Bolland, Gerardus Johannes Petrus Josephus (1854-1922)

BOLLAND, Gerardus Johannes Petrus Josephus (1854-1922)

Bolland, Gerardus Johannes Petrus Josephus, filosoof (Groningen 9-6-1854 - Leiden 11-2-1922). Zoon van Johannes Christiaan Philippus Bolland, rijksveldwachter, en Anna Madiol. Gehuwd op 10-3-1881 met Klazina Harmanna Bakker. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Bolland, Gerardus Johannes Petrus Josephus

Bolland stamde van vaderszijde uit een protestantse Leidse familie, door zijn moeder echter werd hij rooms-katholiek opgevoed. Reeds zeer vroeg werd het geloof door hem gerelativeerd en betwijfeld. Na vele malen met de ouderlijke familie verhuisd te zijn, trok Bolland als jongen van veertien jaar naar het garnizoen van Schoonhoven, waar hij zich vrijwillig als kanonnier voor tien jaar verbond. Vijf jaar later echter (1873) werd hij, na een terugstelling in rang en een veroordeling door de krijgsraad wegens insubordinatie, overgebracht naar het Militair Detentiehuis te Oegstgeest. Drie jaren gevangenis was de straf voor het beledigen en het handtastelijk aangrijpen van zijn meerdere in rang.

De gevangenistijd heeft Bolland nuttig besteed voor studie. Direct na zijn invrijheidsstelling (april 1876) legde hij met succes het onderwijzersexamen af. Eind 1876 verkreeg hij door tussenkomst van bevriende personen een aanstelling als hulponderwijzer aan de dorpsschool te Katwijk aan Zee, waar hij twee jaar zou blijven. De vervolgstudie voor de hoofdakte LO mislukte: Bolland had zich wel verdiept in Gothisch, Angelsaksisch en Oud-hoogduits, doch de vereiste kennis van de Nederlandse taal ontbrak. Op aanmoediging van zijn 'mentor', prof. P.J. Cosijn, bereidde Bolland zich toen voor (o.a. door een verblijf van 13 maanden in Engeland) op MO-Engels, welke akte hij eind 1880 behaalde. Dezelfde hoogleraar stimuleerde hem om zijn taalstudie op academisch niveau voort te zetten en zorgde voor een ruime beurs. Een voor zijn studie bedoeld langdurig verblijf te Jena in Duitsland hield Bolland echter slechts twee maanden vol. Hij aanvaardde een lucratieve baan als leraar in de Engelse en Hoogduitse taal- en letterkunde aan de afdeling-HBS van het gymnasium Willem III te Batavia. Deze taak zou hij van 1881 tot 1896 plichtsgetrouw vervullen.

In Nederlands-Indië raakte Bolland door het lezen van enkele boeken geïnteresseerd in de wijsbegeerte. Bij toeval kreeg hij ook E. von Hartmann, Philosophie des Unbewussten in handen, dat hem ontzaglijk boeide. Het monistisch panpsychisme dat hij hierin aantrof, beschouwde hij onmiddellijk als het toppunt van wijsheid. Hij ging een frequente correspondentie met E. von Hartmann aan en stortte zich als diens profeet in een publicistische activiteit om het gewonnen inzicht uit te dragen. Behalve het Bataviaasch Nieuwsblad en het Bataviaasch Handelsblad was het aanvankelijk vooral het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, dat voor hem open stond. Daarin verschenen zijn 'Voorzienigheid en Natuurwet' en 'Schijn en wezen'; beide in 1887 verschenen stukken zijn uitvoerige referaten van von Hartmanns filosofie. Ook in het moederland wist hij, zij het met veel moeite, pennevruchten geplaatst te krijgen. De Nieuwe Gids publiceerde in 1888 zijn 'Natuurwetenschap en wijsbegeerte', in 1890 'De wereldbeschouwing der toekomst'.

