Borgesius, Hendrik Goeman (1847-1917)

 
English | Nederlands

BORGESIUS, Hendrik Goeman (1847-1917)

Borgesius, Hendrik Goeman (bekend onder de naam Goeman Borgesius), (Schildwolde, gem. Slochteren 11-1-1847 - 's-Gravenhage 18-1-1917). Zoon van Jacobus Borgesius, arts, en Grietje Elizabeth Dijkhuizen. Gehuwd op 4-2-1869 met Johanna Bouwina Cannegieter. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Borgesius, Hendrik Goeman

Borgesius bezocht de Latijnse school in Ootmarsum en studeerde aanvankelijk theologie, daarna rechten te Groningen. Hij promoveerde in 1868 summa cum laude op stellingen. Van 1868 tot 1869 was hij leraar staatswetenschappen aan de HBS te Sneek, daarna te Arnhem, waar hij ook bijdragen leverde aan de Arnhemsche Courant en Het Vaderland. Op uitnodiging van uitgever D.A. Thieme trad hij in november 1871 op als hoofdredacteur van laatstgenoemd blad. Een jaar later begon hij ook met het schrijven van kameroverzichten.

In 1877 werd hij tussentijds in het district Winschoten tot lid van de Tweede Kamer gekozen en van het moment van zijn beëdiging, op 19 november, tot aan zijn dood is hij onafgebroken kamerlid gebleven. Achtereenvolgens had hij zitting voor Winschoten (tot 1888), Veendam (1888-1891), Zutphen (1891-1905), Enkhuizen (1905-1909), Rotterdam I (1909-1913) en Emmen (1913-1917). Door zijn populariteit als spreker - ondanks zijn onaantrekkelijk stemgeluid en zijn sterk noordelijk accent - werd hij vaak in verschillende districten tegelijk kandidaat gesteld en verkozen. Hij opteerde dan voor het district dat met de krapste meerderheid was veroverd, omdat daar een nieuwe stemming het meeste risico opleverde.

Na zijn verkiezing tot kamerlid moest Borgesius de hoofdredactie van Het Vaderland neerleggen. Hij bleef wel medewerker van het maandblad der links-liberalen. Vragen des Tijds, waarvan hij van 1878 tot 1881 en van 1894 tot 1897 mederedacteur was. Bovendien verzorgde hij van 1877 tot 1897 wekelijks anoniem de rubriek 'Men schrijft ons uit Den Haag' in de Zutphensche Courant. Ook Kerdijks Sociaal Weekblad telde Borgesius onder zijn medewerkers.

Reeds sinds 1870 nam Borgesius deel aan de bijeenkomsten van het Comité ter bespreking der sociale kwestie. Hij kwam daar in aanraking met de geavanceerde jong-liberalen, die sympathiseerden met het Duitse kathedersocialisme. Zij legden sterk de nadruk op de taak van de staat en de gemeenschap te waken over de belangen van de zwakken en misdeelden. Tegenover de ideeën van de sociaal-democratie stonden zij afwijzend. Naar hun mening moest de staat pas ingrijpen als het te bestrijden kwaad niet door het particulier initiatief alleen beteugeld kon worden. Voor de eigen activiteit van de arbeider moest flink ruimte blijven; Borgesius was dan ook een ijverig voorstander van coöperaties en spaarverenigingen.

Vele jaren was Borgesius als spreker en schrijver actief voor de drankbestrijding. Al sinds 1875 hoofdbestuurslid, was hij van 1879 tot 1897 voorzitter van de Volksbond tegen drankmisbruik; tijdens zijn ministerschap was hij erelid, daarna weer bestuurslid en ten slotte erevoorzitter.

Van 1885 tot 1891 was Borgesius lid van het hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en hield hij in het hele land daarvoor lezingen, meest over sociale problemen. In 1877 werd hij voor het eerst in het hoofdbestuur van de vereniging Volksonderwijs gekozen; van 1886 tot 1897 was hij voorzitter.

In 1896 werd hij betrokken bij het eerste jaarlijkse congres over openbare gezondheidsregeling, dat van invloed is geweest op zijn latere ontwerpen voor de Gezondheids- en de Woningwet. Van 1902 tot 1906 was hij voorzitter van deze congressen; sinds 1902 was hij ook medewerker van het Tijdschrift voor sociale hygiëne. Tevens was hij van 1895 tot 1897 voorzitter van de Haagse afdeling van de Nederlandsche Vredesbond en van 1902 tot 1912 van de Algemeene Nederlandsche Bond voor Vrede door Recht. In woord en geschrift pleitte hij voor de oplossing van internationale geschillen door arbitrage.

