Wijck, jhr. Carel Herman Aart van der (1840-1914)

 
English | Nederlands

WIJCK, jhr. Carel Herman Aart van der (1840-1914)

Wijck, jhr. Carel Herman Aart van der, gouverneur-generaal (Ambon 29-3-1840 - Baarn 8-7-1914). Zoon van jhr. Herman Constantijn van der Wijck, lid van de Raad van Indië, en Marianne Susanna Lucia de Kock van Leeuwen. Gehuwd op 15-3-1871 met Constance Wilhelmine van den Broek, uit welk huwelijk 3 dochters (van wie 1 jonggestorven) en 1 zoon werden geboren.

Als oudste in een gezin van 12 kinderen, bracht Van der Wijck zijn vroegste jeugd in Indië door. Voor zijn verdere opvoeding naar Nederland gezonden, bezocht hij eerst het gymnasium te Zutphen en daarna de Koninklijke Academie voor de opleiding van Indische bestuursambtenaren te Delft. In 1863 werd hij benoemd tot ambtenaar van de tweede klasse voor de burgerlijke dienst in Nederlands-Indië, waardoor hij benoembaar was in alle ambten met uitzondering van de rechterlijke.

Te Batavia aangekomen, werd hij in 1864 in de rang van tweede commies op de Algemene Secretarie geplaatst; in 1865 volgde zijn bevordering tot eerste commies. In 1866 ging Van der Wijck als hoofdcommies over naar het pas opgerichte departement van Binnenlands Bestuur. Twee jaar later, in 1868, trad hij in de rangen van het eigenlijke binnenlands bestuur door zijn benoeming tot secretaris van de residentie Batavia. In 1873 werd hij als assistent-resident te Soerakarta geplaatst; in 1876 volgde zijn overplaatsing in die zelfde rang naar Buitenzorg. Voor zijn doortastend optreden bij de beteugeling van ongeregeldheden die zich in 1878 voordeden op het particuliere land Tjitrap verwierf hij een bijzondere tevredenheidsbetuiging van het gouvernement.

In 1880 werd hij benoemd tot resident van Tegal op de grens van West- en Midden-Java. In dit gewest waar de bevolking gebukt ging onder de last van de suikerindustrie met de daaraan tot 1890 deels nog verbonden bestuursdwang wist hij een regeling te treffen voor de conflicten over het gebruik van bevloeiingswater dat én voor de fabrikanten, voor zover afhankelijk van waterkracht voor hun machines, én voor de bevolking onmisbaar was. In 1884 volgde zijn aanstelling tot resident van het belangrijke gewest Soerabaja. Hier is hij onder meer betrokken geweest bij plannen tot verbetering van de waterhuishouding van de Solovallei. Een nota van Van der Wijck van 29 oktober 1887 over deze kwestie is gepubliceerd in Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs... Instituutsjaar 1890-1891, XXXIII-XXXV.

In 1888 werd Van der Wijck benoemd tot lid van de Raad van Nederlands-Indië. Hij drukte hiermede de voetsporen van zijn vader die in 1860 eveneens promotie van resident van Soerabaja tot 'Edeleer' had gemaakt.

