Wittert, Everardus Bonifacius Fran├žois Frederik baron, (1875-1959)

 
English | Nederlands

WITTERT, Everardus Bonifacius François Frederik baron, (1875-1959)

Wittert, Everardus Bonifacius François Frederik baron, (toevoeging Van Hoogland bij vonnis Arr.Rb. te 's-Gravenhage 25-3-1904), heer van Hoogland, Emiclaer, Langenoorth en Bloemendaal, griffier en lid Eerste Kamer, voorzitter Vereeniging van Raden van Arbeid ('s-Gravenhage 2-4-1875 - Apeldoorn 24-12-1959). Zoon van Fredrik Adriaan Petrus baron Witten (van Hoogland), landeigenaar, en Augusta Carolina Maria Hubertina van Beerenbroek (naamswijziging bij vonnis Arr.Rb. Roermond op 4-9-1919 in Van Berenbroeck). Gehuwd op 6-4-1904 met Christina Helena barones Snouckaert van Schauburg, gescheiden op 10-11-1921. Op 5-2-1927 hertrouwd met Maria Elisabeth van Ekeren (tweede voornaam toegevoegd bij besluit Arr.Rb. 's-Gravenhage 30-7-1926; geadopteerd door barones Louise Charlotte Wilhelmine von Bonin op 12-8-1926). Uit het eerste huwelijk werden 4 zoons geboren, uit het tweede 1. afbeelding van Wittert, Everardus Bonifacius François Frederik,
baron

Wittert van Hoogland stamt uit een katholiek adellijk geslacht, dat in 1776 door keizerin Maria Theresia van Oostenrijk tot baron werd verheven en in 1815 bij de Nederlandse adel werd ingelijfd. Na het Gymnasium Haganum en het Gymnasium Katwijk te hebben bezocht, studeerde hij rechten in Leiden. In 1901 richtte hij Nederland's Adelboek op, dat vanaf 1903 jaarlijks zou verschijnen en genealogieën zou bevatten van Nederlandse adellijke geslachten. Tot 1946 bleef hij redacteur van dit jaarboek, waarvoor hij uitgebreide genealogische onderzoekingen verrichtte. Na zijn promotie op 16 februari 1904 op stellingen begon hij zijn loopbaan als adjunct-commies bij het departement van Waterstaat. In januari 1906 werd hij commies-griffier van de Eerste Kamer. Achter de schermen droeg hij in belangrijke mate bij aan de sociale wetten van minister A.S. Talma: de Invaliditeitswet en de Ziektewet. In 1909 werd op zijn initiatief de Nederlandsche Balije van de Orde van Maltha heropgericht, een katholieke tegenhanger van de Duitse of Johannieter Orde. Als afgevaardigde van de Malthezer Orde in het hoofdbestuur van het Nederlandsche Roode Kruis werkte hij nauw samen met het medebestuurslid prins Hendrik. Via de Malthezer orde had Witten grote invloed in de katholieke politiek. In 1918 volgde zijn benoeming tot secretaris van de Algemeene Bond van R.K. Rijkskieskringorganisaties, waarvan mederidder A.I.M.J. van Wijnbergen, een leidende figuur binnen de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP), voorzitter was. Maar anders dan de laatste behoorde hij tot de democratische richting binnen dit verbond, en was hij een vurig pleitvoerder voor de belangen van de arbeiders, daarvoor de bijnaam van 'de rode baron' verwervend.

Niettemin was hij het, die op 17 november 1918 een katholieke meeting tegen de revolutie in de Houtrusthallen in Den Haag voorzat. Warm voorstander van medezeggenschap van arbeiders in bedrijfsraden gaf Wittert zijn griffierschap van de Eerste Kamer gaarne prijs voor het voorzitterschap van de Raad van Arbeid in Den Haag. Op 18 oktober 1921 viel hem met algemene stemmen het voorzitterschap van de Vereeniging van Raden van Arbeid toe. Al sedert 13 april 1920 werd door hem het lidmaatschap van de Eerste Kamer voor de RKSP vervuld, waar hij bijdroeg tot de totstandkoming van de Ongevallenwet van 1921.

