Witlox, Johannes Henricus Josephus Maria (1886-1955)

 
English | Nederlands

WITLOX, Johannes Henricus Josephus Maria (1886-1955)

Witlox, Johannes Henricus Josephus Maria, historicus en journalist (Waalwijk 26-2-1886 - Schijndel 18-4-1955). Zoon van Hendrikus Johannes Maria Witlox, fabrikant, en Maria Antonia Bressers. afbeelding van Witlox, Johannes Henricus Josephus Maria

Na de lagere school in Waalwijk bezocht te hebben, ging Jan Witlox op tienjarige leeftijd vanuit het gezin met elf kinderen naar de broederkostschool 'Saint Louis' te Roermond. Drie jaar later werd hij leerling van het zesjarige klein-seminarie 'Beekvliet' te Sint-Michielsgestel, dat geen officieel erkend eindexamen had, maar een seminarie-examen. In 1907 behaalde hij het staatsexamen gymnasium, waarvoor alleen de meest begaafde leerlingen van het seminarie werden opgegeven. Hij zette zijn priesterstudie voort op het groot-seminarie te Haaren (2 jaar filosofie en 4 jaar theologie). Deze opleiding werd afgesloten met zijn priesterwijding op 10 juni 1911 te 's-Hertogenbosch door bisschop mgr. W. van de Ven. Hierna ging hij Nederlandse taal en letteren studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij zowel het kandidaatsexamen (6 juni 1914) als het doctoraal examen (1 juni 1917) - typerend voor zijn werkkracht en intelligentie - cum laude aflegde. Met het studentenleven, o.a. de R.K. studentenvereniging 'Sint Thomas', schijnt hij zich maar kort beziggehouden te hebben. Wel publiceerde hij in het Roomsch Studentenblad onder meer over de noodzaak tot oprichting van een katholieke universiteit in Nederland. Witlox, een van de weinige Brabantse priester-academici, mengde zich hiermee in de al jaren durende strijd om de oprichting van een katholieke universiteit, die door vele geloofsgenoten (en onder hen met name academici en studenten) met huiver tegemoet gezien werd als een al te exclusief onderwijs- en wetenschapscentrum.

In april 1919 promoveerde hij, eveneens cum laude, bij prof. H. Brugmans op het eerste deel van De katholieke staatspartij in haar oorsprong en ontwikkeling geschetst (1919), onder welke eigenaardige titel hij behandelt De Noord-Nederlandsche katholieken in de politiek onder koning Willem I zoals de ondertitel luidt. Noch de teleologisch overkomende keuze van de hoofdtitel noch de keuze van het beginpunt in 1813 (i.p.v. bijv. 1780) worden overtuigend gemotiveerd. In het 'Voorwoord' kondigt Witlox aan eerlang deel twee te laten verschijnen over de politieke lotgevallen van de Nederlandse katholieken tijdens koning Willem II en 'na zeer geruimen tijd' het derde deel: De Katholieken als Thorbeckiaan van 1849- ±1870. Zelfs hoopt hij de 'laatste periode van ±1870 tot 1896-97' ook nog te kunnen behandelen. Witlox heeft zijn levensprogram uitgevoerd, zij het dat het derde deel onder de door hem zelf nog veranderde titel De staatkundige emancipatie van Nederlands katholieken 1848-1870 (Bussum, 1969), en het vierde deel in de vorm van de trilogie Schaepman als staatsman (1960) postuum verschenen zijn. In deze zes boekdelen heeft Witlox na uitvoerig bronnenonderzoek en gedegen bestudering van de literatuur de politieke bewustwording van de Nederlandse katholieken in de negentiende eeuw indringend en minutieus beschreven met eerbied voor de uit de bronnen verkregen gegevens, maar met de achteraf duidelijk te constateren vooringenomen standpunten van de priester tegenover de eenvoudige leken, van de in hiërarchische kaders denkende ultramontaan tegenover minder starre geloofsgenoten, van de katholiek tegenover andersdenkende landgenoten, van de Brabander tegenover de overige Nederlanders.

Na ruim een jaar leraar Nederlands en geschiedenis te zijn geweest op het Sint Janslyceum te 's-Hertogenbosch werd hij 1 januari 1921, nadat een benoeming tot rector van de Leergangen te Tilburg in 1920 niet was doorgegaan, omdat men de vier jaar oudere priester dr. Th. Goossens als rector prefereerde, aangesteld ter opvolging van diezelfde Goossens als docent Nederlands en geschiedenis op het seminarie 'Beekvliet', waar hij tot 1929, volgens eigen zeggen, de gelukkigste jaren van zijn leven doorbracht als succesvol leermeester en prettig collega. In deze periode schreef hij tevens een groot aantal artikelen in tijdschriften, w.o. het Historisch Tijdschrift waarvan hij in 1923 medeoprichter was en redacteur bleef tot het einde en publiceerde hij het eerder aangekondigde tweede deel van De katholieke staatspartij. Daarnaast voerde hij een uitgebreide correspondentie met vooraanstaande katholieke politici en journalisten waarbij steeds terugkerende thema's waren de politieke eenheid van de Nederlandse katholieken, het behoud van de coalitie en in geen geval rooms-rode samenwerking. Deze briefwisseling en zijn politiek-historisch werk leidden mede tot zijn kandidatuur voor het hoofdredacteurschap van De Maasbode, het toonaangevende katholieke dagblad, waar hij na moeizaam verworven instemming van de Haarlemse bisschop J.D.J. Aengenent, die het Tweede Kamerlid mr. P.J.M. Aalberse prefereerde en van de Bossche bisschop A.F. Diepen, die Witlox voor zijn diocees wilde behouden, met ingang van 1 februari 1929 toch tot hoofdredacteur werd benoemd. Zijn vriend Aalberse werd politiek medewerker van het dagblad. De overgang naar Rotterdam was een ongelukkige stap. Witlox voelde er zich niet thuis en de functie van hoofdredacteur lag hem niet. Hij stimuleerde zijn medewerkers niet, wisselde nauwelijks of niet met hen van gedachten, gaf kortom geen leiding aan het redactieteam. Toen de opvolging van de in maart 1929 overleden hoogleraar in de geschiedenis dr. H.F.M. Huybers te Nijmegen aan de orde kwam, hoopte Witlox benoemd te worden, maar na lang overleg werd de leek dr. J.D.M. Cornelissen in 1930 tot hoogleraar benoemd tot grote teleurstelling van de Rotterdamse hoofdredacteur.

