Brouwer, Johannes (1898-1943)

 
English | Nederlands

BROUWER, Johannes (1898-1943)

Brouwer, Johannes (pseud. Johannes Geerlinck, Maarten van de Moer), hispanist en historicus ( Delfshaven, gem. Rotterdam 31-5-1898 - Haarlem 1-7-1943). Zoon van Johannes Brouwer, arbeider in de scheepsbouw, en Marigje Adriaantje Buurman. Gehuwd op 24-5-1932 met Elisabeth Reinardina Kluijver (bekend onder de naam Kluyver). Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Brouwer, Johannes

Brouwer werd geboren als de op één na jongste zoon in het gezin van vier kinderen van een streng Nederlands Hervormd magazijnmeester van de werf Wilton Feyenoord. Na vier jaar een goede leerling aan het christelijk gymnasium in zijn geboortestad te zijn geweest, voelde hij zich tot de zendingsarbeid geroepen en liet zich in september 1915 inschrijven als kwekeling aan de Zendingsschool, tot 1917 in Rotterdam, daarna in Oegstgeest gevestigd. Hij volgde o.a. lessen van de taalgeleerden N. Adriani en C. Snouck Hurgronje en behaalde in juni 1917 met lof de akte voor hulpprediker bij de Indische kerk. Hij vervulde enige preekbeurten en raakte daarop in een geestelijke crisis, waarvoor hij enige tijd in Doom werd verpleegd. Na een periode van religieuze twijfel zag hij de zending niet langer als zijn ware roeping en besloot Indonesische talen te gaan studeren, nadat een poging om door het Nederlandsch Bijbelgenootschap te worden uitgezonden, was mislukt.

In juni 1919 ontslagen als kwekeling-zendeling, deed hij in augustus 1920 staatsexamen gymnasium-A en ging met financiële steun oosterse talen studeren aan de Rijksuniversiteit te Leiden, waar de arabist Snouck Hurgronje weer zijn hooggewaardeerde leermeester werd. Het aanvankelijk goede studieverloop werd gevolgd door weken van innerlijke onzekerheid. Zijn levenswijze bracht hem in chronisch geldgebrek, en zijn instelling ten opzichte van de maatschappij werd heftig negatief. Dit bleek uit de strafzaak waarbij hij en zijn broer betrokken werden, nadat zij een moord hadden gepleegd op een van de mannen die de indruk had gewekt met hen mee te doen aan een bankoverval (TvS 1923). Beiden werden veroordeeld. Het Hof te 's-Gravenhage legde op 22 december 1922 J. Brouwer een straf op van 8 jaar. Tot eind 1928 verbleef hij in de gevangenis te Leeuwarden, waar hij besloot een geheel nieuwe levensweg te kiezen en een begin maakte met de studie der Spaanse taal- en letterkunde. Bij zijn studie geboeid geraakt door de geschriften van de Spaanse mystici verdiepte hij zich zodanig in de katholieke geloofsleer dat hij zich met het katholicisme verwant begon te voelen; in 1934 zou hij formeel tot het rooms-katholicisme overgaan. In september 1929 werd hij ingeschreven aan de Rijksuniversiteit te Groningen en legde daar al in maart 1930 het kandidaatsexamen Spaans af, en twee maanden later cum laude het doctoraal, met Frans en Italiaans als bijvakken. In de zomer van hetzelfde jaar maakte hij zijn eerste studiereis naar Spanje ter voorbereiding van zijn proefschrift over de psychologie van de Spaanse mystiek, waarop hij op 15 januari 1931 bij de Groninger romanist prof. K. Sneyders de Vogel promoveerde.

Kort tevoren had hij kennis gemaakt met mej. E.R. Kluyver, dochter van de Groninger neerlandicus prof. A. Kluyver. Hij huwde haar in mei 1932, na hiervóór nog het doctoraal Frans te hebben afgelegd. Samen met de hispanist G.J. Geers - uit de nauwe samenwerking zou een vriendschap voortvloeien - schreef hij in dat zelfde jaar De Renaissance in Spanje. Inmiddels was hij in januari 1932 benoemd aan de Haagse School voor Taal- en Letterkunde aan de nieuw ingestelde MO-opleidingen Spaans en Italiaans, waar hij met Geers de volgende jaren zomercursussen voor Spaans leidde. Na eerdere bijdragen aan de katholieke tijdschriften Het Schild, De Nieuwe Eeuw, Boekenschouw en Studiën verschenen in 1933 zijn twee grote werken over de Spaanse koloniale en militaire geschiedenis: Hernán Cortés en Monteczuma en Kronieken van Spaansche soldaten.... Ook verscheen in dat jaar op verzoek van de uitgever Leopold De opstand der horden in zijn vertaling van de Spaanse wijsgeer Ortega y Gasset, gevolgd door twee andere werken van deze door hem bewonderde republikein, die hiermee bij het Nederlandse publiek werd geïntroduceerd. Zijn grote produktie (hij vertaalde ook Spaanse romans, verzorgde een Spaans woordenboek en enige leerboeken) gaf hem een vooraanstaande plaats in de toen kleine wereld der Nederlandse hispanisten.

