Westerouen Van Meeteren, Frederik Willem (1851-1904)

 
English | Nederlands

WESTEROUEN VAN MEETEREN, Frederik Willem (1851-1904)

Westerouen Van Meeteren, Frederik Willem, technoloog (Amsterdam 13-8-1851 - Amsterdam 6-2-1904). Zoon van Bernhard Theodor Anne Westerouen van Meeteren, fabrikant (koren- en pelmolenaar A'dam; fabrikant-eigenaar terracottafabriek Utrecht), en Hermina Maria Jacoba Insinger. Gehuwd op 18-2-1875 met Willemina Elisabeth van Hasselt. Het huwelijk bleef kinderloos.

Na in 1868 het eindexamen HBS in Utrecht te hebben afgelegd, studeerde hij te Delft aan de Polytechnische School tot 1871. In laatstgenoemd jaar verhuisde hij naar Haarlem, waar zijn moeder zich na de dood van haar man had gevestigd. Ook na zijn huwelijk bleef hij in deze stad wonen, waar hij enige tijd lid was van de in 1853 door C. Busken Huet en J.T. Buys opgerichte 'Haarlemsche Debating Society'; uit de ledenlijst zou zijn op te maken dat hij toen nog geen maatschappelijke functie bekleedde. In 1884 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen. Sindsdien gaf hij op technoloog van beroep te zijn. Van 1883-1885 maakte hij deel uit van de directie van de in het eerstgenoemde jaar opgerichte N.V. Het Neder-landsch Handelsmuseum, die ten doel had een handelsmuseum tevens bureau voor handelsinlichtingen te exploiteren. Hoewel deze vennootschap slechts kort bestond, kan zij als de voorloper worden beschouwd van het in 1903 opgerichte Bureau voor Handelsinlichtingen aldaar.

Van Meeteren is in feite zijn gehele verdere leven opgetreden als onafhankelijk adviseur voor veiligheid en hygiëne in fabrieken en werkplaatsen. In aanraking gekomen met het werk van De "Association pour prévenir les accidents de fabrique" te Mülhausen, publiceerde hij in 1890 een brochure over dit werk. Aanvankelijk meer verwachtende van het particulier initiatief dan van staatsbemoeiing, werd door hem samen met mr. H.J.A. Mulder in hetzelfde jaar te 's-Gravenhage de Ned. Vereeniging tot Voorkoming van Ongelukken in Fabrieken en Werkplaatsen opgericht. In deze vereniging was Van Meeteren behalve bestuurslid ook technisch adviseur. Het op onregelmatige tijden verschenen orgaan van deze vereniging, De Veiligheid genaamd, bevat tal van artikelen van zijn hand. In 1891 werd Van Meeteren ook benoemd tot technisch adviseur van de 2e Afd. van de Eerste Verzekeringsmij. op het Leven en tegen Invaliditeit, belast met de fabrieksinspectie. Sedertdien trad hij op tal van binnen- en buitenlandse veiligheids- en sociale verzekeringscongressen op de voorgrond. In 1893 verscheen zijn belangrijkste publikatie Handboek der Nijverheidshygiëne in 2 delen. Vanuit zijn bijzondere belangstelling voor veiligheid en gezondheidszorg in de nijverheid, strekten Van Meeterens activiteiten zich ook uit over het wijdere veld van het bedrijfsleven. Na reeds van 1883 af lid te zijn geweest, viel hem van 1898-1904 het voorzitterschap van het Departement Amsterdam van de Ned. Mij. ter bevordering van Nijverheid, evenals het hoofdbestuurslidmaatschap ten deel. Lange tijd was hij ook redacteur van de van deze organisatie uitgaande wekelijkse courant De Nijverheid. Voorts was hij van 1890-1900 lid van het Kon. Instituut van Ingenieurs. Door zijn verbindingen met het verzekeringswezen werden hem verschillende commissariaten bij verzekeringsmaatschappijen toevertrouwd.

Nadat de Ongevallenwet - 1901 in werking was getreden - aan de totstandkoming waarvan Van Meeteren in de laatste fase in bescheiden mate heeft bijgedragen - namen zijn activiteiten op het terrein van veiligheid in fabrieken en werkplaatsen af. Van belang is nog dat hij samen met zijn vrouw de totstandkoming van zg. volksbadhuizen in Amsterdam bevorderde en daarmee opnieuw bewees hoezeer veiligheid en hygiëne hem in het algemeen ter harte gingen. Zelfheeft Van Meeteren eens van zijn activiteiten voor arbeidsveiligheid en arbeidshygiëne gezegd: 'Het eigenaardige van mijn standpunt is geweest, dat het te radikaal voor zg. liberalen, te conservatief voor de radikalen was. Ook in de dagen dat ik in persoon fabrieken dirigeerde heb ik steeds getracht te doen, wat ik meende dat mijn plicht was tegenover werklieden, maar heb zeer vast gestaan tegen eischen, die in mijn oog onbillijk waren.'

P: Tijdschrift der Maatschappij van Nijverheid 70 ( 1903) 51-53 vermeldt de lijst van zijn publikaties.

L: Tijdschrift der Maatschappij van Nijverheid 71 (1904) 57, 105,131; W. de Vries Wzn., De invloed van werkgevers en werknemers op de totstandkoming van de eerste sociale verzekeringswet

W. de Vries Wzn.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013