Het jaar daarop kwam de betrekking van vice-president van de Raad vacant. Het lag niet voor de hand dat Van der Wijck, toen het jongste lid van de Raad, in deze vacature zou worden benoemd. De drie overige leden kwamen echter niet in aanmerking, vermoedelijk omdat zij zich te veel hadden aangesloten bij gouvemeur-generaal O. van Rees die in 1888 naar aanleiding van de bekende Tjiomas-zaak zijn ontslag vroeg. Zowel minister van Koloniën L.W.C. Keuchenius als de nieuwe gouverneur-generaal C. Pijnacker Hordijk hadden graag jhr. H. van der Wijck, een broer van het Raadslid en sedert 1880 secretaris-generaal aan het ministerie van Koloniën (niet te verwarren met een derde broer die sinds 1883 dezelfde betrekking aan het departement van Marine vervulde), als de nieuwe vice-president van de Raad zien optreden. Keuchenius achtte deze jongere broer zelfs volkomen capabel om te zijner tijd tot gouverneur-generaal te worden benoemd. Aangezien het Regeringsreglement echter verbood, dat broers gelijktijdig in de Raad van Indië zitting hadden, kwam deze jongere Van der Wijck niet in aanmerking. Vervolgens weigerden het oud-lid van de Raad S.C.H. Nederburgh en de president van de Javasche Bank N.P. van den Berg de benoeming. De eerste om gezondheidsredenen, de laatste omdat hij geen afstand wilde doen van zijn belangen in een cultuuronderneming. Van der Wijck had zijn onverwachte benoeming tot vice-president van de Raad - het hoogste ambt op dat van gouvemeur-generaal na dat voor Indische ambtenaren bereikbaar was - dus wel aan een zeer toevallige samenloop van omstandigheden te danken.

Het ambt van vice-president heeft Van der Wijck slechts twee jaar bekleed. In 1891 kreeg hij op zijn verzoek eervol ontslag uit 's lands dienst. Hij had toen bijna 28 jaar ononderbroken in Indië doorgebracht, hetgeen zelfs voor die tijd ongehoord lang was.

Het ambteloze leven in Nederland is echter maar van korte duur geweest. Nadat hij reeds in het begin van 1893 Indië opnieuw had bezocht als commissaris van de in 1888 opgerichte Koninklijke Paketvaart-maatschappij, werd hij dat zelfde jaar op voordracht van de liberale minister van Koloniën W.K. baron Van Dedem benoemd tot opvolger van de aftredende gouverneur-generaal Pijnacker Hordijk. Deze benoeming vond in de pers in het algemeen veel bijval, al spraken enkele Indische dagbladen de vrees uit, dat de nieuwe landvoogd mogelijk niet geheel vrij was van een zekere neiging tot nepotisme. Daarvan is evenwel onder Van der Wijcks bestuur weinig gebleken.

Van der Wijcks ambtsperiode als gouverneur-generaal (17 oktober 1893 - 3 oktober 1899), één jaar langer dan normaal omdat men in 1898 de troonsbestijging van koningin Wilhelmina niet wilde laten samenvallen met een verandering in de onderkoninklijke waardigheid, werd gekenmerkt door twee belangrijke gebeurtenissen in het militaire vlak.

In 1894 kwam het Nederlandse gouvernement op initiatief van Van der Wijck tussenbeide op Lombok waar een bloedige strijd woedde tussen de Balinese heerserskaste en de autochtone bevolking die de Islam aanhing. Zoals in 1873 ook in Atjeh het geval was geweest, had het Indische leger de tegenstander, in dit geval de Balinezen, onderschat. De expeditionaire macht van ± 2.500 man, onder leiding van de generaal-majoor J.A. Vetter, werd in de avond van 25 augustus 1894 onverhoeds aangevallen en moest met zware verliezen naar de kust afdeinzen. Bijna 1/6 deel van het expeditielegertje sneuvelde, raakte gewond of werd gevangen genomen. Het bericht van deze nederlaag maakte zowel in Indië als in Nederland diepe indruk, ook omdat men de terugslag daarvan op Atjeh vreesde. In deze moeilijke situatie trad Van der Wijck kordaat op. Op grote schaal werden militaire versterkingen naar Lombok gezonden die nog voor het einde van het jaar de pacificatie voltooiden. Anders dan aanvankelijk in de bedoeling had gelegen, werd het regerende Balinese vorstengeslacht afgezet en het eiland onder rechtstreeks Nederlands bestuur geplaatst.