In deze fase van Brouwers leven brak in het voor hem nu zo geliefde Spanje in 1936 een generaalsopstand uit. Hij besloot zich in het opstandige gebied te oriënteren en zag het als katholiek als zijn taak de gebrekkige berichtgeving over hetgeen de rechtse opstandelingen dreef, aan te vullen. Hij was korte tijd aan het front getuige van de wreedheid van de burgeroorlog en keerde ontgoocheld naar Nederland terug, na aanvankelijke positieve verwachtingen over het herstel van een traditioneel en godsdienstig Spanje. In een viertal artikelen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, voortgezet - na kritiek van de hoofdredacteur op zijn weinig positieve mening over het optreden der opstandelingen - met een reeks bijdragen aan het dagblad De Tijd, verwerkte hij gesprekken en waarnemingen, gevolgd door de brochure De Spaansche burgeroorlog... (1936), waarin hij waarschuwde voor het gevaar van een mogelijke overwinning van de Franco-dictatuur voor de internationale politieke verhoudingen. Medio december 1936 reisde Brouwer naar het republikeinse Spanje. Hij werd in januari 1937 door lokale machthebbers in Valencia gearresteerd en verkeerde enige tijd onder verdenking van spionage in levensgevaar. Na een week werd hij door interventie van o.a. de Spaanse zaakgelastigde in Den Haag, J.M. de Semprun y Gurrea, vrijgelaten. In de Haagsche Post beschreef hij zijn belevenissen. Half september 1938 werden de Wageningse hoogleraar in de chemie, S.C.J. Olivier, en de toenmalige conservator van het Stedelijk Museum te Amsterdam, W.J.H.B. Sandberg, door de Spaanse regering uitgenodigd om te adviseren over resp. de voedselvoorziening en de bescherming van kunstschatten; Brouwer vergezelde hen.

Het begin van de Tweede Wereldoorlog wierp Brouwer terug op werk in eigen land. In de herfst van 1939 aangesteld tot tijdelijk leraar Frans aan de Gemeentelijke Middelbare Handelsdagschool in Utrecht, combineerde Brouwer door een scherpe tijdsindeling deze 27 lesuren omvattende werkkring met zijn voortgaande publicistische arbeid. Er volgden een hele reeks publikaties binnen drie jaar, die Brouwer bij een groot publiek bekend maakten. In 1939 verscheen wat hij als zijn beste werk beschouwde: Spaansche aspecten en perspectieven. Evenals vroegere en nog te verschijnen werken als Johanna de Waanzinnige (1940) en Montigny... (1941) over het Spanje van de 16e eeuw - die tijdens de bezetting het licht zouden zien - was dit boek gebaseerd op de omvangrijke Colección de documentos inéditos para la historia de España. Daarmee kon hij ook als eerste in Nederland de visie van Spaanse kant toevoegen aan het traditionele beeld van de Nederlandse strijd tegen Spanje. Twee onder pseudoniem verschenen romans, waarin hij zijn verworven kennis omtrent de parapsychologie verwerkte, schreef hij uit nieuwsgierigheid naar de reacties van lezers die slechts zijn wetenschappelijk werk kenden: (Maarten van de Moer) De schatten van Medina-Sidonia (1939) en (Johannes Geerlinck) Vandaag geen spreekuur (1942). Nog onder de schok van de Duitse inval publiceerde hij de brochure Geestelijke verwarring (1940), eerste deel uit een door hem geredigeerde reeks korte wetenschappelijke geschriften, waarin hij scherpe kritiek uitte op zowel het vooroorlogse Nederland als het streven van de Nederlandsche Unie. In hetzelfde jaar verscheen tevens een op een zogenaamd oud Spaans handschrift berustend verhaald over de lotgevallen van prins Philips Willem, de door Philips II naar Spanje overgebrachte oudste zoon van Willem van Oranje. Het werk beleefde van november 1940 af zes drukken, voordat het door de Duitsers werd verboden. Het boek riep uiteenlopende reacties op. Sommigen doorzagen niet het fictieve karakter van het met grote kennis van zaken geschreven werk, ofschoon de auteur uitdrukkelijk het boek onder de naam van Johan Brouwer had gepubliceerd om de wetenschappelijke pretentie van dr. J. Brouwer te vermijden. In het weekblad De Unie verscheen op 29 mei 1941 een anonieme aanval op het boek, waarin Brouwer bovendien nog als communistisch sympathisant aan de kaak werd gesteld.

