Buziau, Johannes Franciscus (1877-1958)

 
English | Nederlands

BUZIAU, Johannes Franciscus (1877-1958)

Buziau, Johannes Franciscus, revueclown ('s-Gravenhage 7-1-1877 - Rijswijk (Zh) 3-2-1958). Zoon van Charles Emilie Buziau, musicus, en Joanna Maria Houthuesen, zangeres. Gehuwd op 23-12-1909 met Margaretha Catharina Elisabeth Beekman, actrice. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na echtscheiding (18-9-1915) gehuwd op 5-12-1916 met Wilhelmina Joanna Geertruida Hartemink, revueartieste. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Buziau, Johannes Franciscus

Het artiestenkind Johan Buziau bracht een groot deel van zijn jeugd in Amsterdam door, waar hij niet anders dan een katholieke lagere school bezocht. Verdere ontwikkeling zocht hij op eigen kracht. Zijn enige belangstelling ging uit naar het theater; als jongetje organiseerde hij al poppenspelen voor zijn buurtgenoten in de Nes. In deze toenmalige beroemde theaterbuurt trachtte hij, samen met zijn speelkameraadjes Jan Musch en Nap de la Mar, de betoverende wereld van circus, variété en toneel binnen te dringen. Met zijn fenomenale natuurtalent lukte het hem in 1894 in het variététheater Victoria geëngageerd te worden, waar hij met vier jonge collega's een ladderacrobatennummer opvoerde. Hier leerde hij de humorist (en latere revueproducent) Henri ter Hall kennen. Ook werd hij toen al opgemerkt door de gerenommeerde impressario Frits van Haarlem, die hem in 1896 met een goochelparodie een buitenlandse tournee liet maken. Tijdens deze reis (die zelfs naar Tunis voerde) werd een theaterfiguur geboren die negen jaar lang zijn eerste grote variétésucces zou bepalen: Professor Rikiri. Dank zij het artistieke en zakelijke inzicht van zijn ontdekker, Frits van Haarlem, stond vanaf dat moment de wereld voor de jonge Buziau open.

Andere variétésuccessen volgden, totdat de Eerste Wereldoorlog uitbrak en Europese tournees onmogelijk waren geworden. Henri ter Hall - sinds 1908 producent van groots opgezette revues - zocht naar een plaatsvervanger voor de gemobiliseerde komiek Piet Köhler en vroeg Johan Buziau om diens rol over te nemen. De revuecarrière van de witgeschminkte en roodgeneusde clown Buziau was daarmee begonnen; van 1914 tot 1928 zou hij in die leidende rol in talrijke revues met Henri ter Hall blijven samenwerken. Ook in een ander opzicht was deze tijd voor hem van ingrijpend belang: hij ontmoette in Ter Halls gezelschap zijn 'Mina', die sinds 1910 aan de revue verbonden was, en trouwde met haar op sinterklaasdag 1916.

Concurrentie van een nieuwe, modernere onderneming (de Bouwmeester-Revue) leidde in 1927 tot een 'revueoorlog', waarin Henri ter Hall zich terugtrok. Buziau stapte over naar het jonge gezelschap van Louis Bouwmeester jr. (na diens dood in 1931 geleid door zijn weduwe, Louise Bouwmeester-Sandbergen), waar hij tot juni 1942 de centrale figuur is geweest. In zijn roemrijke loopbaan werd hij trouw geassisteerd door komieken als Siem Nieuwenhuyzen en Henk Bood en de internationaal bekende zangeres Beppy de Vries. Van de vele gasten die in de talloze revues optraden kunnen hier genoemd worden: Johan Elsensohn (die ook, evenals Kees Valkenstein, regelmatig tekstmateriaal heeft geleverd), Magda van Donk, Johan Kaart, Mimi Boesnach, Constant van Kerckhoven jr., Aaf Bouber en Henriëtte Davids. In de jaren dertig manifesteerden zich in de cast twee talentvolle jongeren: Willy Walden en Piet Muyselaar.

