Bouman, Pieter Jan (1902-1977)

 
English | Nederlands

BOUMAN, Pieter Jan (1902-1977)

Bouman, Pieter Jan, historicus en socioloog (Batavia (Ned.-Indië) 19-9-1902 - Groningen 10-3-1977). Zoon van Jan Jurjen Bouman, gezagvoerder N.-O.-I.-paketvaart, later docent TH, en Petronella Anna Adriana Fonkert. Gehuwd op 5-4-1928 met Christina Adriana Magdalena Kloot. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren.

Bouman volgde de HBS te Rotterdam, de stad waar hij na zijn eindexamen in 1921 ook ging studeren aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool. Daar raakte hij vooral geïnteresseerd in de economische geschiedenis, en het was dan ook in dat vak dat hij in 1931 bij zijn leermeester Z.W. Sneller promoveerde op een proefschrift over Rotterdam en het Duitsche achterland 1831-1851. Sinds zijn doctoraal examen in 1926 was hij reeds werkzaam als leraar aan de HBS te Middelburg, voor welke benoeming hij tevens de MO-akte geschiedenis haalde. Hoewel zijn wetenschappelijke bedrijvigheid nog in eerste instantie de economische geschiedenis betrof, was het toch uiteindelijk de sociologie, en met name de historische ontwikkeling van de maatschappij, die hem het meest vermochten te boeien. Een eerste doorbraak in die richting had al plaats gevonden in zijn studententijd, toen een verblijf te Londen sociale misstanden onder zijn aandacht bracht. Marx bestudeerde hij erom, maar van de klassenstrijd wilde hij niet weten. Zijn leidende ideeën over de opkomst van de kapitalistische maatschappij ontleende Bouman in eerste instantie aan Max Weber, terwijl later ook Karl Mannheim richting aan zijn denken gaf. Hem viel ook reeds vóór de oorlog het veel later bekend geworden werk van Norbert Elias op. Bouman las veel, en op verschillende terreinen; bovendien voelde hij een sterke maatschappelijke betrokkenheid, die evenwel niet tot een blijvend lidmaatschap van een politieke partij leidde. Als zovelen in de jaren dertig toonde hij zich teleurgesteld in de werking van het parlementaire stelsel, en was hij ontvankelijk voor een oplossing zoals F.C. Gerretson die voorstelde, nl. om door middel van een 'monarchaal kabinet' orde op zaken te stellen. Zelf poneerde hij herhaaldelijk zijn voorkeur voor een nationaal-socialisme, dat in plaats van de klassenstrijd sociale harmonie zou brengen, en via een sterk staatsgezag en economisch nationalisme een einde zou maken aan de crisis van het Westerse kapitalisme. Dergelijke opvattingen, die nog het beste onder de noemer van het 'solidarisme' te brengen zijn, vindt men het meest uitgesproken in de brochure Structuurcrisis en nationaal-socialisme in Nederland uit 1935. Bouman heeft zich hier later van gedistantieerd, al voerde hij in Sociale opbouw in 1941 nog een pleidooi voor de instelling van een Corporatieve Kamer naast de Tweede (Staatkundige) Kamer. Praktische politieke consequenties had dit alles niet: Bouman trad vooral naar voren in het werk van de volkshogeschool. Voorts nam hij deel aan de discussies over een 'doorbraak' van de verstarde politieke verhoudingen, en was hij in de eerste jaren van de Duitse bezetting een actief lid van de Nederlandsche Unie, waarin hij zich vooral bezighield met de jeugdbeweging.

Tot 1944 bleef hij verbonden aan de Middelburgse HBS; daarna was hij, na de bevrijding, enige tijd economisch adviseur van het Militair Gezag en bemoeide hij zich met problemen van distributie en voedselvoorziening. Na een korte periode (vanaf najaar 1945) als algemeen secretaris van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen te hebben gewerkt, werd hij in februari 1946 benoemd tot hoogleraar te Groningen in de sociologie met inbegrip van de grondslagen van het maatschappelijk werk. Zijn inaugurele rede handelde, kenmerkend genoeg, over Sociale spanningen en de middelen die op te heffen. In de 'doorbraak'-partij die de Partij van de Arbeid wilde zijn had hij intussen zijn politieke tehuis gevonden; geestelijk had zich bij hem een kentering voltrokken door de terugkeer naar het christelijk geloof en zijn toetreding tot de Nederlandse Hervormde Kerk.