Op 21 maart 1921 zag Wittert zich genoodzaakt om ontslag te nemen als secretaris van de Algemeene Bond van R.K. Rijkskieskringorganisaties: persoonlijke en politieke menigsverschillen, waarbij de vraag van incidentele politieke samenwerking tussen de katholieke kamerfractie en de SDAP ter sprake kwam, leidden tot een openlijk conflict met de behoudende Van Wijnbergen. In een brochure Naar een nieuwe orde van zaken nam Wittert openlijk stelling. Samen met A.J. Veraart en M. van Poll vormde hij de Studie- en Debatingclub "St. Michael", een oppositiegroep binnen de katholieke partij. Op 30 januari 1925 werd de vrede gesloten: de Rooms-Katholieke Staatspartij werd gevormd met een democratische structuur en Van Wijnbergen trad af als voorzitter. Wittert stond nu op het hoogtepunt van zijn loopbaan: in 1926 werd hij getipt als minister van Sociale Zaken. Maar het liep anders: een ongelukkig huwelijk werd in 1921 met echtscheiding beëindigd en een tweede huwelijk noodzaakte hem na een breuk met de Rooms-Katholieke Kerk al zijn verkregen functies neer te leggen. Hij bracht daarna twee jaar door met reizen en met de bouw van zijn villa in Wassenaar. In 1929 werd hem toch weer het voorzitterschap van de Vereeniging van Raden van Arbeid aangeboden. Hij bleef ook na mei 1940 in functie, van mening, dat zijn persoonlijke invloed de Vereeniging van nationaal-socialistische invloeden vrij kon houden. Voor dit doel werd hij zelfs sympathiserend lid van de NSB, hetgeen na de bevrijding tot ontzetting uit zijn ambt leidde. Op 6 november 1946 verklaarde het Tribunaal te Amsterdam de beschuldiging, dat hij zich desbewust in strijd met de belangen van het Nederlandse volk had gedragen vervallen. Omdat hij de eerste jaren na de oorlog van inkomsten verstoken bleef en hij reeds vóór de oorlog door een ongelukkig financieel beheer en mislukte speculaties zijn vermogen had verloren, braken harde tijden aan. Na zijn vrijspraak in 1946 werd hem voorlopig elk pensioen onthouden. Eind 1947 kende het ministerie van Sociale Zaken hem 70 % toe, teneinde hem enigszins in staat te stellen om voort te leven. In 1950 werden hem echter wel zijn Koninklijke onderscheidingen ontnomen.

Wittert bracht zijn laatste jaren door met het opstellen van een omvangrijke serie ongepubliceerde memoires, waarin hij zich mede liet inspireren door zijn verbittering tegen de naoorlogse regeringen. Zo kwijnde het leven weg van een briljant, vurig en sociaal voelend, maar ook in vele opzichten naïef man, die in de jaren twintig belangrijk heeft bijgedragen aan een doorbraak van de sociale richting in de Katholieke politiek, maar door persoonlijke omstandigheden en door de wisselvalligheden van de oorlogstijd zelf niet heeft kunnen oogsten van hetgeen hij destijds had gezaaid.

A: Collectie-Wittert van Hoogland in Algemeen Rijksarchief; Familie-archief Wittert van Hoogland in Centraal Bureau voor Genealogie.

P: Geschiedenis van het geslacht Witten ('s-Gravenhage, 1914. 2 dln.), alsmede nog zes andere werken over zijn geslacht, o.a. Genealogie van het geslacht Witten... ([S.L], 1941); Politieke redevoeringen ('s-Gravenhage, 1926); De parlementaire geschiedenis der Sociale Verzekering, 1890-1940. (Haarlem, 1940. 2 dln.); Bijzonderheden uit het leven van mr. E.B.F.F. Wittert van Hoogland [Met een inl. van P.L. Gerritse], (Amsterdam, 1941); alsmede enige autobiografische brochures berustend in ARA.

L: M.D. Bogaarts, 'Het Verbond "St. Michaël"'. Doctoraalscriptie Nijmegen, 1967 in Algemeen Rijksarchief; P.L. Gerritse, Van arbeid en groei. Uit de geschiedenis van de Vereeniging van Raden van Arbeid... ([S.L], 1940); J.A.A. Bervoets, 'De levensloop van E.B.F.F. Wittert van Hoogland', in Verslag en bijdragen Rijksarchiefschool 1970-1971. 45-51.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1647.

J.A.A. Bervoets


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013