Brom, Gijsbertus (1864-1915)

 
English | Nederlands

BROM, Gijsbertus (1864-1915)

Brom, Gijsbertus (Gisbert), historicus (Utrecht 3-2-1864 - Utrecht 6-2-1915). Zoon van Gerardus Bartholomeus Brom, edelsmid, en Johanna Catharina Kok.

Brom kwam uit een gezin met een zekere culturele en intellectuele belangstelling. Zijn vader had zich van koperslager opgewerkt tot edelsmid en fabrikant van kerkornamenten; van zijn broers werd Jan Hendrik een begaafd kunstenaar. Gerard een cultuurhistoricus van naam. Gisbert was voorbestemd voor de geestelijke stand. Zijn middelbare opleiding kreeg hij aan het klein-seminarie Hageveld, vanwaar hij in 1881 overging naar het aartsbisschoppelijk groot-seminarie Rijssenburg. Zijn docent kerkgeschiedenis hier was Herman J.A.M. Schaepman; tussen hem en Brom ontstond een vriendschapsband die lange tijd grote invloed zou hebben op het leven van de jongere man. De bezielende docent wekte zijn belangstelling op voor de geschiedenis, zij het dat de methodische vorming stellig te wensen overliet. In 1885 werd hij - nog te jong voor de priesterwijding - uitgezonden naar Rome om er theologie en speciaal kerkgeschiedenis te studeren. Hij werd daar op 19 juni 1886 priester gewijd.

Hij promoveerde in 1887, maar bleef nog een jaar langer in Rome om er te werken in de Vaticaanse archieven en bibliotheek, die kort tevoren waren opengesteld. Het verblijf aan het Campo Santo Teutonico te midden van archeologen en historici werkte daarbij stimulerend. Het resultaat van dit bronnenonderzoek op grotere schaal was het Bullarium Trajectense, een corpus van pauselijke stukken met betrekking tot het bisdom Utrecht tot 1378; het eerste deel verscheen in 1891, vijf jaar later gevolgd door het tweede.

Intussen was Brom na zijn wijding in Rome aangesteld als kapelaan in Groningen. Zijn historische arbeid bracht hem hier in contact met de jonge hoogleraar P.J. Blok, met wie hij zeer bevriend raakte. Die arbeid bestond ten dele ook uit medewerking aan tijdschriften als De Katholiek en het Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht , waarvan hij redactiesecretaris werd. Zijn gedachten gingen meer en meer in de richting van een wetenschappelijke carrière. Hiertoe werd hij door zijn superieuren blijkbaar aangemoedigd: in 1895 werd hij als rector geplaatst aan het St. Johannes de Deo-gesticht in Utrecht, in feite haast een sinecure. Dit stelde hem in staat om, op uitnodiging van de Utrechtse rijksarchivaris S. Muller Fzn., in dienst te treden van het archief en mee te werken aan de uitgave van een oorkondenboek van Utrecht. Dit bleek echter een werk waarop hij wetenschappelijk en methodisch onvoldoende was voorbereid en waartegen hij qua temperament niet was opgewassen. Hij staakte het in 1898. De resultaten van zijn arbeid, door Muller 'niet zonder zorg' tegemoet gezien, vonden later voor een deel hun neerslag in de Regesten van oorkonden betreffende het Sticht Utrecht (694-1301) , een werk dat in 1907 in twee delen verscheen.

Zijn mentor Schaepman, invloedrijk katholiek politicus, stuurde Brom nu een heel andere kant op door hem als hoofdredacteur te verbinden aan zijn dagblad Het Centrum, dat sinds 1885 te Utrecht verscheen en van een vooruitstrevende signatuur was. Deze functie, waarvan hij zich vooral op politiek terrein veel had voorgesteld, vervulde hij tot 1902; om uiteenlopende redenen werd het een nieuwe teleurstelling. Ofschoon bijvoorbeeld mede door zijn beleid de leerplichtwet in veilige haven werd geloodst, was de journalist Brom als politiek tacticus meestal geen groot succes. Bovendien ontstonden al snel conflicten met Schaepman, vooral in 1900/1901, toen Het Centrum niet bereid bleek de voortzetting van de rechtse coalitie onvoorwaardelijk te steunen. Rond deze tijd begon trouwens in kringen van katholieke jongeren algemeen verzet tegen de grote voorman te rijzen. Dit verzet werd geleid door Brom en zijn Romeinse medestudent A.M.A.J. Ariëns. Tot een breuk kwam het door de oprichting van de officieuze (en daarom met een waas van geheimzinnigheid omgeven) 'Klarenbeekse club': een informele jaarlijkse bijeenkomst van vooraanstaande jonge katholieken, in het bijzonder ook leken, in hotel Klarenbeek in Arnhem. Aan Gisbert Brom wordt terecht het vaderschap toegerekend van deze invloedrijke club, waarin men mensen als P.J.M. Aalberse, Ch.J.M. Ruys de Beerenbrouck, Ariëns en H.A. Poels aantrof. Uit deze kring kwam een aantal belangrijke initiatieven voort, zoals de Katholieke Sociale Actie, Het Katholiek Sociaal Weekblad, het Thijmgenootschap en het tijdschrift Van Omen Tijd, die van grote invloed waren op de ontwikkelingen binnen het Nederlands katholicisme in het eerste kwart van deze eeuw.