Als publicist had Bouman al vóór de oorlog naam gemaakt, en wel in de eerste plaats door zijn cultuurhistorisch overzicht Van Renaissance tot Wereldoorlog (1938; 8e herz. dr. 1971), dat gedurende enkele decennia voor velen een leesbare inleiding bood in de ontwikkeling van cultuur en maatschappij. Veel succes boekte ook zijn Leerboek voor economische geschiedenis uit 1939, dat vanaf de 8e dr. in 1956 in een herziene versie verscheen als Economische en sociale geschiedenis in hoofdlijnen. Naast enkele kleinere publikaties en een geschiedenis van de Zeeuwse landbouw zagen voorts twee inleidende werken het licht, die eveneens bij het onderwijs veel gebruikt werden: Sociologie, begrippen en problemen (1940; 7e dr. 1958), een van de eerste samenvattende werken van dien aard in Nederland, en de Algemene maatschappijleer van 1947 (10e dr. 1965). Zo presenteerde Bouman zich reeds vroeg als deskundig socioloog, ofschoon hij hiertoe hoofdzakelijk door zelfstudie was gekomen. Bouman behoorde niet tot de Amsterdamse school van Steinmetz, waar destijds vooral 'sociografisch' opgeleide sociologen vandaan kwamen die na de oorlog in de verdere ontwikkeling van de sociologie een rol zouden spelen. Misschien was het verschil tussen deze 'Amsterdamse' (en ook 'Utrechtse') sociologen en Bouman niet eens zo groot wat de historische belangstelling aangaat, maar tegenover deze anderen van zijn generatie wilde Bouman bij uitstek de cultuursocioloog zijn.

Die sterke historische belangstelling bleef bij hem steeds aanwezig; zo leverde hij in 1950 het verhaal van De April-Mei-stakingen van 1943, en publiceerde hij in 1952 samen met zijn neef W.H. Bouman De groei van de grote werkstad (3e dr. 1967), dat een aardige schets geeft van het leven in Rotterdam op het eind van de negentiende eeuw. Op het gebied van de ondernemingsgeschiedenis leverde hij naast enkele gedenkboeken een biografie van Anton Philips (1956), die niet onverdeeld gunstig ontvangen werd. Als schrijver wilde hij echter méér. In de historische wetenschap was hij teleurgesteld: vooral in de cultuurgeschiedenis miste hij de sociologische dimensie en constateerde hij een gebrek aan belangstelling voor het lot van de gewone man. In zijn streven de historische werkelijkheid beter 'zichtbaar' te maken probeerde hij te komen tot een 'filmische' verbeelding van het verleden. Het resultaat was de bestseller Revolutie der eenzamen (1953; 34e dr. 1976; in vele talen vertaald). In veelal korte, journaalachtige notities gaf het een overzicht van de geschiedenis van de eerste helft der twintigste eeuw. In de vakkringen van historici was de ontvangst van dit boek minder enthousiast: men achtte die filmische methode te subjectief-romantisch en in het geval van Bouwman te moralistisch-suggestief en wees op vele feitelijke onjuistheden die Bouman door te snel werken en te vluchtig lezen had begaan. Maar met deze vaktechnische kritiek had Bouman weinig op, en ook in een aantal hierop volgende boeken, die overigens geen van alle het succes van Revolutie der eenzamen evenaarden, ging hij op een dergelijke manier te werk. Vijfstromenland (1958) gaf een 'balans der werelddelen', Eén onzer dagen (1965) een blik in 't Voorhistorisch heden'. Wetenschap wilde Bouman, naar eigen zeggen, met deze werken niet bedrijven; het ging om een nieuwe vorm van geschieduitbeelding, waarbij een artistiek element meespeelde: 'tussen wetenschap en kunst,..., in liggen vormen van waarneming, die iedere rubricering tarten' (Eén onzer dagen, 312). Het essay In de ban der geschiedenis (1961; 3e dr. 1962) gaf een nadere uiteenzetting van wat Bouman in de historische wetenschap miste: 'tragiek, paradox, absurditeit.' Natuurlijk speelde daarbij zijn eigen, sterk door het existentialisme beïnvloede levensgevoel een grote rol. De vraag is of hij niet meer van de geschiedschrijver verlangde dan deze op grond van de ter beschikking staande bronnen kon geven. Wat Bouman zelf bood kan men wellicht het beste omschrijven als een mengeling van cultuurhistorie, cultuursociologie, doorspekt met filosofische en moraliserende uitweidingen: die mengeling had ontegenzeggelijk iets fragmentarisch, iets onafs. Ook het autobiografische geschrift Voor en na de zondvloed (1970) heeft om die reden iets verbrokkelds. Ondanks de onmiskenbare vaardigheden van de schrijver rees daarom onvermijdelijk de vraag in hoeverre hij erin was geslaagd werkelijk begrip te wekken voor het verleden, of hij meer bood dan een betrekkelijk willekeurige rarekiek. Mocht de grote lijn echter niet altijd duidelijk zijn, op kleine schaal was Bouman de meester van het vignet, zoals o.a. nog bleek in zijn boekje over de ontruiming van Schokland in 1859 (Het verlaten eiland [1975]) en in diverse van zijn artikelen. Het historische 'verhaal' heeft hij ook niet zonder meer losgelaten, zoals wel blijkt uit zijn dappere poging tot een Cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw (1964; uitgebr. herdr. 1977).

