Wentholt, Ludolph Reinier (1885-1946)

 
English | Nederlands

WENTHOLT, Ludolph Reinier (1885-1946)

Wentholt, Ludolph Reinier, civiel-ingenieur (Nieuwediep, gem. Den Helder, 22-3-1885 - 's-Gravenhage 6-2-1946). Zoon van Jan Wentholt, vice-admiraal en minister van Marine, en Ida Christina Huijgens. Gehuwd sinds 6-3-1913 met jkvr. Catharina Jacoba Christina de Ranitz. Uit dit huwelijk werden 1 dochter en 1 zoon geboren.

Wentholt doorliep te 's-Gravenhage de HBS en studeerde van 1902-1907 te Delft, waar hij in dat laatste jaar aan de TH het diploma civiel-ingenieur behaalde. Nog dat zelfde jaar trad hij in dienst van de Rijkswaterstaat. De aard der werkzaamheden in zijn eerste werkkring maakte het hem mogelijk een studie van de kustverdediging te maken. De resultaten daarvan werden vastgelegd in een proefschrift, waarop hij in 1912 ten overstaan van prof. W.K. Behrens promoveerde tot doctor in de technische wetenschappen. Bij de Rijkswaterstaat doorliep hij de verschillende rangen: in 1923 hoofdingenieur en in 1935 hoofdingenieur-directeur. De interesse van Wentholt voor de verschillende waterstaatsvraagstukken was groot en reeds als jong ingenieur zag hij deze vraagstukken in een wijd verband. Tijdens zijn werkperiode in Drenthe hield hij zich bezig met het vraagstuk van de verbetering van de scheepvaartkanalen. In 1922 werkte hij mee aan een op initiatief van de Vereniging het Nederlandse Wegencongres opgesteld rapport over de verbetering van het beheer van de wegen in Nederland. In 1926 kreeg hij een opdracht van de toenmalige minister van Waterstaat om de mogelijkheden te bestuderen van een nieuwe scheepvaartverbinding van Amsterdam met de Boven-Rijn. Van zijn hand verscheen hierover het Rapport inzake een scheepvaartweg van Amsterdam naar den Rijn ('s-Gravenhage, 1927). In 1939 hield hij op de algemene vergadering van het Nederlandse Wegencongres een verhandeling over de uitvoering van het Rijkswegenplan. Van 1919-1928 had Wentholt de leiding bij de aanleg van het Maas-Waal-kanaal. Tijdens deze periode ontstond een verschil van mening tussen hem en de aannemersfirma Broersma, die later als de 'Zaak Broersma' uitvoerig in de pers ter sprake is gekomen. Het kwam in 1938 en 1939 tot een aantal processen voor de Rechtbank te Alkmaar waarbij de schrijver J. Broersma van de in 1937 verschenen brochure Ik zal handhaven en een op 14 januari 1938 tot de Raad van Ministers gerichte Open Brief wegens belediging van Wentholt tot een boete werd veroordeeld.

Van 1928-1935 was Wentholt hoofd van de dienst voor de aanleg van de Twenthekanalen. In 1936 werd Wentholt opgenomen in de leiding van de Rijkswaterstaat en belast met de directie van de afdeling Wegenverbetering. Onder zijn leiding werd deze directie omgezet in de Centrale dienst voor de Wegen en de Bruggen. Hij heeft in die functie de coördinatie van de wegenverbetering en de wegenaanleg in Nederland met kracht kunnen bevorderen. Hiervoor oriënteerde hij zich ook op het buitenland en heeft hij onder meer reizen ondernomen naar Duitsland om de bouwmethodes van de Reichsautobahnen te bestuderen. Het tweede Rijkswegenplan, ter vervanging van het eerste plan uit 1928, is vooral door zijn bemoeiingen in 1938 tot stand gekomen. Met ingang van 1 maart 1940 werd Wentholt benoemd tot directeur-generaal van de Rijkswaterstaat. Na de inval der Duitsers toonde hij als mens en als ambtenaar zijn grote integriteit en morele moed ten opzichte van de bezetter. Ten deze zij vermeld zijn geslaagde pogingen om te zamen met andere waterstaatsorganen in den lande één lijn te trekken tegenover de Duitse wensen. In juni 1941 diende het departement van Landbouw en Visserij, zonder enige voorkennis van de waterstaatsdiensten, een door de Cultuurtechnische Commissie opgestelde ontwerp-verordening tot instelling van de Landbouwschappen bij de Duitse bezettingsmacht in. Deze Landbouwschappen zouden behalve op cultuurtechnisch gebied ook bevoegdheden op het terrein van de waterstaatsaangelegenheden verkrijgen. Hiertegen nu heeft Wentholt zich ten krachtigste verzet - hij duldde geen twee kapiteins op het schip van de 'Waterstaat' - daarbij geruggesteund door de secretaris-generaal mr. D.W.G. Spitzen. Hun gezamenlijk verzet leidde ertoe dat dr. H.M. Hirschfeld, secretaris-generaal van Landbouw en Visserij, dit ontwerp introk na de toezegging van de Rijkswaterstaat dat men alle aandacht zou besteden aan de bewaking van de kwaliteit van het water en men maatregelen zou treffen om de verzilting en de vervuiling daarvan tegen te gaan. Door de secretaris-generaal van het departement van de Waterstaat is daarop op 19 februari 1942 de Raad voor de Waterhuishouding ingesteld, welke tot taak had hem van voorlichting te dienen op de hoofdzaken de waterhuishouding betreffende. Ook moge in dit verband gewezen worden op zijn streven zoveel mogelijk mensen voor tewerkstelling in Duitsland te behoeden. Zijn streven om de medewerkers van de Rijkswaterstaat in Nederland te houden, zouden tot zijn gedwongen ontslag leiden. Bij brief van 12 juli 1943 werden van de voorzitter van de Rüstungs- und Beschaffungskommission richtlijnen ontvangen betreffende de 'Erfassung der Techniker und Ingenieure im Zuge der Durchführung der Massnahmen zum Kriegseinsatz der Technik'. In augustus volgde de aanwijzing van een tweetal ingenieurs van de Rijkswaterstaat door het Gewestelijk Arbeidsbureau te Utrecht voor tewerkstelling in Duitsland. Tegen beide zaken verzette Wentholt zich te zamen met de toenmalige secretaris-generaal van het departement van Waterstaat Spitzen, op elke denkbare wijze. De steeds fellere correspondentie hierover vond zijn hoogtepunt in een brief van de voorzitter van de Rüstungs- und Beschaffungskommission van 3 augustus 1943, welke onverholen dreigementen bevatte aan de leiding van de Waterstaat. Op 12 augustus werd een door Seyss-Inquart persoonlijk ondertekende brief ontvangen, houdende het ontslag van ir. Wentholt 'mit sofortiger Wirkung'. Aanvankelijk liet men hem van Duitse zijde met rust doch op 20 januari 1944 werd hij gearresteerd en naar St. Michielsgestel getransporteerd. Na een verblijf in Vught van 6 tot 10 september 1944 ging hij naar Amersfoort waar hij tot 16 april 1945 verbleef. Vervolgens zat hij van 16 april tot 6 mei 1945 in Scheveningen.

