk voor wie hem leerde kennen, onder wie vele van zijn promovendi te rekenen zijn. Deze waren: H.C. Schamhardt, G. van Rij, C. Dorsman, mej. A. Snethlage, J.W. Dekker, D.H. Prins, R.O. Gibson, M.H. Lenssen, J.G.J. Scholte, mevr. C.A.M. Michels-Veraart, M.M. Biedermann, L.A. van Wijk, H.J. van der Vliet, J.N. Lier en L.P.G. Koning. Van der Waals vervulde in het openbare leven verscheidene functies: hij was lid van de Huygens-commissie, bestuurslid van het Genootschap ter Bevordering van de Natuur-, Genees- en Heelkunde te Amsterdam en president-curator van het KNMI in De Bilt.

Van der Waals was zeer geïnteresseerd in problemen van taal en litteratuur. Hij schreef in De Gids 127 (1964) I, 346-353 'De Duke of Albany in King Lear'. Dit artikel lag hem zeer na aan het hart. Hij bleef ook na zijn emeritaat in 1943 actief en alert. Zijn leven lang zette hij junior achter zijn naam, omdat zelfs de schijn van het accapareren van de roem van zijn vader vermeden moest worden. Hij was een geregeld bezoeker van de bijeenkomsten van de Koninklijke Akademie. Zo was hij nog kort voor zijn dood aanwezig bij de uitreiking van de Lorentz-medaille aan G.E. Uhlenbeck. In zijn dankwoord repte de prijswinnaar van de bijna een eeuw oud zijnde wet van Van der Waals. Toen naar aanleiding hiervan iemand opmerkte dat die wet en Van der Waals jr. even oud waren, ontlokte dit aan hem de opmerking: 'Ja, dat was mijn tweelingzusje.'

P: Behalve de reeds genoemde werken: 'Zustand der gasförmigen und flüssigen Körper', in Handbuch der Physik (Berlin, 1926-1929) X, 126-223; Over den wereldaether (Haarlem, 1921); De relativiteitstheorie ( Haarlem, 1923); publikaties in Verslagen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Tijdschriften voor Wijsbegeerte, De Gids, Onze Eeuw enz.

L: A. Michels, in Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde 10 (1943) 237; S.R. de Groot, ibidem 29 (1963) 225-226; idem, in Jaarboek Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1971, 105-106.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1585.

S.R. de Groot


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013