Beijen, Johan Willem (1897-1976)

 
English | Nederlands

BEIJEN, Johan Willem (1897-1976)

Beijen, Johan Willem (bekend onder de naam Beyen), bankier, minister van Buitenlandse Zaken (Utrecht 2-5-1897 - 's-Gravenhage 29-4-1976). Zoon van Karel Hendrik Beijen, secretaris van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, en Louisa Maria Coenen. Gehuwd op 28-3-1922 met Petronella Jeanne Geertruida Hijmans van Anrooy. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (26-10-1945) gehuwd op 14-11-1945 met Margaretha Antonia Lubinka, die uit een eerder huwelijk 1 zoon meebracht. Uit dit huwelijk werden verder geen kinderen geboren. afbeelding van Beijen, Johan Willem

Beyen bracht zijn kinderjaren door in De Bilt en bezocht het Stedelijk Gymnasium in Utrecht. Van 1914 tot 1918 studeerde hij rechten aan de Rijksuniversiteit in die stad en was hij actief in het studentenleven. Na een promotie op stellingen bij prof. B.C. de Savornin Lohman trad hij door bemiddeling van zijn leermeester prof. J.Ph. Suyling in dienst bij de Generale Thesaurie van het ministerie van Financiën. Beyen klom snel op tot waarnemend thesaurier-generaal (1923), vooral omdat L.J.A. Trip, thesaurier-generaal tot 1923, de kwaliteiten van de talentvolle Beyen onderkende. Ook in Beyens carrière na 1923 speelde Trip een bepalende rol. In 1924 werd Beyen secretaris van de directie van Philips' Gloeilampenfabrieken NV te Eindhoven, maar al in 1925 aanvaardde hij de hem door Trip - inmiddels president van de Javasche Bank te Batavia - aangeboden post van gedelegeerde van de Javasche Bank te Amsterdam.

Tot 1940 bleef hij in de bankwereld werkzaam. In 1927 trad Beyen toe tot de directie van de Rotterdamsche Bank, waar hij zich vooral bezighield met buitenlandse kredietverlening. In 1935 werd hij onder Trip, die uit hoofde van zijn functie president van de Bank voor Internationale Betalingen te Bazel was, vice-president van deze bank der centrale banken. Vanaf 1937 was Beyen hiervan president. Voordat hij naar Bazel vertrok had Beyen al kennis gemaakt met het internationale bank- en geldverkeer. Sinds 1931 was hij lid geweest van de delegatie van Nederlandse banken bij de zg. Stillhalte -conferenties, die jaarlijks de terugbetaling van commerciële kredieten door Duitse banken reguleerde. In 1932 maakte hij deel uit van de regeringsdelegatie bij de besprekingen over de Oostenrijkse lening en in 1933 nam hij als plaatsvervanger van Trip en later als delegatielid als enig monetair expert voor Nederland deel aan de economische wereldconferentie in Londen.

Beyens belangstelling voor conjuncturele ontwikkelingen in het economisch leven ontstond in deze jaren, terwijl hij later de economische theorieën van J.M. Keynes in zijn monetair denken inpaste. Naar zijn mening moest de beheersing van de schommelingen in de conjunctuur richtsnoer zijn voor het monetaire en financiële beleid. In 1933 werd hij lid, en voorjaar 1934 voorzitter van het bestuur van het Werkfonds, dat voor voorschotten, c.q. subsidiëring ter financiering van plannen die werkgelegenheid zouden scheppen zestig miljoen ter beschikking had. Naast de ervaring op het terrein van internationale onderhandelingen als financieel deskundige maakte Beyen bij de Bank voor Internationale Betalingen te Bazel ook kennis met het fenomeen van politieke beslissingen die uit geheel andere gronden en overwegingen genomen werden dan strikt technisch-materiële. De geringe bijdrage die deze bank in de jaren van 1935 tot 1940 als gevolg van de verslechterende internationale situatie aan de verbetering van het internationale geldverkeer kon leveren, deed hem besluiten geen nieuwe termijn als president te ambiëren.

