Wagenaar, Johannes (1862-1941)

 
English | Nederlands

WAGENAAR, Johannes (1862-1941)

Wagenaar, Johannes, componist (Utrecht 1-11-1862 - 's-Gravenhage 17-6-1941). Zoon van Johanna Wagenaar, dienstmeisje, en Cypriaan Gerard Berger van Hengst, rechter, later raadsheer. Gehuwd op 23-7-1897 met Dina Petronella van Valkenburg (1869-1941). Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. afbeelding van Wagenaar, Johannes

Jo Wagenaar was een van de zes kinderen die werden geboren uit de jarenlange relatie van een Utrechtse patriciër met zijn voormalige dienstmeisje. Hoewel zijn vader nooit met zijn moeder in het huwelijk trad, nam hij wel de financiële verantwoordelijkheid voor zijn heimelijke gezin op zich. Jo’s eerste muzikale indrukken dankte hij aan de Utrechtse draaiorgels en de orgelbespelingen van Richard Hol in de domkerk. Toen buitenstaanders zijn muzikale gaven opmerkten, mocht hij op dertienjarige leeftijd lessen nemen aan de Utrechtse muziekschool. Daar studeerde hij compositieleer en orgel bij Richard Hol, piano bij Willem Petri en viool bij Gerrit Veerman. Later volgden nog orgellessen bij Samuel de Lange in 's-Gravenhage en in 1892 lessen in contrapunt bij Heinrich von Herzogenberg in Berlijn. Nadat hij in 1885 het toonkunstdiploma had behaald werd hij tot pianoleraar aan de Utrechtse muziekschool benoemd. Tevens was hij enige tijd altist in het Utrechtsch Stedelijk Orkest. In 1888 volgde hij Richard Hol op als organist van de domkerk. Toen deze in 1904 overleed, werd hij ook zijn opvolger als directeur van de Utrechtse muziekschool en als dirigent van het Toonkunstkoor Utrecht. Daarnaast dirigeerde hij de Toonkunstkoren te Arnhem en Leiden, de Utrechtsche Mannenzangvereeniging en het Utrechts A-Capella-Koor.

Wagenaar nam in het Utrechtse muziekleven een centrale plaats in. Meer dan eens trad hij op als dirigent bij de stadsconcerten en met zijn Toonkunstkoor gaf hij verscheidene premières van buitenlandse composities in Nederland. Zijn orgelconcerten in de dom waren vermaard, niet alleen om zijn Bachvertolkingen, maar ook om zijn improvisatiekunst. Hij was bovendien de ziel van de 'Shelfishclub', in 1893 omgedoopt tot de 'Muzikale Kring', waarvan vele Utrechtse musici en muziekliefhebbers lid waren en waarvoor hij een aantal humoristische composities schreef. Een aantal daarvan had zo'n succes, dat Wagenaars naam ook buiten Utrecht snel bekend werd. De Utrechtse universiteit verleende hem in 1916 vanwege zijn vele verdiensten voor het Nederlandse muziekleven het eredoctoraat in de letteren. In 1919 werd hem de directeursfunctie aan het Koninklijk Conservatorium te 's-Gravenhage aangeboden. Wagenaar, die een soortgelijk aanbod van het Amsterdamse conservatorium in 1912 had afgeslagen, accepteerde de benoeming ditmaal wel, ondanks verwoede pogingen in Utrecht om hem voor de stad te behouden. Materiële en artistieke aspecten speelden bij zijn beslissing naar 's-Gravenhage te vertrekken een rol. Enerzijds ging zijn salaris er aanzienlijk op vooruit zodat hij minder lessen hoefde te geven en meer tijd overhield om te componeren. Anderzijds voelde hij dat hij zijn veeljarige ervaring moest geven aan een zo belangrijk opleidingsinstituut voor muziek als het Haags conservatorium. Hoewel Wagenaar naar 's-Gravenhage vertrok, bleef hij in zijn hart Utrechtenaar. Tot 1927 nog bleef hij het Toonkunstkoor Utrecht leiden. Daarnaast dirigeerde hij gedurende een aantal jaren het Haagse Toonkunstkoor.

Behalve het directeurschap van het Koninklijk conservatorium, dat hij tot 1937 vervulde, bekleedde Wagenaar onder meer verschillende functies in de Rijkscommissie van Advies inzake de Toonkunst, de Klokken- en Orgelraad en het hoofdbestuur van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst. Bovendien was hij als voorzitter van het Genootschap van Nederlandsche componisten een van de oprichters geweest van het Bureau voor Muziekauteursrechten (Buma). Tot aan zijn overlijden bleef hij zitting nemen in examencommissies, gaf hij compositielessen en componeerde hij. Zijn laatste compositie werd het symfonisch gedicht Elverhoï, dat hij eind 1940 voltooide, enige maanden voor zijn overlijden. Talrijke binnen en buitenlandse onderscheidingen waren hem tijdens zijn leven uitgereikt.

De mens Wagenaar was bijzonder verknocht aan zijn geboortestad Utrecht. Hij was provinciaal in de goede zin van het woord, zonder de bekrompenheid die vaak eigen is aan het provincialisme. Als exponent van het einde der negentiende eeuw neigde hij tot een zeker nuchter rationalisme. Beschouwelijk van aard was Wagenaar niet, hij werd geboeid door activiteit en was een man van de daad. Zijn grote mensenkennis dankte hij aan zijn intuïtie. In zijn gevoelsleven was hij zeer gereserveerd. Hoewel hij gemakkelijk met anderen overweg kon, liet hij zich tegenover derden nooit uit over wat hem na aan het hart lag. Wanneer hem iets diep raakte, sprak hij er slechts ironisch over en was zo, als geboren humorist, in staat om afstand te scheppen. De uitbundig vrolijke man voor wie velen hem aanzagen, was hij echter niet.