Ook zakelijk was Borgesius actief. Van 1883 tot 1897 en opnieuw na 1901 was hij mededirecteur van de Eerste Nederlandsche Maatschappij tot Verzekering op het Leven. In 1903 werd hij tevens mededirecteur van de Nieuwe Eerste Nederlandsche (ongevallenverzekering.) .

Van het begin af was Borgesius een zeer actief kamerlid. Hij kwam vooral op de voorgrond als eerste ondertekenaar van het voorstel tot een parlementaire enquête naar de veiligheid en gezondheid van arbeiders in fabrieken en werkplaatsen (aug. 1886). Hij werd gekozen tot ondervoorzitter van de commissie die met de uitvoering belast werd; haar verslagen zijn een belangrijke bron voor de kennis van de arbeidstoestanden ca. 1887.

De non-possumuspolitiek van de confessionelen ten aanzien van de grondwetsherziening is door Borgesius in scherpe bewoordingen bestreden. Hij stemde ook tegen de schoolwet van Mackay (1889). Tijdens diens kabinet werd een initiatiefontwerp van Borgesius en vier collegae, tot wijziging van de belastingwetgeving, door de rechtse meerderheid afgewezen (1890). Veel hiervan (inkomstenbelasting) kwam later in gewijzigde vorm terug in de wetten van N.G. Pierson.

Borgesius had steeds warme belangstelling voor de kiesrechtkwestie; hij haalde vóór 1887 trouwens zelf de (vrij hoge) Haagse census niet. Bij de debatten over de grondwetsherziening formuleerde Borgesius als woordvoerder der liberalen een soort compromis met minister J. Heemskerk Azn.: de grondwet zou de speciale aan de kiezer te stellen eisen overlaten aan de gewone wetgever, maar algemeen kiesrecht werd uitgesloten. Het 'caoutchoucartikel' was de neerslag van dit compromis.

Ernstige onenigheid over het kieswetsontwerp van J.P.R. Tak van Poortvliet leidde op 21 juni 1893 tot een scheuring in de liberale kamerclub. Borgesius werd voorzitter van de 24 leden tellende 'kiesrechtgroep', die in hoofdzaak dit ontwerp steunde. Hij oefende in maart 1894 druk op minister Tak uit om het amendement-De Meijier niet te accepteren. Na de verkiezingen van 1894 werd de 'kiesrechtgroep' als vooruitstrevend-liberale club onder leiding van Borgesius voortgezet.

Zonder succes diende deze verschillende amendementen op het kieswetsontwerp-Van Houten in. Bij de eindstemming in juni 1896 gaven toch dertien van de dertig clubleden hun stem aan het ontwerp en scheidden zich af. Van november 1891 tot juli 1897 was Borgesius ook lid van het hoofdbestuur der Liberale Unie, de landelijke organisatie wier ideeën vrijwel overeenkwamen met die van zijn kamerclub.

Tegen het advies van zijn vrienden nam hij zitting als minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Pierson (1897-1901), aangezien hij de gelegenheid kreeg een aantal sociale kwesties bij de wet te regelen. Met grote moeite wist hij de Leerplichtwet door de Kamers te krijgen, die evenals zijn Gezondheidswet en Woningwet een terrein bestreek waarmee hij zich jarenlang had beziggehouden. Een 'technische' herziening van de kieswet-Van Houten werd echter door ministerraad en kamermeerderheid sterk beknot. Het ontbreken van een vaste liberale meerderheid in de Tweede Kamer maakte het werk van de minister zeer moeilijk. De nu vrijzinnig-democratisch genoemde kamerclub van zijn geestverwanten werkte hem soms tegen, hoewel de minister - tegelijk kamerlid gebleven - er zelf lid van was.

Bij de scheuring van 1901 bleef Borgesius dan ook in de Liberale Unie, hoewel de uitgetreden vrijzinnig-democraten in denkbeelden weinig van hem verschilden. Hij nam direct de leiding van de kamerfractie van de Unie op zich en werd in 1902 ook gekozen tot voorzitter van haar hoofdbestuur. Dat deze van een groot deel van haar kader beroofde organisatie zich weldra herstelde, was grotendeels het werk van Borgesius, die ook als oppositieleider tegen het kabinet-Kuyper optrad. In januari 1905 kwam het tot een nauwe samenwerking met de vrijzinnig-democraten; met een gezamenlijk programma gingen de Unie en de Vrijzinnig-Democratische Bond de verkiezingen in.

