Boissevain, Gideon Maria (1837-1925)

 
English | Nederlands

BOISSEVAIN, Gideon Maria (1837-1925)

Boissevain, Gideon Maria, bankier en economist (Amsterdam 15-7-1837 - Bloemendaal 19-11-1925). Zoon van Daniel Boissevain, commissionair in effecten, en Caroline Louise Mollet. Gehuwd op 27-4-1860 met Louise Caroline toe Laer. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 1 dochter geboren.

Boissevain genoot in zijn jeugd alleen de opleiding aan een zogenaamde Franse school, waarna hij werkzaam was aan het effectenkantoor van zijn vader. Op 21-jarige leeftijd opende hij een eigen zaak als commissionair in effecten, in 1872 overgedaan aan de Banque de Paris et des Pays-Bas. In 1865 richtte hij samen met N.G. Pierson en anderen de Nederlandsche Kas-Vereeniging te Amsterdam op, sinds de overname van de Associatie-Cassa met de naam Kas-Associatie aangeduid. Dit initiatief paste in het decennium waarin in Nederland een aanzienlijke vernieuwing op het gebied van het bankwezen plaatsvond. De Kas-Vereeniging was geïnspireerd door het voorbeeld van de Engelse 'joint-stock banks': kredietgeving in de vorm van discontering van wisselpapier of van kortlopende voorschotten op onderpand; geen emissies. De Kas-Vereeniging bood de gelegenheid overtollig kasgeld rentegevend te deponeren. In 1872 gaf hij, als commissionair in effecten, de stoot tot de introductie van Amerikaanse fondsen op de Amsterdamse beurs. Deze fondsen leden in 1873 ernstige verliezen, hetgeen hem op scherpe kritiek kwam te staan. Boissevain trok zich het gebeurde aan en trachtte een bevredigende regeling voor die ongelukkige emissies te treffen (Herinneringen en Dagboek van Ernst Heldring... I, 640).

Vanaf 1873 was Boissevain alleen nog commissaris van diverse bankinstellingen en wijdde hij zich voor het overige aan studie en publikaties op het terrein van de monetaire economie, bankwezen en openbare financiën. Ook sociale vraagstukken trokken zijn aandacht, getuige enkele geschriften, de organisatie van een cursus voor arbeiders over economische onderwerpen en het ondervoorzitterschap van de in 1899 opgerichte Vereeniging Bureau voor Sociale Adviezen.

De economische belangstelling van Boissevain sloot nauw aan bij zijn beroepsactiviteiten. De meeste van zijn publikaties, die zich vanaf de tweede helft van de jaren 1870 over praktisch 50 jaren uitstrekten, betroffen geldwezen, bankwezen en openbare financiën. Hij publiceerde voornamelijk in De Economist. Zijn geschriften zijn deels theoretisch van aard, voor een groot deel ook handelen zij over praktische vraagstukken. Na de dood van J.L. de Bruyn Kops, oprichter en tot 1888 enige redacteur van De Economist, maakte Boissevain onder meer met N.G. Pierson, A. Beaujon, J. baron D'Aulnis de Bourouill en H.B. Greven tot en met 1918 deel uit van de redactie, die het blad geleidelijk aan veranderde van een op praktische vraagstukken en feitelijke overzichten georiënteerde periodiek tot een meer wetenschappelijk-theoretisch forum. Het tijdschrift werd in die tijd gedragen door een door de - met name Oostenrijkse - grensnutschool geïnspireerde economengeneratie. Vanaf 1912 tot en met 1920 was Boissevain medewerker aan De Economist.

Als theoretisch econoom trad Boissevain vooral naar voren als de voornaamste vertegenwoordiger in Nederland van het monetaire metallisme. Het wezen van een goed geordend geldsysteem zocht hij in de edelmetaalbasis van het geld. Het papiergeld kan wel enigermate enkele functies van het metaalgeld vervullen, maar moet inwisselbaar zijn. Slechts de metallieke waarde vormt een waarborg, voldoende voor de waardevastheid van het geld. Aanvankelijk zag Boissevain niet in dat de waarde van het edelmetaal, behalve door het monetaire gebruik van dat metaal, ook wordt bepaald door de industriële vraag ernaar en door aanbodfactoren. Later corrigeerde hij deze opvatting, maar toch bleef hij vasthouden aan de binding van het geld aan het edelmetaal als een betrekkelijk zekere garantie voor de waardevastheid van het geld. Voor deze eenzijdige metallistische opvatting vond hij niet veel steun, wel kritiek, vooral in 1919 van de latere hoogleraar economie G.M.Verrijn Stuart.

Voor het internationale economische verkeer toonde Boissevain zich een tegenstander van het protectionisme en een protagonist van het internationaal bimetallisme. De verdeling van de wereld in een goud- en zilverblok achtte hij wegens de relatieve waardefluctuaties van goud en zilver een bedreiging van de stabiliteit van de wisselkoersen. Een dubbele standaard vond hij nodig met het oog op de door hem veronderstelde goudschaarste, een argument dat niet alle bimetallisten met hem deelden.

Ten slotte dienen nog Boissevains ideeën over de economische effecten van leningfinanciering door de staat te worden vermeld. G.M. Boissevain was één der pioniers van het moderne bankwezen in Nederland.

Van zijn hand verschenen een groot aantal publikaties, met name in De Economist, maar een groot theoreticus was hij zeker niet en hij toonde in zijn monetaire standpunten een zeker dogmatisme in zijn vasthouden aan een toch wel achterhaalde metallistische opvatting.

P: Zie voor de voornaamste literatuuropgaven de hieronder geciteerde publikaties van Goedhart en Verrijn Stuart, alsmede Algemeen register op De Economist... ('s-Gravenhage, 1904) 176-178, en Algemeen register op de jaargangen 1903-1937 van De Economist (Haarlem, 1938) 8-9.

L: N.G. Pierson, in boekbespreking van G.M. Boissevain, De munttoestand in 1897 (Amsterdam, 1897) in Verspreide economische geschriften van mr. N.G. Pierson. Verz. door C.A. Verrijn Stuart (Haarlem, 1911) IV 481-493; G. Vissering, in Algemeen Handelsblad av ., 14-7-1917; C.A. Verrijn Stuart, in De Economist 74 (1925) 795-797: necrologieën in Algemeen Handelsblad av., 20-11-1925 en NRC ocht., 21-11-1925; C. Goedhart, 'Honderd jaar openbare financiën', in De Economist 100 (1952) passim.

A.C.A.M. Bots


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013