Geleidelijk werd de toon van Bollands geschriften feller, zelfbewuster en ook soms beledigend tegenover hen die hij bestreed. In brieven aan de Amsterdamse hoogleraar C. Bellaar Spruyt liet hij er geen misverstand over bestaan dat hij zich als de beste kandidaat voor een Nederlandse leerstoel in de wijsbegeerte zag. In De Dageraad bestreed hij vanuit de hoogte het daarin vigerende 'achterlijke' materialisme van de 'stofjesmannen'. Tal van belangrijk geachte Nederlanders kregen zijn geschriften ongevraagd toegezonden: Bolland drong zich op. Toen hij op E. von Hartmann 'uitgekeken' was en diens systeem hem niet meer voldeed, kwam hij terecht in een soort wijsgerig scepticisme, waarin veel plaats werd ingeruimd voor mystieke inzichten en een wijsgerig geloof als laatste rustpunt voor het verstand. Het leek alsof de filosofie als geheel slechts een bevlieging was geweest, want opeens was daar een nieuwe belangstelling: de moderne bijbelkritiek en de bestrijding van het dogmatisch christendom. In 1891 verscheen van zijn hand: Het Johannes-evangelie in zijnen oorsprong onderzocht. Een proeve van kritisch-historische studie op het gebied der oud-christelijke letteren, waarover zich een felle polemiek tussen Bolland en de rooms-katholieke P.J. van Santen en P.L. Dessens ontspon. Dat was het sein voor Bolland dat hij op de goede weg was. De Pentateuch naar zijne wording onderzocht (1892) was het volgende werkstuk in een lange reeks van antidogmatische, meer specifiek antikatholieke geschriften, waarin bijv. de onbevlekte ontvangenis van Maria, de onfeilbaarheidsaanspraken van de paus, de biecht etc. het moesten ontgelden en de geschiedenisvervalsing van de roomse kerk aan de kaak gesteld werd.

Zowel filosofische zekerheden als kerkelijke dogmata hadden voor Bolland geen betekenis meer. Het 'verdwijnen der stelligheden' was voor hem nu een ervaringsfeit. In deze filosofische crisis kwam zijn benoeming als opvolger van J.P.N. Land tot gewoon hoogleraar in de 'bespiegelende' wijsbegeerte aan de Leidse Universiteit. Dit geschiedde vrij onverwachts (hij had de hoop reeds opgegeven), omdat de faculteit na de weigering van Bellaar Spruyt en G. Heymans genoodzaakt was naar andere kandidaten uit te zien. Naast de aanbeveling van zijn oude vriend Cosijn ontving Bolland steun van H. Oort en P.J. Blok. De faculteit kwam bijna eenstemmig en zonder aarzeling tot het besluit hem te benoemen. De 'vertwijfelde agnosticus' (zoals hij zichzelf noemde) en scherpe antipapist Bolland aanvaardde op 19 september 1896 'te midden van het wanluidend gekrijsch der nijdig mij omfladderende nachtvogels en van het fluisterend gesmaal derzulken, die het den professor geworden autodidact niet meer vergeven dat zijne jeugd rampspoediger dan de hunne is geweest' zijn ambt met een rede over Verandering en tijd. Het kernpunt hiervan is: 'Onvermijdelijk moet het betrekkelijke weten hangen tusschen uitersten, die zelf geen weten zijn.' Hoe schril steekt dit alles af bij de woorden die Bolland van nu af aan zal gaan spreken op de Leidse leerstoel, waar naar zijn mening de Zuivere Rede in zijn mond ('Bollands' - naar een gezegde van hem en zijn leerlingen -) gestalte krijgt. Hij achtte zich in wijsheid en wetenschap zeer verheven boven alle collega's in het land. Niet als een vrager, een zoeker, een twijfelaar, maar als een betweterige alwijze, een zelfbewuste sofist, een geheimzinnig orakel zal Bolland onderwijzen, kapittelen, kritiseren, schelden en profeteren.

Aanvankelijk gaat Bolland op dezelfde voet voort als in Batavia met twistgeschrijf tegen de roomsen, waarbij hij nu o.a. H.J.A.M. Schaepman als tegenstander ontmoette. Deze activiteit werd nu echter aangevuld met polemieken tegen allen die anders filosofeerden dan hijzelf (zoals prof. Heymans in Groningen) of gewoon andere opvattingen hadden. Bolland beschouwt zich als de uitverkorene, aan wie de inzichten van de Zuivere Rede ten deel zijn gevallen en die niet zal nalaten om ze te pas en te onpas den volke kond te doen. Hij deed dit als een olifant in de porseleinkast, zoals een tijdgenoot het in een karikatuur uitdrukte.