Na de nederlaag van de confessionelen in 1905 werd Borgesius kabinetsformateur. Hij vormde het vrijzinnige minderheidskabinet-De Meester (1905-1908). Het leek hem wenselijk dat daarin geen personen werden opgenomen die in de felle strijd van de voorgaande jaren betrokken waren geweest; daarom bleef hij erbuiten en hield hij zich in de Kamer op de achtergrond.

In oktober 1911 diende hij een (door de rechtse meerderheid verworpen) motie in, volgens welke het algemeen kiesrecht en de evenredige vertegenwoordiging wenselijk werden geacht; voor de invoering daarvan was grondwetsherziening echter noodzakelijk. Toenadering tot vrijzinnig-democraten en vrij-liberalen leidde in 1912 tot de liberale concentratie van drie partijen. Op 16 september 1913 werd Borgesius tot voorzitter der Tweede Kamer benoemd, welke functie hij tot zijn dood heeft vervuld.

Borgesius was een strijder tegen sociaal onrecht, een geslaagd zakenman en een bekwaam politicus. In zijn beginjaren heeft hij vooral de confessionelen fel bestreden. In later tijden was hij meer de tacticus, die begreep dat politiek de kunst van het mogelijke is. Door zijn gematigd en voorzichtig optreden heeft hij vooral als minister op sociaal gebied veel kunnen bereiken. Zijn bijzonder grote werkkracht stelde hem in staat naast zijn kamerlidmaatschap grote activiteit als spreker, schrijver en organisator aan de dag te leggen. Op 1 juli 1914 werd hem door de Groninger universiteit het eredoctoraat in de medicijnen verleend op grond van zijn wetgevende arbeid ten bate van de openbare gezondheid. Na zijn dood is in Den Haag een gedenkteken voor hem opgericht.

A: Een eigen archief ontbreekt. Brieven van Borgesius aan B.D.H. Tellegen, H.L. Druckeren J.D. Veegens in hun resp. collecties. Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve artikelen in hiervóór genoemde bladen en tijdschriften: dertien artikelen in Vragen des Tijds, 1876-1897, o.a. 'Stoommachines en volkswelvaart' (1876, I, 1-37); 'De sociaaldemocratie' (1878, I, 289-362); 'Een ongevraagd praeadvies' (1878, II, 57-103); 'Open brief aan Mr. J. baron D'Aulnis de Bourouill' (ibidem, 219-278); 'Kapitaal en arbeid' (1880, II, 347-386); 'De Belgische kiesrechthervorming' (1884, II, 1-62); 'De school in den strijd tegen drankmisbruik' (1896,1, 359-413); 'De Liberale Unie en de aanstaande verkiezingen' (1897, II, 89-140). Voorts o.a. Schulze Delitzsch en zijne crediet-vereenigingen (Arnhem, 1872); De coöperatiewet en haar toepassing ('s-Gravenhage, 1877); De Nederlandsche drankwet 2e geh. herz. dr. (Sneek, 1885); De beteekenis van den verkiezingsstrijd ('s-Gravenhage, 1886); De arbeidswet (Sneek 1889-1890.2 dl.); met anderen Wetsvoorstellen... betreffende... inkomstenbelasting... (Haarlem, 1890); met anderen Het vraagstuk der armverzorging (Amsterdam, 1895); De Nederlandsche arbeids- en fabriekswetten (Sneek, 1897); De nieuwe armenwet (Sneek, 1912).

L: [Frans Netscher], 'Karakterschets. Mr. H. Goeman Borgesius', in De Hollandsche Revue 3 (1898) 174-187; H. van der Mandere, 'Mr. Hendrik Goeman Borgesius', in Mannen en vrouwen van beteekenis 42 afl. 6-7 (1912) 1-128. Behalve vele herdenkingsartikelen in de pers zoals in NRC, 19-1-1917: W.P. Ruysch, in Tijdschrift voor sociale hygiëne 19 (1917) 33-39; P. Rink, in Groningsche Volksalmanak voor het jaar 1918, 165-170; [Red.], 'Mr.dr. H. Goeman Borgesius', in Sociaal Jaarboek voor Nederland 1 (1918) 3-5; G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872-1901 ('s-Gravenhage, 1980).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 33499.

G. Taal†


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013