Na het ontslag aan joodse ambtenaren in het kader van de Duitse antisemitische maatregelen, werd door B&W in Amsterdam op 14 februari 1941 besloten Brouwer tot 1 juli te belasten met het onderwijs in de Spaanse taal en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, daar J.A. van Praag als lector op 1 februari ontslagen was. Op 12 april 1941 zag B&W zich gedwongen deze tijdelijke opdracht weer in te trekken, nadat het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming op 20 maart aan dit College een missive had doen uitgaan die kennelijk geïnspireerd was door een in NSB-kringen opgezette hetzecampagne, waarbij op grove wijze op zijn veroordeling in 1922 werd gewezen. Brouwer nam ook ontslag als leraar en wilde zich voortaan geheel wijden aan zijn wetenschappelijke en publicistische arbeid. Maar spoedig geraakte hij betrokken bij verschillende vormen van verzetsactiviteit. Na februari 1941 nam hij deel aan discussiebijeenkomsten over de opbouw van het naoorlogse Nederland, hij werd een gevierd spreker op lezingen voor studenten en kon einde 1942 beschouwd worden als een der inspiratoren van het studentenverzet tegen de te verwachten invoering van de loyaliteitsverklaring. Voor bespreking in kleine kring stelde hij memoranda op over het probleem der elite en betreffende de toekomst van Azië en Japan. Hij speelde een actieve rol bij de steunverlening aan kunstenaars die zich niet bij de Kultuurkamer hadden aangesloten en werkte daarbij samen met Sandberg, met wie hij ook, in overleg met W.J.C. Arondéus en G.J. van der Veen, de moeizame voorbereidingen trof voor de aanslag op het bevolkingsregister in Amsterdam. Deze vond op 27 maart 1943 plaats. Brouwer slaagde erin hiervoor o.a. trotyl en vuurwapens te verwerven. Met elf andere deelnemers aan deze aanslag werd hij, na op 2 april gearresteerd te zijn, door een SS- und Polizeigericht ter dood veroordeeld, en op 1 juli 1943 vond hij zijn levenseinde voor een Duits vuurpeleton in de duinen van Overveen.

A: Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, Doc. I - Johan Brouwer; Doc. II - Kunstenaarsverzet; Collectie-Brouwer in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage; Collectie-Romein in Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam; Collectie-Sandberg in archief Stedelijk Museum te Amsterdam; Archief Universiteit van Amsterdam; Archief Gereformeerde Zendingsbond in de Ned. Hervormde Kerk te Zeist.

P: Bibliografie in deel 3 van Verzameld werk (Amsterdam. 1957) 533-536.

L: D.M. van Londen, 'De moord op den Essenburgsingel te Rotterdam...' in Tijdschrift voor Strafrecht(TvS) 33 (1923) 81-96; D. Simons, 'Naschrift', ibidem, 96-116; Albert Helman, in Critisch Bulletin 13 (december 1945) 8-12; S. Tas, Johan Brouwer. Outsider en bezieler ('s-Gravenhage, 1946); G.J. Geers, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1945-1946. Levensberichten 57-61; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1975) VI, 712-733; Carlos Gurméndez, 'Vida y obra de Johan Brouwer' in Revista de Occidente 3 (1977) 16 (Febrero) 66-70; Jan Rogier, De geschiedschrijver des rijks en andere socialisten (Nijmegen, 1979) 77-87; Hendrik Henrichs, 'Johan Brouwer en de Spaanse Burgeroorlog, 1931-1939. Een Nederlander in het Spaanse labyrint', in De Gids 145 (1982) 79-101; Tim Krabbé, 'Tussen twee leegten. Johan Brouwer en de fascinatie van de dood', in NRC Handelsblad, 21-8-1982.

I: Critisch Bulletin 13 (december 1945) afbeelding tegover pagina 4.

E.G. Groeneveld


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013