Buziau stond centraal in een overigens zeer groots opgezette en kostbaar aangeklede show, waarin zijn clowneske sketches, dialogen en monologen werden afgewisseld met spectaculaire dansscènes en fraaie zangnummers. Zelf behield hij, in wat voor kostuum hij ook optrad - vaak ook in travestie -, hetzelfde witgeschminkte gezicht, met een soort onverstoorbare strakheid in de plooi gehouden, maar wel kon hij in dit kostuum alle clowneske trucs en mechaniekjes laten aanbrengen waarmee hij letterlijk bij zijn optreden kon spelen. De tragikomische clown Buziau was een onovertroffen meester in het uitbeelden van diverse mensentypes, waardoor het fascinerende facet van de herkenning steeds een grote rol heeft gespeeld. Zijn gevoelige clownskop, zijn hese stem, zijn mimiek en zijn legendarisch geworden 'stil spel' waren in staat het publiek te biologeren. Veel van zijn uitspraken werden gevleugelde woorden zoals: 'Weg met het kapitaal, breng het maar bij me thuis.' Helaas zijn er bitter weinig opnamen bewaard gebleven, een omstandigheid waaraan hij ook zelf schuldig was: 'Als ik in een film ga optreden word ik mijn eigen concurrent.' Geluidsopnamen zijn er nog wel, dank zij de registraties die de Katholieke Radio Omroep (KRO) van enkele Bouwmeester-revues heeft gemaakt: Lachende komedianten (1936), Knal (1937), Feest (1939) en Jolijt (1940).

Zelden zijn er in de Nederlandse amusementswereld meer superlatieven gebruikt om zijn uitzonderlijke kunst te beschrijven. Hij werd op één lijn gesteld met zijn tijdgenoten Chaplin, Grock en de Fratellini's. Bij zijn jubilea verdrongen bekende Nederlanders zich om hem als een nationale held te huldigen: Willem Mengelberg, Cor van der Lugt Melsert, Jo van Ammers-Küller, Koos Speenhoff, Willem Royaards en oud-minister J.B. Kan, de vader van Wim Kan. In 1933 werd hij benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau, een in die tijd ongewone onderscheiding voor een amusementskunstenaar.

Zijn reputatie van 'lachkanon' vormde echter een scherp contrast met de privé-persoon; hij was een groter toneel- dan levenskunstenaar. Johan Buziau was in het dagelijks leven moeilijk voor zichzelf en voor anderen: een kleinburgerlijk moralist en een overheersende melancholicus, die in zijn gezin grote spanningen veroorzaakte. Als gedreven, plichtsgetrouwe perfectionist was hij nerveus en veeleisend, terwijl aan de andere kant zijn bescheidenheid de grens naderde van bangelijkheid. Deze voorzichtige trek in zijn karakter was er mede de oorzaak van dat hij zich maar zelden inliet met de politiek: 'Als politiek betrokken wordt in amusement, gaat het een altijd ten koste van het ander. Ik ben niet vóór dit of tégen dat, voor alles ben ik pro-mens.' Dat hij dus 'een maatschappij-kritische clown' zou zijn geweest (zoals de Nijmeegse socioloog Willem van den Berg in 1980 op een hoestekst van een dubbelalbum van Fons Jansen zou beweren) berust op een modieuze misvatting. In dit verband moeten daarom ook alle wilde verhalen over zijn anti-Duitse grappen in de oorlogsjaren naar het rijk der fabelen worden verwezen. Ondanks deze hardnekkige legendevorming moet worden vastgesteld dat hij - zoals de meeste artiesten - voldeed aan de aanmeldingsplicht bij de Kultuurkamer (op 17 maart 1942) en - ondanks dat - in juni 1942 zijn medewerking aan de revue 'Sprookjesland' heeft opgezegd, uit angst voor demonstratieve reacties van het publiek op vermeende anti-Duitse grappen, waarvoor hij al in 1941 ter verantwoording was geroepen bij de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat te Amsterdam.