Het is vooral de kennismaking met de filosofie van Hegel die in dezen een beslissende wending teweeggebracht heeft. Omdat hij het niet kon verdragen dat de betekenis van zijn filosofie tot dusver aan hem ontgaan was, had hij kort na zijn benoeming de volledige werken van Hegel aangeschaft en zich stelselmatig op de bestudering van deze 'denkreus' toegelegd. Rond 1898 heeft Bolland van Hegel geleerd dat elke gedachte een eenheid van tegendelen is en dat zij, ten einde doordacht, onhoudbaar blijkt. Hij ontveinst niet dat de hegelstudie hem veel moeite en inspanning gekost heeft. Maar de prijs is de verovering waard. En een ieder zal dit moeten weten. Een aantal geschriften van Hegel worden door hem opnieuw uitgegeven bij de uitgever Adriani te Leiden en van commentaren voorzien. In een reeks boeken wordt het denken van Hegel uitgelegd en 'vrij bewerkt' herhaald. In zijn colleges wordt de hegelse dialectiek of wel 'hegelarij' naar hartelust beoefend en wordt deze methode als de alleenzaligmakende aan de studenten voorgehouden. Het meest bekend is in dit verband zijn 'Collegium Logicum', dat hij 's zaterdags voor een groot gehoor voordroeg en dat naar een stenografisch verslag door zijn leerlingen werd uitgegeven (1905. 2 dl.). Zijn in 1904 verschenen verzamelwerk Zuivere Rede en hare werkelijkheid, dat in de 2e druk van 1909 reeds 1088 blz. telde, moest als wijsheidsbijbel door zijn leerlingen worden aangeschaft en bestudeerd. In het woord vooraf staat te lezen, dat 'dit eene boek van geringen omvang [den lezer] meer [zal] leeren, dan honderden en duizenden van anderen, die in hegellooze dikte en dikke of crasse hegelloosheid zonder begrip van het begrip geschreven zijn'. Dit is het boek van het 'onprettige heldere Leidsche redelicht'!

De 'redemeester' of 'ambtelijk verzorger van het denken', zoals hij zichzelf noemde, gaf niet alleen college te Leiden, maar voelde zich ook geroepen om te Amsterdam, Utrecht, Delft, Den Haag, Rotterdam en Nijmegen de boodschap uit te dragen. Overal vormde zich een groep van trouwe en soms fanatieke leerlingen, die de cursussen organiseerden en de rondreizende leraar opvingen en terug naar de trein brachten. Reeds tijdens Bollands leven sloten zij zich aaneen tot het Genootschap voor Zuivere Rede, om in de geest van hun leraar samen te werken.

Ondanks de eigenaardige signatuur die Bolland aan de filosofie gaf, heeft hij haar opleving in Nederland zeer bevorderd. Het effect was in ieder geval dat men ontwaakte uit een neokantiaanse sluimertoestand en de weg naar Hegel terug aflegde. Samen met de neohegelianen in Engeland bewerkte Bolland een hernieuwde aandacht voor deze filosofische reus, nog voordat deze in zijn geboorteland Duitsland werd erkend.

Bollands filosofie was echter vanaf den beginne besmet met een antidemocratische, aan grootheidswaanzin grenzende protofascistische instelling, die haar weerga nauwelijks kent. De collega's, van welke faculteit dan ook, werden zonder uitzondering als stompzinnige wezens verketterd. Bolland verstoutte zich om hen op hun eigen terrein (theologie, filologie, kerkgeschiedenis, rechten) op te zoeken en hun standpunten te bestrijden. Over alle brandende maatschappelijke kwesties deed hij autoritair zijn zegje: als het niet in afzonderlijke brochures was, dan wel in zijn Spreuken, waarvan regelmatig gebundelde uitgaven verschenen. Het Wereldraadsel (titel van zijn verzamelbundel van 1896) leek voor hem nu geen geheimen meer te hebben. Protestanten werd op hun verkiezingsplicht gewezen om het zwarte gevaar te keren. De opkomende sociaal-democratie werd - reeds in 1904 - afgeschilderd als een etterend gezwel in de burgerlijke maatschappij. Het meest schrijnend kwam dit alles tot uitdrukking in de fameuze rede die hij, 'door toedoen van de beste geneeskundige snijkunst onzer dagen, die van mijn hooggewaardeerden amtgenoot Dr. J.H. Zaayer, van den rand des grafs teruggekeerd, om in het land der levenden misschien nog eene wijle te vertoeven', in 1921 hield onder de titel De teekenen des tijds. Deze rede is geen produkt van senilisering, maar ongecompliceerde weergave van wat altijd in de Leerzaal der Zuivere Rede te horen was geweest: de leer als geheel was uitsluitend in Bollands brein ter beschikking 'en houdt met mijnen dood weer op, ten onzent te worden onderwezen'. 'Aan de democratie namelijk, zegge aan de gepeupelregeering,... zal onze hoogere beschaving te gronde gaan.' De maatschappij als geheel lijdt aan 'zelfverkankering', omdat Jan Rap of Jan Publiek alles voor het zeggen heeft. De arbeidersklasse is 'goddeloos'. 'Een groot en niet te overzien aandeel aan de ontwrichting, vervuiling en ontreddering van de Europeesche samenleving onzer dagen... heeft boven en behalve de buitenlandsche vrijmetselarij, of als macht erin, het internationale Jodendom.' De Joden veroorzaken 'ziekelijkheid van gevoel en onwelzijn... tot verettering toe'. Ook de volksschool draagt veel bij tot de 'verploerting' en ontaarding. Bolland blijkt zich ertegen te verzetten dat iedereen lezen en schrijven leert.