Brom bleef intussen actief op historisch terrein. Hij was een van de initiatiefnemers van de stichting 'Het Nuyensfonds' (1903), die de bevordering van de geschiedbeoefening door de katholieken van Nederland nastreefde. Ook werd hij bestuurslid van het Historisch Genootschap en, bij haar oprichting in 1902, lid van de Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, de latere Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis. Voor Brom deed zich een nieuwe kans voor vanuit deze hoek, op het moment dat hij de leiding van Het Centrum min of meer gedwongen had neergelegd, waarbij het tot wrijvingen met zijn geestelijke overheid was gekomen. Op initiatief van zijn vriend Blok, die in 1901 een langdurige archiefreis door Italië had gemaakt, besloot de Nederlandse regering in 1903 om, in navolging van een aantal andere landen, over te gaan tot de oprichting van een historisch instituut in Rome. Brom werd in het voorjaar van 1904 uitgezonden om dit instituut op te zetten, waarvan hij in 1906 op persoonlijke titel, in 1910 officieel directeur werd.

Op historisch-wetenschappelijk terrein vormen de laatste tien levensjaren, waarin hij te Rome verbleef, een zeer actieve en produktieve periode. Om te beginnen bracht hij de resultaten van een systematisch onderzoek naar materiaal van belang voor de Nederlandse geschiedenis bijeen in vier RGP-delen (kleine serie) Archivalia in Italië (1908-1914); een nevenprodukt hiervan was de veelgebruikte Guide aux archives du Vatican (1910). Onder zijn leiding werkte zijn assistent en latere opvolger G.J. Hoogewerff aan een soortgelijke uitgave over Nederlandse kunstenaars en geleerden in Italië. Bovendien begon Brom aan het bewerken van het materiaal voor het eerste deel van de Romeinsche bronnen... voor de Nederlandse kerkgeschiedenis, dat door A.H.L. Hensen voltooid zou worden en in 1922 het licht zag. Samen met L. van Langeraad gaf hij nog in 1907 het Diarium van Arend van Buchell uit. Hij publiceerde een korte biografie van Schaepman en vele tijdschriftartikelen. Hij werd eredoctor van de universiteit van Leuven, die hem ook tweemaal een professoraat aanbood.

Tijdens zijn Romeinse jaren was Brom correspondent van het toonaangevende katholieke dagblad De Tijd (hij schreef onder de naam Romanus). In die kwaliteit heeft hij zeker invloed uitgeoefend op het verwoede gevecht tussen 'modernisme' en 'integralisme' tijdens het pontificaat van Pius X. Dat gevecht kreeg spoedig, behalve een theologische, ook een maatschappelijk-ideologische dimensie. Waarschijnlijk heeft Brom als contactpersoon voor de Nederlandse anti-integralisten uit zijn vriendenkring (zoals bijvoorbeeld Poels) ook een rol achter de schermen gespeeld. Jammer genoeg is - juist om deze reden - zijn correspondentie door zijn Romeinse executeur vernietigd. Dat hij in een kwade reuk stond blijkt uit de omstandigheid dat hij ongewoon laat en pas na de dood van Pius X, in januari 1915, de voor zijn status gebruikelijke kerkelijke eretitel van geheim kamerheer kreeg. Op dat moment was Brom al dodelijk ziek; hij overleed enkele weken later in Utrecht aan een nierkwaal.

Gisbert Brom is zowel op het terrein van de Nederlandse (kerkelijke) historiografie als in rooms-katholieke kring een figuur van enige betekenis geweest. In het eerste geval is vooral zijn rol als bronnenuitgever en trait d'union met Italië van belang. Dat hij, wat het tweede aspect aangaat, niet tot iemand van grotere invloed heeft kunnen uitgroeien hangt vermoedelijk ook wel samen met enkele karaktertrekken: enerzijds een scherpe tong, een trefzeker sarcasme dat hij niet steeds in bedwang kon houden, en een stijl van leven en optreden, die sommigen van zijn geloofsgenoten als on-priesterlijk beschouwden; anderzijds een gebrek aan hardheid en doorzettingsvermogen dat hem voor de praktische politiek minder geschikt maakte.

A: Onvolledige collectie-Brom in het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen waar zich in de collectie-Schaepman diens originele correspondentie met Brom bevindt. Verder correspondentie in collectie-Vlekke in het Gemeentearchief te Roosendaal.

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties: bibliografie in onder L vermeld Levensbericht... van P.J. Blok.

L: J.W. Beek, 'Het Nederlandsch Historisch Instituut te Rome', in Eigen Haard 38 (1912) 627-632; A. Meerkamp van Embden, in Nederlandsch Archievenblad 23 (1914-1915) 104-109; P.J. Blok, in Levensbericht der afgestorven leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1914-1915, 152-181 ; A.H.L. Hensen, in De Katholiek 147 (1915) 165-174; Gerard Brom, Herleving van de wetenschap in katholiek Nederland ('s-Gra-venhage, 1930) 205-208,210 en 220-221; L.J. Rogier en N. de Rooy, In vrijheid herboren. Katholiek Nederland 1853-1953 ('s-Gravenhage, 1953) 502-504; J.P. Gribling, P.J.M. Aalberse 1871-1948 (Utrecht, 1961). Proefschrift Nijmegen; Bronnen van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland. Toespraken, brieven en artikelen van Alphons Ariëns 1887-1901. Uitg. door Jan Roes (Baarn, 1982).

J.P. de Valk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013