In mei 1936, vlak voor de viering van zijn vijfentwintigjarig priesterfeest, waarbij de paus hem de eretitel verleende van geheim kamerheer, stortte hij, mensenschuw, vereenzaamd en zich mislukt voelend, psychisch ineen. Pas in het najaar van 1937 kon hij zijn werkzaamheden hervatten, maar hij bleef vechten met de gevolgen van zijn breakdown. Hij leefde weer op toen hij in mei 1940 zijn ziel-zorgerlijke taak bij het bombardement van Rotterdam en de inval van de Duitsers kon uitoefenen en hij in oktober daarna door de bezetters uit zijn functie gezet werd, die hem verweten reeds voor de bezetting anti-Duitse ophitsing te hebben gevoerd, in het bijzonder in kerkelijke zaken, door de voorstelling te verbreiden alsof de katholieke kerk in Duitsland aan vervolging zou blootstaan. Bovendien verdacht men hem van verstandhouding met de Duitse jezuïet en Nazi-opposant Fr. Muckermann. Elke vorm van samenwerking met de Duitsers afwijzend, nam hij gretig de pen weer op voorzijn historisch werk. Dag in dag uit doorwerkend, schreef hij het derde deel van De katholieke staatspartij en zijn Schaepmantrilogie.

In mei 1945 nam Witlox zonder aarzelen het hoofdredacteurschap van De Maasbode weer op zich. Fel streed hij in deze 'doorbraak'-periode voor het behoud van de politieke eenheid der Nederlandse katholieken en even fel en met succes verzette hij zich tegen een door het episcopaat gesteund plan, voor het eerst uitgewerkt in 1944, om na de oorlog naast een katholiek landelijk volksblad (i.e. de Volkskrant) slechts één 'landelijk hoofdorgaan voor de financieel krachtiger, resp. intellectueel meer ontwikkelde lagen' van de katholieke bevolking (i.e. een gefuseerde De Maasbode-De Tijd) te laten terugkeren. Maar ook nu viel de leiding van de krant hem spoedig te zwaar. Eind 1947 werd hij geestelijk ziek en er trad geen herstel meer op. Met ingang van 1 september 1948 verliet hij De Maasbode definitief, maar nergens vond hij meer rust. Na veel verhuizingen werd hij uiteindelijk, toen ook zijn lichamelijke gezondheid achteruit ging, opgenomen in het Sint-Lidwinagesticht te Schijndel, waar hij 18 april 1955 overleed.

Als hoofdredacteur van De Maasbode was Witlox in zijn eigen ogen en in die van zijn redactiemedewerkers goeddeels een mislukking. Niettemin bleef De Maasbode tot de Tweede Wereldoorlog het belangrijkste en grootste katholieke dagblad. De Maasbode telde op het eind van de jaren dertig 51.000 abonnees (met bijbladen 69.000-80.000) tegen De Tijd 10.000 (met bijbladen 57.500) en de Volkskrant 25.000. Met weinig gevoel voor sociale en culturele zaken, was Witlox' politieke invloed toch groot. Zijn woorden - meer nog in zijn briefwisseling met politieke en kerkelijke leiders dan in zijn hoofdartikelen - wogen zwaar bij politieke beslissingen, met name bij kabinetsformaties. Aalberse en Witlox stonden 'in bijna dagelijkse briefwisseling' met elkaar. Witlox' geschiedkundige publikaties over de negentiende-eeuwse katholieke herleving, ten dele berustend op inmiddels verdwenen bronnenmateriaal, zijn onmisbaar voor de in dit onderwerp geïnteresseerde.

A: Witlox' papieren met o.a. enige onuitgegeven studies bevinden zich in het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken de bibliografie (tot 1959), in hieronder vermeld levensbericht van L.J. Rogier.

L: Hyacinth Hermans, in De Maasbode van 9 juni 1936; Anonieme bijdragen, ibidem 18 april 1955; L.J. Rogier, in J.H.J.M. Witlox, Schaepman als staatsman (Amsterdam, 1960. 3 dln.) dl. l, VII-XXXXVI; ook in L.J. Rogier, Terugblik en uitzicht (Hilversum [enz.], 1965) II, 433-467; idem, 'Verantwoording', in J.H.J.M. Witlox, De katholieke staatspartij... ('s-Hertogenbosch, 1919-1969. 3 dln.) III, 11-20.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1646.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013