Wijffels, Franciscus Cornelis Marie (1899-1968)

 
English | Nederlands

WIJFFELS, Franciscus Cornelis Marie (1899-1968)

Wijffels, Franciscus Cornelis Marie, mijningenieur en politicus (Stratum bij Eindhoven 10-4-1899 - Delft 22-3-1968). Zoon van Cornelis Wijffels, postkantoorhouder, en Maria Catharina Johanna van Luijtelaar. Gehuwd sinds 3-5-1926 met Fernanda Maria Rath, die overleed op 22-8-1960. Uit dit huwelijk werden 3 zonen en 5 dochters geboren. Vanaf 19-7-1963 gehuwd met Emilie Josepha Johanna Bosch, waardoor hij stiefvader werd van haar 3 zonen en 4 dochters. afbeelding van Wijffels, Franciscus Cornelis Marie

Opgegroeid in een katholiek milieu, doorliep Frans Wijffels de Rijks-HBS te 's-Hertogenbosch, voordat hij mijnbouwkunde ging studeren aan de Technische Hogeschool te Delft. In 1925 trad hij in dienst van de Staatsmijnen en vestigde hij zich definitief in de oostelijke mijnstreek. Wijffels' interesse als mijningenieur ging vooral uit naar de problematiek van de ondergrondse luchtcirculatie. Zijn persoonlijke belangstelling voor sociale vraagstukken bleek ook bij zijn wethoudersfunctie in de gemeente Brunssum (1935-1939).

Toen in juli 1940 de Nederlandse Unie werd opgericht, sloot Wijffels zich daar enthousiast bij aan; als leider van het gewestelijk secretariaat Limburg verwierf hij provinciale betekenis en bekendheid, mede hierdoor tijdens de oorlog veel contacten leggend buiten eigen kring van katholieken en van intellectuelen. Bij de april-mei-stakingen van 1943 werd Wijffels op 3 mei door de Duitse bezetter gearresteerd en daarop uit het mijnbedrijf ontslagen. Na een korte gijzeling in Beekvliet van 19 mei tot 13 juli bleef hem niets anders over dan tijdelijk werk te zoeken bij de Kunstzijdefabrieken in Arnhem. De bevrijding in september 1944 bracht hem terug bij de Staatsmijnen in de taak van contactpersoon tussen de nieuw ontstane personeelscommissies en de directie.

Als acceptabele figuur voor verzetskringen en voor het Militair Gezag behoorde Wijffels samen met L.J.M. Beel en A.F.C. de Casembroot tot de leiding van een kleine delegatie uit het bevrijde zuiden, die naar Engeland overstak om bij koningin Wilhelmina te Londen de problemen van regering en vernieuwing in het nog door de oorlog gespleten Nederland te bespreken. Waarschijnlijk als gevolg hiervan werd hij opgenomen in het tweede kabinet-Gerbrandy als minister van Sociale Zaken (23 februari-24 juni 1945). Tot zijn portefeuille behoorde ook het mijnwezen; vooral op dit terrein nam hij belangrijke besluiten, betreffende een verhoging van de mijnwerkerspensioenen, de onder beheer stelling van de particuliere steenkolenmijnen en de vaststelling van de eerste landelijke publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in het Mijnstatuut 1945. Dit laatste betekende de vervulling van een lang door Wijffels c.s. gekoesterd ideaal: een harmonische samenwerking van de factoren kapitaal, arbeid en leiding leek voor althans één bedrijfstak verzekerd te zijn.

De botsing van dat ideaal met de werkelijkheid maakte Wijffels mee als de eerste voorzitter van het hoogste in het Mijnstatuut voorziene overlegorgaan, de Mijnindustrieraad (oktober 1945 - maart 1948); deze functie combineerde hij met die van inspecteur-generaal der mijnen. De particuliere mijnondernemingen weigerden aanvankelijk mee te werken aan het instellen van ondernemingsraden; het noodzakelijke overleg met de beheerder van de Nederlandse steenkolenmijnen, Ch.Th. Groothoff, en met de minister van Economische Zaken, G.W.M. Huysmans, verliep niet naar wens. Teleurgesteld nam Wijffels ontslag en hij vervulde daarna tot zijn pensionering een researchfunctie bij de Staatsmijnen.

Wijffels was bovendien voor de KVP van eind 1945 tot midden 1948 lid van de Eerste Kamer en in de jaren 1952-1955 lid van de Tweede Kamer, als expert voor economische aangelegenheden, in het bijzonder ten aanzien van de mijnindustrie. Verder was Wijffels lid van de Provinciale Staten van Limburg van 1950-1958 en van 1962 tot 1966, de laatste periode als fractievoorzitter van de KVP. Zelf jarenlang curator van de Technische Hogeschool te Delft, ijverde hij sterk voor het vestigen van een universiteit in Limburg.

Wijffels was, met een grote afkeer van eigenlijke vakbondsstrijd een sociaal voelend man. Dat hielp hem om, als exponent van de nieuwe generatie katholieke intellectuelen en als representant van het voor de energievoorziening onontbeerlijke mijnbedrijf na de bevrijding van Zuid-Nederland een snelle carrière te maken. Als bestuurder schoot hij in de daaropvolgende jaren echter te kort door zijn gebrek aan realiteitszin en vasthoudendheid. De politieke betekenis van Wijffels bleef daarom beperkt en had in het bijzonder voor eigen provincie een zeker belang; een uitzondering hierop vormde het Mijnstatuut dat zijn stempel draagt en een nationale invloed heeft gehad.

A: Archief-Wijffels in het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg.

P: Naast technische artikelen in vaktijdschriften en stukken over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in De Tijd schreef Wijffels onder andere 'De problematiek van de mijnbouw', in Het Gemenebest 10 (1949-1950) 138-158 en 'Industrialisatie in Nederland en integratie van Europa. Sociaal-economische aspecten', in Annalen van het Thijmgenootschap 41 (1953) 186-204.

L: C.P.E.M. Raedts, in Geologie en Mijnbouw 47 (1968) 4 (juli/ augustus) 309-310; Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1950) 5e, 667-674.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: London; Collectie ANEFO].

W.J.M. Klaassen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013