Bouman was een succesvol man: een graag gehoorde spreker, een veel gelezen schrijver, een bekwame organisator. Er verschenen Duitse, Indonesische en andere vertalingen van zijn werken. Een onvermijdelijk complement van zijn verscheidenheid en brede belangstelling was wel een zeker gebrek aan diepgang, al bedenke men dat hij in de Nederlandse situatie kan gelden als een pionier op het gebied van de sociologie, wie het er in eerste instantie om te doen was nieuwe terreinen van onderzoek bloot te leggen. Zijn organisatorische capaciteiten bleken vooral bij de verdere uitbreiding van de sociaal-wetenschappelijke studierichting in Groningen, die tot 1964 versnipperd was over drie faculteiten. Tot dat jaar was Bouman voorzitter van de Verenigde Faculteiten der Letteren, der Rechtsgeleerdheid en der Economische wetenschappen. Van 1959 tot 1960 fungeerde hij als rector magnificus. Hij stond echter enigszins onwennig tegenover de ontwikkeling van de academische beoefening der sociologie, die zich volgens hem te ver van de werkelijkheid verwijderde.

P: Zie de beknopte bibliografie tot 1967 in: Wetenschap en werkelijkheid (Assen , 1967), een bundel die tevens zijn belangrijkste opstellen bevat. Daarna verschenen o.a. nog: Een handvol mensen (Assen, 1969), over Duitse emigranten 'uit de tijd der beide oorlogen'; Van tijd naar tijd (Assen, 1972), over de Europese cultuur rond 1800, en Vrijheidshelden en terroristen (Amsterdam [etc.], 1977).

L: F. Gosses, 'Spiegel van een tijdperk', in De onderneming 3 (1953) 363, 364 en 369; P. Geyl, 'Een nieuwe historische methode?', in Historicus in de tijd (Utrecht, 1954) 140-146; W. den Boer, 'Plakboek of witboek', in Tussen kade en schip ('s-Gravenhage, 1957) 131-154; A.A. de Jonge, Crisis en critiek der democratie (Assen, 1968) 325-330; A. Romein-Verschoor, 'Professor Bouman tussen de Duitse helden', in Vrij Nederland, 22-11-1969; J. Rogier, 'Links en rechts. Prof. Bouman', ibidem, 16-1-1971; Prof.Dr. Pieter Jan Bouman 1902-1977. Herdenkingscollege... [Door M.J. Janssen et al.] (Groningen, [1977]); B.C. van Houten, in Mens en maatschappij 52 (1977) 121-126; C.D. Saal, in De Sociologische Gids 24 (1977) 162-166; M.C. Verburg, 'Bouman en Zeeland', in Zeeuws Tijdschrift 27 (1977) 62-64; H.E.S. Woldring, 'Wetenschap waartoe?', in Intermediair 13 (1977) 23, 25, 27, 35; S.A.J. van Faassen, 'P.J. Bouman en 'De Nieuwe Orde'. De geschiedenis van een nooit verschenen tijdschrift 1937-8', in Maatstaf 30 (1982) 7 (,) 1-16.

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013