Arkel, Anton Eduard van (1893-1976)

 
English | Nederlands

ARKEL, Anton Eduard van (1893-1976)

Arkel, Anton Eduard van, scheikundige ('s-Gravenzande 19-11-1893 - Leiden 14-3-1976). Zoon van Dirk van Arkel, arts, en Anna Petronella Ris Lambers. Gehuwd op 21-7-1920 met Henderika Geertruida Adriani. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

afbeelding van Arkel, Anton Eduard van

Van Arkel ging, na het gymnasium in Den Haag te hebben doorlopen (1906-1912), medicijnen te Leiden studeren, maar zwaaide reeds in zijn eerste jaar om naar scheikunde in Utrecht. Zijn promotie volgde op 1 juli 1920 op een proefschrift: Uitvlokkingssnelheid van het seleensol. Promotor was H.R. Kruyt. Van Arkels dissertatie en eerste publikaties handelen over colloïdchemische problemen.

Van 1915-1920 was hij collegeassistent in Utrecht voor anorganische en colloïdchemie, van 1920-1921 assistent aan het farmacologisch laboratorium van de Leidse universiteit en van 1921-1934 als researchchemicus verbonden aan het natuurkundig laboratorium van de N.V. Philips Gloeilampenfabriek in Eindhoven. Bij Philips hield hij zich bezig met tal van onderzoekingen over metalen, dipoolmomenten en de invloed ervan op macroscopische eigenschappen van de materie (cohesie, kookpunt, oplosbaarheid, diëlektriciteitsconstante) en chemische binding. Van belang zijn zijn voorbereidingsmethoden voor zeer zuiver wolfraam, titaan en zirkoon door dissociatie van de damp van hun halogeniden aan een gloeiende kerndraad (1923 e.v. met J.H. de Boer en J.D. Fast). Met deze 'methode-Van Arkel' was het mogelijk de eigenschappen van deze metalen zeer nauwkeurig te bepalen, hetgeen van groot belang was voor hun technische bereiding en toepassing. Al vroeg hield Van Arkel zich intensief bezig met de uitbreiding en verdere ontwikkeling van het idee van W. Kossei de chemische binding in de anorganische scheikunde te beschouwen als een elektrostatische wisselwerking tussen ionen. Met dit model kon hij met enige fundamentele constanten van ionen (lading, straal, polariseerbaarheid) en van atomen (ionisatiepotentiaal, elektronenaffiniteit) een groot aantal eigenschappen van anorganische verbindingen bepalen en verklaren (zoals de bindingsenergie, vormingswarmte, structuur van de moleculen en kristallen, vluchtigheid, hydratatie- en oplosbaarheidsenergie, sterkte van zuren en basen, oppervlakte-energie van kristallen enz.).

De neerslag van zijn onderzoekingen werd in samenwerking met J.H. de Boer vanaf 1924 in het Chemisch Weekblad gepubliceerd en samengevat in het boek: Chemische binding als electrostatisch verschijnsel (1930 met supplement in 1937 en Duitse, Engelse en Franse vertaling). Later schreef hij alleen: De bouw der moleculen volgens de theorie van Kossei (1930, 2e dr. 1936) en Moleculen en kristallen (1941), waarvan in 1961 een geheel nieuwe zesde druk verscheen. Dit boek is door een gehele generatie studenten gebruikt, die Van Arkel - sinds zijn ordinariaat in de organische en fysische scheikunde te Leiden sedert 26 oktober 1934 - vertrouwd poogde te maken met de in zijn inaugurele rede ontwikkelde Nieuwere inzichten in de scheikunde (1934).

Ondertussen zette hij het onderzoek van het diëlektrisch gedrag van de dipoolvloeistoffen voort, dat leidde in 1932 tot de zg. vergelijking van Van Arkel en J.L. Snoek. De elektrostatische benadering werd door Van Arkel ook toegepast in de organische scheikunde. De resultaten van deze onderzoekingen zijn in de veertig dissertaties die onder zijn leiding zijn bewerkt, neergelegd. De elektrostatische behandeling van de chemische binding gaf de mogelijkheid tot een eenvoudige classificatie van de experimenteel bekende feiten te komen en leidde tevens tot nieuwe onderzoekingen. Zij was in het bijzonder belangrijk voor het middelbaar en hoger onderwijs. Alleen en met N.A. Brunt schreef Van Arkel verschillende artikelen over de toepassing van zijn theorie in het middelbaar onderwijs (Chemisch Weekblad 1934,1935) en met H.G.S. Snijder schreef hij een Leerboek der scheikunde gegrond op atoommodel en periodiek systeem (1936; 2e dr. 1937). In 1939 rondde Van Arkel zijn onderzoekingen over de metalen af met het boek: Reine Metalle (Herstellung, Eigenschaften, Verwendung), door 20 auteurs geschreven, waarin hij 12 van de 19 hoofdstukken schreef en een bijdrage leverde tot 6 andere. In Leiden reorganiseerde Van Arkel het chemisch practicum. Veel van zijn tijd besteedde hij aan het begeleiden van studenten en promovendi. Zijn belangstelling voor het middelbaar onderwijs leidde tot initiatieven tot de oprichting van het Lorentz-Lyceum in Eindhoven en Het Rijnlands Lyceum te Wassenaar.

Gedurende de bezetting, toen de universiteit van Leiden gesloten was, werkte hij enige tijd bij Philips. In 1947 werd zijn leerling C.J.F. Böttcher benoemd tot hoogleraar in de fysische scheikunde; Van Arkel doceerde van toen af tot aan zijn emeritaat op 29 mei 1964 de anorganische scheikunde - van 1955-1956 onderbroken door zijn rectoraat.

Zijn wetenschappelijke verdiensten - geheel nieuwe benadering van de anorganische scheikunde - vonden erkenning door zijn benoeming tot lid van verschillende wetenschappelijke genootschappen. Zo was hij sinds 1962 lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

P: Bibliografie in Chemisch Weekblad 60 (1964) 305-308.

L: E.W. Gorter en F.C. Romeyn, 'A.E. van Arkel. On the occasion of his retirement from the chair in inorganic chemistry at Leyden University', in Chemisch Weekblad 60 (1964) 298-308; E.J.W. Verwey (met een addendum door W.G. Burgers), in Jaarboek Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1976, 184-192.

I: Jaarboek [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1976 (Amsterdam 1977) t/o 184 [Van Arkel circa 1964].

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013