In januari 1940 trad Beyen toe tot de directie van de Nederlands-Britse multinational Unilever als financieel directeur. Deze overgang naar het bedrijfsleven was van korte duur. Beyen bleef weliswaar tot 1946 directeur van de Unilever, maar door toevallige omstandigheden in mei 1940 in Londen beland, werd hij financieel adviseur van de Nederlandse regering, een functie die veel tijd vergde. Bij de voorbereiding van de monetaire overeenkomst tussen Nederland en Groot-Brittannië van 14 juni 1940 speelde Beyen door zijn relaties met de Bank of England en de Treasury een belangrijke rol. Begin 1943 voerde hij samen met de directeur van het Nederlandsch-Indische Deviezeninstituut, D. Crena de longh, besprekingen met een Belgische delegatie over het in oktober 1943 ondertekende monetaire akkoord, dat de eerste stap naar de latere Benelux werd. Voortbouwend op deze regionale aanpak van internationale samenwerking na de oorlog diende hij op de conferentie van Bretton Woods (juli 1944), waar hij de Nederlandse delegatie leidde, een voorstel in tot regionale regeling van het naoorlogse economische en financiële herstel, maar tegenover de dominerende Amerikaanse one-world- conceptie maakte het geen kans. Eind 1944 onderhandelde Beyen met succes in New York en Zwitserland over twee grote leningen aan de Nederlandse regering.

De bevrijding van Nederland bracht voor Beyen geen opzienbarende verandering in zijn werkzaamheden teweeg omdat hij als het ware doorgleed naar de voortgezette internationaal-monetaire onderhandelingen en regelingen die reeds tijdens de oorlog waren voorbereid. Zo nam hij in 1946 deel aan de delegatie die onder leiding van minister P. Lieftinck naar de Verenigde Staten ging om over financiële problemen te onderhandelen en volgde kort daarna de benoeming door de Nederlandse regering tot directeur van de International Bank of Reconstruction and Development te Washington, welke functie hij vanaf 1948 combineerde met die van directeur van het International Monetary Fund, zodat hij nauw betrokken raakte bij de inwerkingstelling van de machinerie voor het internationale monetaire verkeer, die hij in Bretton Woods mee tot stand had gebracht. In beide functies voelde Beyen zich echter te weinig actief betrokken bij de gang van zaken. In Den Haag liet hij weten voor een andere functie, bijvoorbeeld die van ambassadeur, beschikbaar te zijn.

Enigszins tot zijn verbazing werd de partijloze Beyen in september 1952 minister van Buitenlandse Zaken in het derde kabinet-Drees met naast zich de KVP'er J.M.A.H. (eigenlijk J.A.M.H.) Luns als minister Zonder Portefeuille. Tijdens de formatiebesprekingen was W. Drees een voorstander van de benoeming van Beyen, omdat hij wilde voorkomen dat dit departement in handen van de Katholieke Volkspartij (KVP) kwam. Katholieken bezetten op dat moment immers deze posten in de andere landen van Klein Europa, dat in de wandeling al 'l'Europe Vaticane' heette. De KVP had ten slotte toegestemd, nadat in een door C. Staf opgestelde, door Drees goedgekeurde en door Luns aanvaarde formule een zo groot mogelijke formele gelijkheid van Luns aan Beyen verzekerd was. Bij de werkverdeling vielen Beyen alle multilaterale aangelegenheden toe, met uitzondering van de Verenigde Naties, die, met de bilaterale aangelegenheden, aan Luns kwamen. Deze terreinafbakening verzekerde allerminst een soepele samenwerking; vooral de beginperiode kenmerkte zich door grote meningsverschillen.