Het muziekonderwijs had zijn warme belangstelling. Een groot gedeelte van zijn werkzaamheden in Utrecht en 's-Gravenhage werd dan ook gevuld met pedagogische arbeid. Hij bleek daarbij niet alleen in staat te zijn technisch noodzakelijke kennis over te dragen, maar kon zich als man met zeer ruime opvattingen en een grote mensenkennis goed verplaatsen in het wezen van zijn leerlingen. Daardoor was hij in staat componisten te begeleiden en te vormen, die aanzienlijk van aanleg, karakter en idealen verschilden. Tot deze componisten van de 'Utrechtse school', zoals zij genoemd werden, behoorden onder meer Peter van Anrooy, Emile Enthoven, Henri van Goudoever, Alexander Voormolen, Leon Orthel en Willem Pijper.

Als componist nam Johan Wagenaar in het Nederlandse muziekleven aan het begin van deze eeuw een vooraanstaande plaats in. Zijn muzikale oeuvre is bijzonder veelzijdig en omvat liederen, kamermuziek, werken voor koor en voor orgel, orkeststukken, cantates en opera's. Van zijn jeugdwerken, voor het merendeel geschreven als werkstukken bij zijn compositieleraar Richard Hol, erkende Wagenaar op latere leeftijd alleen nog de humoristische cantate De Schipbreuk (1889). Zij zijn alle min of meer conventioneel van vorm en beïnvloed door buitenlandse componisten als Schumann en Mendelssohn. De belangrijkste na 1890 verschenen werken zijn muziekdramatische composities en orkeststukken. De muziekdramatische composities zijn meesterwerken van muzikale humor. Wagenaar parodieerde er het valse pathos en de talloze ongerijmdheden in de libretti van veel Franse en Italiaanse opera's in. Hij koos daartoe veelal teksten van "De Schoolmeester", die voor dit doel bijzonder geschikt waren. Het was hem er echter niet om te doen de opera als muzikale vorm belachelijk te maken, hetgeen blijkt uit het feit dat de muziek doorgaans volkomen serieus gemeend was en slechts een enkele keer verviel tot persiflage. Hij paste er onder meer Wagners beginsel der leidmotieven consequent toe met een grote kracht van karaktertypering en oorspronkelijkheid in uitdrukkingswijze. Zijn dramatische talent is ook terug te vinden in de grote werken voor orkest. Zij zijn met uitzondering van het Romantisch Intermezzo opus 13 en de Symphoniëtta opus 32, die hij na zijn erepromotie aan de Utrechtse universiteit opdroeg, van programmatische aard. De geringe interesse van Nederland voor de opera als kunstvorm noodzaakte Wagenaar zijn dramatische fantasie naar het orkest te verleggen, naar het genre van het symfonisch gedicht, dat zijn hoogtepunt eigenlijk al voorbij was. De stof voor deze werken vond hij bij schrijvers als Shakespeare, C. Gozzi en E. Rostand, in de Bijbel en de Europese mythen en sagen. Muzikale aanknopingspunten vond hij in de programmamuziek van Hector Berlioz en Richard Strauss, met wier werken zijn eigen composities stilistisch en qua instrumentatietechniek overeenkomsten vertonen. Als componist was Wagenaar geen dromer of mysticus als zijn tijdgenoot Alphons Diepenbrock, maar een realist die met groot vakmanschap en een feilloze vormbeheersing componeerde. Zijn rijpere werken vooral zijn schilderachtig en fel van kleur, gewoonlijk vitaal en spiritueel van karakter, ritmisch markant, maar blijven gewoonlijk in harmonisch opzicht traditioneel en bedoelen geen buitensporige effecten.

A: Archief-Johan Wagenaar in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage. Archief van de Muzikale Kring in Gemeente Archief Utrecht.

P: Het compositorisch oeuvre van Wagenaar telt 48 opusnummers. Het bestaat grotendeels uit muziekdramatische werken en composities voor orkest. Zie voor bibliografie hieronder genoemd periodiek De wereld der muziek 7(1940-1941) 288-290.

L: J.D.C. van Dokkum, 'Dr. Johan Wagenaar's Utrechtsche jaren', in De Muziek 7(1932)13-25; E.W. Schallenberg, Johan Wagenaar's opera's, ibidem, 26-30; J.D.C. van Dokkum, 'Een episode uit het Utrechtsche kunstleven in het einde der 19de en het begin der 20ste eeuw. I. De Kunstkring en de Shelfishclub', in Jaarboekje van "Oud-Utrecht" 1937, 97-137; idem, 'Een episode uit het Utrechtsche kunstleven in het einde der 19e en het begin der 20ste eeuw. II. De Muzikale Kring', ibidem 1938, 124-162; W. Paap e.a. over leven en werken van J. Wagenaar in De wereld der muziek 7(1940-1941) 262-287; W. Hutschenruyter, in Neerlandia 45 (1941) 122-123; A.C. Ramselaar, 'Johan Wagenaar en Alphons Diepenbrock', in Mens en melodie 1 (1946) 161-165; W. Paap, 'Diepenbrock en Wagenaar', ibidem, 17 (1962) 325-328.

I: Johannes Wagenaar en Jaap van Benthem, Johan Wagenaar 1862-1941. Leven en werk van een veelzijdig kunstenaar (Zutphen 2004) 28 [Johan Wagenaar omstreeks 1890].

P.M.F. Jansen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013