Wat op het kleine Lombok mogelijk was, lag niet zo eenvoudig in Atjeh. Hier woedde reeds meer dan twintig jaar een ware volksoorlog tegen de Nederlanders. Het Indische leger had zich in 1884 moeten terugtrekken achter een postenketen - de fameuze 'geconcentreerde linie' - die slechts een klein deel van Atjeh omvatte. Sinds 1893 hadden de Nederlandse troepen zich weer buiten deze linie gewaagd, waarbij zij werden gesteund door het invloedrijke Atjehse hoofd Toekoe Oemar. In maart 1896 sloten deze en zijn van Nederlandse wapens voorziene volgelingen zich echter weer bij hun landgenoten in de strijd tegen de 'kompenie' aan, waardoor de militaire toestand uiterst precair werd.

Ook dit keer trad Van der Wijck met voortvarendheid op. De gouverneur van Atjeh, generaal-majoor C. Deijkerhoff, die voor het 'verraad' van Toekoe Oemar aansprakelijk werd gesteld, kreeg telegrafisch zijn ontslag aangezegd en een grote troepenmacht landde reeds enkele weken later te Kota Radja. Bij deze expeditiemacht was ook overste J.B. van Heutsz die al in 1893 publiekelijk een krachtig militair optreden in Atjeh had aanbevolen. Hij genoot bij dit streven de steun van de Islam- en Atjehkenner C. Snouck Hurgronje. Van der Wijck had echter bezwaren tegen Van Heutsz die vooral in het persoonlijke vlak lagen. Hij vond hem een goed troepenaanvoerder, maar 'zijn gezwets en gesnork wijst op gemis aan bezadigdheid, hij is een intrigant en in waarheidsliefde schijnt hij te kort te schieten, indien dit in zijne kraam te pas komt.' (Van der Wijck aan Snouck Hurgronje, 13 juni 1896). Het duurde dan ook tot 1898 voordat Van Heutsz tot gouverneur van Atjeh werd benoemd, met Snouck Hurgronje als persoonlijk adviseur naast hem. De oorlog nam onder de leiding van dit tweetal nu definitief een voor de Nederlanders gunstige wending, zodat reeds aan het einde van 1899 het grote verzet was gebroken. In Nederland vond deze nieuwe Atjeh-politiek, na enige aarzeling bij minister van Koloniën J.H. Bergsma, veel bijval. Een motie-Van Kol, die de oorlog met Atjeh 'een nationale ramp' noemde en waarin werd aangedrongen op beëindiging van de strijd, werd op 18 november 1897 met 72 tegen 3 stemmen door de Tweede Kamer verworpen.

Meer kritiek in de Staten-Generaal kreeg Van der Wijck bij zijn bemoeienissen met de verhuur van gronden door de Javaanse bevolking aan de suikerfabrikanten. Men meende dat hij te veel de zijde koos van de fabrikanten die de particuliere suikerindustrie zouden hebben doen ontaarden in een vermomd dwangstelsel.

Met de door minister Van Dedem in 1893 ingediende wetsontwerpen tot reorganisatie en decentralisatie van het Indische bestuur kon Van der Wijck zich in het algemeen wel verenigen, al was hij van mening dat de minister op enkele punten te hard van stapel liep. Op zijn beurt wilde Van der Wijck verder gaan dan Van Dedem, voor zover hij een lans brak voor het vaststellen van de Indische begroting in Indië zelf, hetgeen er dus op zou zijn neergekomen dat Nederland het budgetrecht uit handen gaf. Van de plannen tot een bestuursherziening kwam voorlopig echter niets, omdat Van Dedems opvolger Bergsma de wetsontwerpen niet opnieuw bij de Tweede Kamer aanhangig maakte.

Onder het bestuur van Van der Wijek werd verder een begin gemaakt met de invoering van de opiumregie. Deze maatregel, die pas in 1904 geheel was voltooid, beoogde een einde te maken aan de vele misbruiken waartoe de verpachting van de opiumdistributie aan Chinese belastingpachters in het verleden aanleiding had gegeven.