Ondertussen had Wentholt zich veel eerder op andere wijze naar buiten toe als goed Nederlander enigszins gecompromitteerd. Op 18 maart 1941 hadden Duitse ambtenaren van de propaganda en voorlichting der bezettingsmacht, Janke en du Prel hem een bezoek gebracht. Hierbij deelden deze hem mede dat het in het voornemen lag op korte termijn een Duits boekwerk over Nederland te doen verschijnen. Het zou de bedoeling zijn hierin gegevens te publiceren omtrent de Nederlandse en Duitse administratie. Om het boek aantrekkelijk te maken wilde men een aantal artikelen opnemen, waarbij onder meer één over de waterstaat. De Rijkscommissaris zou beiden opgedragen hebben Wentholt mede te delen dat hij dit artikel moest schrijven. De directeur-generaal van Rijkswaterstaat stemde toe omdat, zo zegt hij zelf, '...het toch wel voor de hand lag dat indien één dier artikelen op den Waterstaat betrekking zou moeten hebben, dit door mij, als hoofd van den Waterstaatdienst, zou worden samengesteld.' De uitreiking van het boek had plaatsgevonden op 5 november 1941 tijdens een 'Tee-empfang' in het Kurhaus te Scheveningen. Hiervoor werd ook Wentholt uitgenodigd, welke uitnodiging hij om voor hem op dat moment moverende redenen zonder overleg met zijn adviseurs aannam. Het bleek geen bijeenkomst te zijn waarop de Rijkscommissaris zich door hoge Nederlandse ambtenaren wilde laten voorlichten - iets wat wel meer gebeurde, en wat naar hij veronderstelde ook nu weer zou gebeuren - doch een pro-Duitse propagandabijeenkomst. Zijn deelneming werd hem in waterstaatskringen hoogst kwalijk genomen, terwijl ook zijn goede naam in verzetskringen ernstig werd aangetast. Het zijn de hierboven geschetste feiten welke hem na de bevrijding moeilijkheden hebben bezorgd en ertoe hebben geleid dat hij eerst na enige maanden, dit in tegenstelling tot het bij G. Rooseboom gepubliceerde, in zijn functie werd hersteld. Daar zijn gezondheid onder dit alles sterk had geleden, zag hij zich genoodzaakt nog in 1945 de Koningin zijn ontslag aan te bieden. Bij K.B. van 20 september 1945 nr. 16 werd hem dit met ingang van 1 oktober verleend onder dankbetuiging voor de vele gewichtige diensten den lande bewezen.

Wentholt was een voor zijn tijd bijzonder kundig ingenieur, die grote verdiensten heeft gehad voor het Nederlandse waterstaatswezen. Ook in het buitenland was hij een geziene figuur, hetgeen mede zijn oorzaak vond in het lidmaatschap van internationale commissies op het gebied van de scheepvaartkundige- en de wegencongressen. Als ambtenaar was hij - zo bleek wel in de oorlogstijd - integer en vocht, soms tegen beter weten in, voor de Nederlandse zaak. Doch het menselijke was ook hem niet vreemd. Hij zag gaarne zijn naam gedrukt staan en zou nooit zijn stukken persoonlijk van en naar huis mede nemen, maar een bode van zijn dienst daarmede belasten.

A: Collectie-Wentholt in Centraal Bureau voor Genealogie; Werkarchief dr.ir. L.R. Wentholt in Ministerie van Verkeer en Waterstaat met inventaris door Jac. Vos Dzn.

P:

Behalve het in de tekst genoemde o.a. Stranden en strandverdediging (Delft, 1912. 2 dm.). Proefschrift Delft ; Rapport over de verbetering der bevaarbaarheid van de Hoogeveensche vaart ('s-Gravenhage, 1917); Over Friesche steen, in het bijzonder in Frieslandgebakken straatsteen ('s-Gravenhage, 1917); Das niederländische "Waterstaat"-Wesen, in Die Niederlande im Umbruch der Zeiten. Hrsg. Und bearb. von M. du Prel [und] W. Janke (Würzburg, 1941) 187-208.

L: G. Rooseboom in publikatie [S.l., ca. 1946] in bibliotheek van Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

J. Vos Dzn.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013