De belangrijkste bijdrage op zijn brede werkterrein, dat de Noordatlantische Verdragsorganisatie (NAVO), de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES), de Raad van Europa, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en de nooit in werking getreden Europese Defensie Gemeenschap (EDG) omvatte, leverde hij aan de totstandkoming van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Beyen onderschreef de supranationale aanpak van de Europese integratie die de architecten van de Europese eenwording Jean Monnet en Robert Schuman voorstonden, maar hij verzette zich tegen de sectorsgewijze uitvoering van de integratie vanwege de ontwrichtende werking ervan. Hij verliet het uitgangspunt van zijn voorganger D.U. Stikker, dat de Europese eenwording ondergeschikt was aan de Atlantische samenwerking. Europese eenwording kon in Beyens visie een doel op zich zelf zijn. In dit opzicht zat hij ook weinig op één lijn met zijn collega-proximus Luns, die evenals Stikker 'Atlantisch' wilde denken. Teneinde dit Europese doel te bereiken achtte Beyen een mate van onderlinge solidariteit tussen de deelnemende landen nodig. Deze kon volgens het plan-Beyen, dat hij december 1952 aan de leden van de EGKS voorlegde, worden bereikt door voorlopig niet te streven naar politieke eenwording, maar te beginnen met een douanegemeenschap zonder interne tariefgrenzen of handelsbelemmeringen en met een gemeenschappelijk buitentarief. Deze supranationale gemeenschap zou eigen bevoegdheden bezitten.

Het plan-Beyen had voorlopig de wind tegen van de sectorsgewijze integratie, die al bereikt was in de EGKS en de EDG en die voor de Europese Politieke Gemeenschap (EPG) binnen bereik leek. De Franse weigering tot ratificatie van het EDG-verdrag in augustus 1954 blokkeerde de verdere sectorsgewijze integratie. Beyen wist P.H. Spaak (België) en J. Bech (Luxemburg) ervan te overtuigen dat de enige nog niet bewandelde weg tot Europese eenwording die van de economische integratie was. Gezamenlijk namen deze Benelux-ministers van Buitenlandse Zaken daarna het op het plan-Beyen stoelende initiatief, dat via de conferentie van Messina (1955) en Venetië (1956) dank zij het stimulerende optreden van Spaak leidde naar het verdrag van Rome (1957) en de oprichting van de EEG. Wanneer Drees met de benoeming van Beyen beoogde de supranationale integratie af te remmen, had hij zich in Beyen niet vergist. Want ondanks diens aanvaarding van integratie op supranationale basis werd deze door Beyens toedoen vooralsnog beperkt tot het economische vlak en schoof men de politieke op de lange baan, terwijl de scherpe kanten van de supranationaliteit door het verlenen van grote bevoegdheden aan de Raad van Ministers werden weggeslepen.

Beyen was echter al vóór de voleinding van dit plan in oktober 1956 afgetreden als minister. Hij wenste na de verkiezingen in dat jaar niet opnieuw minister te worden, omdat hij zich niet kon verenigen met het starre Nieuw-Guineabeleid. De nadagen van zijn ambtsperiode waren beheerst door een ernstig conflict met koningin Juliana. Beyen had geprobeerd door gesprekken buitenlandse journalisten af te brengen van publikaties over de affaire-Greet Hofmans. De Koningin was ervan overtuigd dat Beyen deze publikaties had bevorderd en zich in haar particuliere aangelegenheden had gemengd. Na zijn aftreden werd Beyen door een commissie bestaande uit L.J.M. Beel, P.S. Gerbrandy en jhr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, die bemiddelde in de affaire-Hofmans, in het gelijk gesteld. Luns, die Beyen aanvankelijk had benoemd tot regeringscommissaris voor Duitse aangelegenheden, droeg hem nu voor voor de post van ambassadeur in Parijs met ingang van 1 januari 1958. Met deze functie sloot Beyen in 1963 zijn gevarieerde carrière in dienst van de Nederlandse regering af. In de Franse hoofdstad maakte hij het offensief van de Franse president Charles de Gaulle tegen het supranationale karakter van de EEG van nabij mee, zonder dat hij ging twijfelen aan de juistheid van zijn uitgangspunt dat supranationaliteit het fundament van Europese integratie moest zijn. Na de beëindiging van zijn missie in Parijs brak voor Beyen allerminst een periode van rust aan. Hij werd commissaris of president-commissaris van een aantal grote Nederlandse banken, bedrijven en verzekeringsmaatschappijen. Hij was als president-commissaris van de Rotterdamsche Bank nauw betrokken bij de fusie met de Amsterdamsche Bank in 1964, waarvoor hij in 1929 al had gepleit. In hetzelfde jaar leidde hij een missie van de Wereldbank naar Marokko ter bestudering van de economische toestand.