Na zijn terugkeer in Nederland bekleedde Van der Wijck nog vele functies en commissariaten in het bedrijfsleven. De belangrijkste functie, waarop ook wel kritiek is gekomen omdat men haar niet geheel passend vond voor een oud-gouverneur-generaal die zelfs de schijn moest vermijden dat hij door zijn ambtsbezigheden ooit tot zulk een lucratieve benoeming aanleiding had kunnen geven, was die van president-commissaris van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië (de 'Koninklijke') van 1903 tot 1913. In kringen van de Nederlandsche Handel-Maatschappij sloeg men zijn kennis van zaken niet zo hoog aan, want Van der Wijck heeft tevergeefs getracht na de dood van F. Alting Mees in 1900 in diens plaats tot president van dat lichaam te worden benoemd. Van zijn andere betrekkingen kunnen nog worden genoemd het voorzitterschap van de in 1902 ingestelde Mijnraad en het lidmaatschap van de Eerste Kamer dat hij in 1904 evenwel slechts zeer kort, als opvolger van de Unie-Liberaal J.P.R. Tak van Poortvliet, heeft bekleed.

Van der Wijck was in zijn vrije tijd nog een ijverig genealoog. Zo maakte hij de uitgave mogelijk van een groot familiestamboek Het Münstersche geslacht van der Wijck door W. Moorrees ('s-Gravenhage, 1911).

Hoewel niet een man van grote intelligentie of brede visie, had Van der Wijck een open oog voor de rol die het westerse bedrijfsleven bij de openlegging van Indië kon spelen. Hij was evenals Van Heutsz een typische 'empire-builder'. Zijn bestuur als gouverneur-generaal werd in het algemeen gunstig beoordeeld. Hij legde een besluitvaardigheid aan de dag waaraan het onder zijn voorgangers nogal eens had ontbroken. Hierbij mag men overigens niet uit het oog verliezen, dat Van der Wijck het getij mee had. Het tijdvak van strikt doorgevoerde bezuinigingen op allerlei terrein behoorde in de jaren negentig grotendeels tot het verleden. Nederland was zich, in verhouding tot andere landen rijkelijk laat, rol en 'roeping' als imperiale mogendheid bewust geworden.

A: Een particuliere briefwisseling tussen gouverneur-generaal Van der Wijck en de verschillende ministers van Koloniën in de jaren 1893-1899 is bewaard gebleven en berust op het Algemeen Rijksarchief. Prof. S.L. van der Wal publiceerde daaruit fragmenten in: De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Eerste stuk 1891-1926. Een bronnenpublikatie. Bew. door S.L. van der Wal (Groningen, 1964) 589-598. Zie voor zijn correspondentie met Snouck Hurgronje: K. van der Maaten, Snouck Hurgronje en de Atjeh oorlog (Rotterdam, 1948) II, 1-38; dit materiaal is ten dele ontleend aan de collectie-Snouck Hurgronje die in beheer is bij de Stichting Oosters Instituut te Leiden.

P: Publikaties van Van der Wijck, buiten die welke in de tekst zijn vermeld, zijn niet bekend.

L: P. Heyting, 'Jhr. C.H.A. van der Wijck' in Eigen Haard 18 (1893) 584-586; zie voor persstemmen over zijn benoeming tot gouverneur-generaal De Indische Gids 15 (1893) II, 1638-1640, 1644-1645; J.J. Staal, in Eigen Haard 40 (1914) 561-564; E.A.A. van Heekeren, in De Indische Gids 36 (1914) II, 1057-1062; Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (2e dr. 's-Gravenhage, 1921) IV, 796; D.J.M. Kleymans, Het Trojaanse paard. Voorgeschiedenis der gemeentelijke en gewestelijke raden in Nederlands-Indië 1856-1897 (Rotterdam, 1948) 147-156.

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013