Aten [sr.], Adriaan Hendrik Willem (1877-1950)

 
English | Nederlands

ATEN [SR.], Adriaan Hendrik Willem (1877-1950)

Aten [sr.], Adriaan Hendrik Willem, scheikundige (Wormerveer 16-12-1877 - Hilversum 8-3-1950). Zoon van Adriaan Aten, pelder, en Aaltje Verdam. Gehuwd op 5-3-1907 met Jacqueline Henriette Agathe van Iterson. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

Aten doorliep de HBS in Zaandam, legde het staatsexamen af en studeerde scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam (1896-1904). Op 17 maart 1904 promoveerde hij onder H.W. Bakhuis Roozeboom op een dissertatie: Onderzoekingen over het stelsel zwavel en chloor. Hij was daarna waarnemend directeur van het rijkslandbouwproefstation in Wageningen tot zijn benoeming tot lector in de elektrochemie aan de Universiteit van Amsterdam (2-1-1907). Hij aanvaardde dit ambt op 8 oktober 1907 met het uitspreken van een openbare les. Op 28 mei 1919 volgde zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar in de elektrochemie, welk ambt hij op 29 september 1919 aanvaardde met een oratie: De beteekenis van de electrochemie in de wetenschap en in de praktijk. Toen G. Hondius Boldingh met emeritaat ging werd Atens leeropdracht uitgebreid met de analytische scheikunde (25-4-1930). Op 26-9-1941 volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar. Op 20 september 1948 ging hij met emeritaat, maar hij kon zijn leeropdracht met een jaar verlengen tot in zijn opvolging was voorzien. In oktober 1949 nam hij officieel afscheid.

Atens vroegste onderzoekingen liggen op het gebied van de fasenleer, geheel in de geest van zijn leermeester Bakhuis Roozeboom. Hij onderzocht o.a. pseudobinaire systemen (1905 vlg.) en de verschillende moleculesoorten van zwavel (1912 vlg.) en verzorgde het derde stuk van deel II van Bakhuis Roozebooms niet voltooide standaardwerk: Die heterogenen Gleichgewichte vom Standpunkte der Phasenlehre (Braunschweig, 1901-1918, 3 dl.) onder de titel: Systeme aus zwei Komponenten. Pseudobinäre Systeme (1918). Door zijn leeropdrachten verplaatste Atens onderzoeksveld zich langzamerhand van de fasenleer naar de elektrochemie en de analytische chemie. Hij bestudeerde o.m. het geleidingsvermogen van gesmolten zouten en van oplossingen van metalen in gesmolten zouten (1909), de elektrolytische afscheiding van metalen (1916), elektro-osmose (1921), de waterstofelektrode (1923) en met P.J.H. van Ginneken de vorming van saccharaten in oplossing en het carbonatieproces in de sapzuivering van de suikerwiniung (1926). Veel van de resultaten van zijn wetenschappelijk werk is neergelegd in de dissertaties en publikaties van zijn leerlingen. Zijn grootste verdienste is het vele werk dat hij deed voor de modernisering van het onderwijs aan de Amsterdamse universiteit. Het in 1907 nog geheel nieuwe vak elektrochemie werd door hem uitgewerkt tot een volledige studierichting. In de analytische chemie schonk hij grote aandacht aan de theoretische grondslagen en aan nieuwe technieken als druppelreacties, spectroscopie en spectrografie, spectrofotometrie, polarografie, elektro-analyse en elektrochemische titraties.

Aten had een grote belangstelling voor de toegepaste scheikunde. Hij was adviseur van het Gemeente-energiebedrijf te Amsterdam. Van hem is een zogenaamde elektropasteur afkomstig (een pasteur is een apparaat waarin een vloeistof verhit wordt met het doel aanwezige micro-organismen zoveel mogelijk te doden).

P: Chemisch Weekblad 46 (1950) 118-119.

L: L.M. Boerlage en H.W. van Deinum, Chemisch Weekblad 46 (1950) 117-119; 'Prof. Dr. A.H.W. Aten Sr.' in Amsterdamsche Studenten-almanak voor het jaar 1951, 121 (1951) 81.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013