Beyen paarde snel inzicht, deskundigheid en veelzijdige ervaring in overheidsdienst, bankwezen en bedrijfsleven aan eruditie en tact. Zijn superieure manier van optreden wekte nu en dan weerstanden op, maar zijn charme en humor werkten veelal ontwapenend. Hardnekkige tegenstrevers ervoeren echter dat hij soms mateloos woedend en beledigend kon zijn. Als onderhandelaar streefde hij ernaar, uitgaande van de situatie van het ogenblik, op wezenlijke punten zijn doel te bereiken zonder de tegenpartij voorgoed tegen zich in te nemen. In zijn handelen was hij vooral pragmaticus zonder te vervallen in opportunisme. Zijn tijdens zijn ministerschap blijkende Europese gezindheid was duidelijk meer dan koele berekening, het werd een diepe overtuiging. Toch toetste hij eigen opvattingen aan die van anderen waar het hun inhoud betrof. Hoezeer zijn werk hem ook in beslag nam, Beyen vond altijd ruimte voor ontspanning, niet in de laatste plaats voor het cellospel.

A: Archief van de financieel adviseur van de Nederlandse regering te Londen (ministerie van Financiën te 's-Gravenhage); archief J.W. Beyen berust bij mr. K.H. Beyen te 's-Gravenhage.

P: Behalve zijn ministeriële redevoeringen in het Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1952-1953 t/m 1956-1957 ('s-Gravenhage, 1953-1957): De wet tot verruiming van het plaatselijk belastinggebied. (Wet van 30 December 1920. Staatsblad, no. 923) (Alphen aan den Rijn, 1922); Het plaatselijk belastinggebied (Zwolle, 1926); Prae-adviezen over de vraag: Welke zijn de oorzaken en gevolgen van de daling van den rentestand? Samen met H.F. van Leeuwen ('s-Gravenhage, 1938). Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek; Unemployment (Londen, 1943); 'De financiële politiek', in Nieuw Nederland. Bijdragen van buiten bezet gebied in verband met den wederopbouw van ons land. Verz. door A.A. van Rhijn (New York, 1944) 207-224; Money in a maelstrom (New York, 1949); L'influence de l'esprit latin sur un pays nordique. Discours prononcé à Paris à l'occasion du cinquantième anniversaire de la Chambre de Commerce néerlandais en France (Amsterdam, 1953); 'Over de Europese integratie', in Internationale Spectator 9 (1955) 259-276; 'Schets van de ontwikkeling van de Europese integratie', in Tien jaren. 1947-1957. Uitg. ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de B[eweging] van E[uropese] F[ederalisten] [Den Haag, 1957] 18-40; 'Politieke zin en problematiek der Europese integratie', in Europese toenadering. Een bundel opstellen betreffende de Europese integratie door J.H. Beyen [et al.]. Onder red. van B.V.A. Röling (Haarlem, 1959) 85-103; 'United Europe: fédéral or supranational', in Internationale Spectator 19(1965)457-471; The economic development of Morocco (Washington, 1966); Het spel en de knikkers. Een kroniek van vijftig jaren (Rotterdam, 1968); De zin van het nutteloze. Rarekiek van de 19e-eeuwse jaren van de 20e eeuw (Rotterdam, 1970).

L: Bibeb, 'Van Luns tot Balenciaga', in Vrij Nederland, 20-4-1961; H. Arlman & G. Mulder, Van de prins geen kwaad (Alphen aan den Rijn, 1982).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 72673.

A.E. Kersten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013