Desalniettemin werd hij in juli 1942 samen met honderden Nederlanders (onder wie ook de bekende revueartiest Lou Bandy) geïnterneerd in het gijzelaarskamp te Haaren. Deze internering hield verband met de Duitse maatregel om door middel van deze gijzelaars een effectief wapen in handen te hebben - er werd gedreigd met executie - sabotage en andere handelingen die gericht waren tegen de bezettende macht te voorkomen. Door bemiddeling van een bevriende relatie kon Buziau na zeer korte tijd weer worden vrijgelaten, zij het met een psychische schok. ledere behoefte weer op te treden was toen in de kiem gesmoord. In 1943 liet zijn jonge bewonderaar Toon Hermans hem herleven met een feilloze imitatie in Willy van Hemerts revue Première in het Amsterdamse Citytheater, daarmee zijn eerste grote succes bereikend.

Na de oorlog keerde de toen 68-jarige Buziau - ondanks talrijke verleidelijke aanbiedingen (onder meer van Karel Wunnink, René Sleeswijk en uiteraard van mevrouw Bouwmeester) - niet meer in de theaters terug. Hij vreesde de overspannen verwachtingen van het publiek niet waar te kunnen maken en was bovendien ontevreden over de 'moderne' teksten die hem werden voorgelegd: 'Ik ben geen woordkunstenaar.'

Buziau werd een levende legende. Een jongere artiestengeneratie, onder wie behalve Toon Hermans ook Wim Kan en Wim Sonneveld, zag in hem een inspirerend voorbeeld. Wim Kan kon later zeggen: 'Het Nederlandse volk bestaat uit twee groepen: zij die Buziau hebben gezien en de rest.'

A: Geluidsopnamen van Buziau in de mediatheek van het Nederlands Theater Instituut te Amsterdam en in Historisch Archief NOS te Hilversum. Zijn stem is ook te beluisteren in het radioprogramma Toen Flora nog floreerde voor de AVRO op 11 augustus 1952, samengesteld door Alex de Haas. Bovendien is er op 6-11-1979 voor de KRO een tv-programma over Buziau uitgezonden getiteld: Niets dan goeds samengesteld door Ch. Buziau en H. Peekel. Zie hiervoor artikel van de laatste in Studio. Televisie- en programmablad van de KRO, 3-11-1979.

Verder briefwisseling in archief KRO te Hilversum, collectie-Buziau in het Nederlands Theater Instituut, alsmede verzameling-Buziau in bezit van Wim lbo (Amsterdam) en archivalia onder beheer van Ch. Buziau (Haarlem).

L: Behalve een door het Nederlands Theater Instituut georganiseerde tentoonstelling in 1980 onder de titel: Revue: het mooist zijn de beentjes, herdenkingsartikelen in o.a. Het Leven, 4-11-1925, Elsevier's geïllustreerd maandschrift 45 (1935) 422-426; Haagsche Courant, 5-1-1957, 4-2-1958; Haagsch Dagblad, 4-2-1958; De Groene Amsterdammer, 8-2-1958; Vrij Nederland, 8-2-1958. Verder J. Feith, Tingeltangel (Amsterdam, 1918); Joh. Broedelet, 'Buziau', in Tien tooneel-portretten ('s-Gravenhage, [1926]) 47-57; J.B. de Gou, Buziau. Historische levensfilm van den kunstenaar van den lach (Amsterdam, [1935]); Ch.A. Cocheret, Nederland lacht (Rotterdam, 1939); A.J. Goudriaan, 'Het kampleven', in Gedenkboek gijzelaarskamp Haaren ('s-Gravenhage, 1947) 45; Johan Kaart, Ik moet nog iets bekennen (Apeldoorn, [1969]) 100-106; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1974) V, 766-767, 972-975; VIII, 208; Dries Krijn, Bonte pracht, vederdracht (Zutphen, 1980) 65-73; Henk Suèr, Goden van de engelenbak (Bussem , 1980).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 282 [Foto: Franz Ziegler].

Wim lbo


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013