Dit ontstellende document van grove hatelijkheden en redeloos cultuurpessimisme was het eindpunt van Bollands Leidse onderwijsactiviteiten. Het zal niet verbazen dat in de jaren '30 een aantal van zijn aanhangers nationaal-socialistische sympathieën vertoonde. Er waren er echter ook die uit zijn onderwijs in dialectische filosofie de kracht putten voor ondogmatisch liberalisme en vrijheidsstrijd (zoals B.M. Telders).

Afgezien van deze extreme, min of meer politieke posities, heeft het 'hegelende' denken van Bolland een enorme invloed uitgeoefend op de studerende jeugd en toenmaals jonge intelligentsia van Nederland. Bolland was behalve fascinerend denker ook een taalvirtuoos en meeslepend redenaar, die zijn gehoor wellustig wist te bespelen. Wie hem ging horen, kwam bijna onherroepelijk in de ban van zijn ideeën en ging, wanneer men enige tijd met hem verkeerde, zijn woordspelingen, zinswendingen en omkering van uitdrukkingen imiteren. Men herkende elkaar aan de taal van het begrip. Er ontstond een sterke Bollandschool, tal van leerlingen evenaarden de meester in produktiviteit en diepgang en pasten zijn filosofie op speciale gebieden toe. De belangrijkste leerlingen (die minstens 25 publikaties op hun naam hebben staan) zijn: J. Hessing, J.G. Wattjes, B. Wigersma, G.A. van den Bergh van Eysinga en diens echtgenote Nettie Elias, Julius de Boer, H.G. ten Bruggencate, E.J. van der Brugh, J. Clay, J. Flentge, S.A. van Lunteren, P.C.E. Meerum Terwogt, B.M. Telders, Esther Vas Nunes, W.L. Thieme.

Ondanks zijn weinig sympathieke karaktereigenschappen en zijn kwalijke optreden moet Bolland worden beschouwd als een groot filosoof, die met zijn dialectisch denken een beslissende invloed op de Nederlandse cultuur heeft gehad en daarop een stempel gedrukt heeft dat zich tot het midden van de 20e eeuw nog laat herkennen in de spreekwijzen van menig filosoof, theoloog of jurist. Op een enkele uitzondering na wil thans niemand meer 'bollandiaan' genoemd worden; dat velen de dialectische methode volgen en Hegels filosofie bestuderen is echter niet het minst een gevolg van Bollands baanbrekende werk in het kriticistische en positivistische milieu van de beginnende 20e eeuw.

A: De bibliotheek van Bolland bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage. De correspondentie van Bolland is opgenomen in de Handschriftenafdeling van de Universiteitsbibliotheek te Leiden.

P: Publikaties in de Bolland-bibliografie. Samengest. door jhr. H. de Brauw, in het Bolland-nummer van De Idee 5 (1927) 124-166 met aanvulling in De Idee 6 (1928) 325-326. Verder vindt men een bijna volledige documentatie van alle werken van Bolland, van Bollands leerlingen en van geschriften tégen en óver Bolland in de Catalogus van de Bibliotheek der Bolland-Stichting, welke bibliotheek in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam is ondergebracht. Deze catalogus verscheen eveneens in De Idee (1936 met supplementen resp. in 1938 en 1941).

L: G.A. van den Bergh van Eysinga, 'Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen 38 (1908) 195-260; G. Heymans, De kritiek van den heer Bolland (Groningen, 1910); B. Wigersma, G.J.P.J. Bolland. Een schets (Haarlem, 1922); Bolland... herdacht. [Door L. Rauwerda-Welker et al.]. (Amsterdam, 1932); J. Hessing, 'Bollands "Levensgeschiedenis"', in Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte en psychologie 35 (1941-1942) 30-39; J.J. Poortman, Repertorium der Nederlandse wijsbegeerte (Amsterdam, 1948) 194-197; Suppl. I (1958) 92; J.V. Meininger, 'De geest van Bolland', in De Idee 32 (1954) 44-53; W.N.A. Klever, Poortmans Repertorium der Nederlandse wijsbegeerte. Dl. III (Amsterdam, 1968) 95; idem. Jeugd en Indische jaren van G.J.P.J. Bolland (Amsterdam, 1969).

I: Willem Otterspeer, Bolland. Een biografie (Amsterdam 1995) afbeelding 10.

W.N.A. Klever


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013