Callier, Augustinus Josephus (1849-1928)

 
English | Nederlands

CALLIER, Augustinus Josephus (1849-1928)

Callier, Augustinus Josephus, bisschop van Haarlem (Vlissingen 29-5-1849 - Haarlem 28-4-1928). Zoon van Johannes Franciscus Callier, loods, en Johanna Catharina de Cracke. afbeelding van Callier, Augustinus Josephus

Callier studeerde aan de bisschoppelijke seminaria Hageveld en Warmond. Na zijn priesterwijding op 15 augustus 1872 te Utrecht werd hij kapelaan te Volendam (1872-1873), vervolgens in Amsterdam (Posthoorn: 1873-1875) en ten slotte in Den Haag (St. Jacob: maart 1875 - augustus 1875). Van 1875-1892 was hij leraar in de klassieke letteren aan het klein seminarie Hageveld in Voorhout. Ofschoon hij een helder verstand bleek te hebben zou hij geen man van de wetenschap worden. Hij bleef ook later de buiten de academie opgegroeide autodidact, die als bestuurder van het Haarlems diocees er weinig voor voelde priesters voor verdere opleiding naar de universiteit te sturen. In 1892 volgde zijn benoeming tot vicaris-generaal van de bisschop van Haarlem mgr. C.J.M. Bottemanne.

Van huis uit had hij enerzijds een neiging tot koppigheid, anderzijds een aanleg voor bestuur meegekregen. Deze eigenschappen kwamen hem tijdens het vicarisschap goed te pas. Hij handelde resoluut en zonder aarzeling en werd in het bisdom gehoorzaamd doch niet bemind. Een van de belangrijkste prestaties in deze periode was de bouw in 1898 van de kathedraal aan de Leidsevaart te Haarlem naar het ontwerp van J.Th.J. Cuypers en J. Stuyt. Hoewel alles plaats vond onder de naam van Bottemanne, is iedereen het erover eens dat Callier de feitelijke bouwheer van deze kathedraal is geweest.

Toen Callier in 1903 de taak van Bottemanne als bisschop van Haarlem overnam, was hij in feite een eenzaam man op een hoge post. In de keuze van medewerkers was hij niet erg gelukkig. Hij koos hen vaak omdat ze hem welgezind waren. Daarom werd hij dikwijls gedwongen alleen de volle verantwoordelijkheid te dragen voor alles wat er in het bisdom gebeurde. Dit werd hem weleens te zwaar. Tot tweemaal toe had dit een ernstige geestelijke instorting tot gevolg. Maar nooit liet hij zich afbrengen van zijn ingenomen standpunten.

In de vergaderingen met zijn collega's-bisschoppen domineerde Callier. Naar zijn opmerkingen werd met ontzag geluisterd. De bisschoppen conformeerden zich meestal aan zijn inzichten. In de tijd waarin Callier bisschop werd, was er binnen de internationale Rooms-Katholieke Kerk een strijd gaande tussen degenen die het geloofsleven wilden aanpassen aan de moderne visies van die tijd (men noemde deze groep modernisten) en hen die strak wilden vasthouden aan de vanouds gevolgde leerstellingen van de kerkgemeenschap (men noemde deze groep integralisten). In Nederland, bekend om zijn bijzondere volgzaamheid jegens Rome, was geen modernistische tendens te bespeuren, maar enkele mensen - tot wie Calliers naaste medewerkers behoorden - dachten ook hier ten onrechte sporen van modernisme te kunnen aanwijzen. Er kwam zelfs in Nederland een campagne van integralisten tegen modernisten op gang, waarvan Callier, anders dan de overige bisschoppen, kennelijk onder de indruk kwam. Overeenkomstig zijn devies 'Niet weifelend in de zaken van het geloof ' nam Callier beslissingen van verstrekkende aard. De hoofdredacteur van De Tijd, de priester P.M.J. Geurts, werd min of meer op bevel van bisschop Callier naar zijn bisdom Roermond teruggestuurd. De twee belangrijkste professoren van het groot seminarie Warmond, de dogmaticus G.C. van Noort en de canonist dr. Th.M. Vlaming, die aan het seminarie een bijzondere naam in de katholieke wereld hadden gegeven, werden hiervan weggehaald en kregen andere functies in het bisdom. Het trieste van deze zaak was dat de integralisten hiermee meenden te hebben gewonnen. In De Maasbode, onder leiding van rector M.A. Thompson, kregen zij de kans om een heksenjacht te openen. Hoewel er, zowel uit de kring van de bisschoppen als uit die van de gelovigen, druk op Callier werd uitgeoefend om een einde aan die scheldpartijen te maken duurde het tot 1914 voordat Thompson De Maasbode moest verlaten.

De tegen modernisme afschermende visie van Callier kwam ook duidelijk naar voren in zijn gedachten over jeugdzielzorg. In de laatste jaren van de 19e eeuw kwam jeugdvorming in het middelpunt van de belangstelling te staan. In het diocees Haarlem had men hiervoor de patronaten ontworpen, waarin de jeugd tegen een wereld van verderf in bescherming zou kunnen worden genomen. Dat waren zuiver klerikale instellingen: alleen de priester-directeur had het voor het zeggen; leken, die patronaatsheren werden genoemd, mochten hem slechts helpen bij het organiseren van feestjes, van spelletjes en bij het ophalen van contributie. Deze patronaten genoten de bijzondere bescherming van bisschop Callier, en hoewel hij ook hierin tegenover de opvattingen stond die leefden in de andere bisdommen, bleef hij star aan eigen opvattingen vasthouden.

Ook ten aanzien van de organisaties van de katholieke arbeiderswereld bestond er verschil van mening. In het Haarlemse diocees was in 1888 de Volksbond opgericht. Dit was nog niet een zuivere arbeidersvereniging, want ook de kleine middenstand vond er een onderkomen. Volgens de statuten werd geen enkele katholieke man van achttien jaar als lid uitgesloten. De leden moesten binnen deze organisatie hun belangen behartigen, maar dienden daarbij een beroep te doen op de medewerking van de hogere standen. Een raad van geestelijken moest in elk geval toezicht houden en de kas beheren.

Naast de Volksbond ontwikkelden zich de katholieke vakorganisaties onder leiding van het R.K. Werkliedenverbond. De komst van deze vakverenigingen in Holland moest de bisschop wel toelaten. Hij wilde echter dat ieder lid van een vakbond ingeschreven werd in de Volksbond. Toen de Nederlandse bisschoppen in 1916 een eenheid probeerden te vinden binnen de arbeidersbeweging nam Callier de conceptie van de stands- en vakorganisatie over (Limburgse school. Dr. H.A. Poels). De Haarlemse bisschop dacht op deze wijze de Volksbond voortaan als standsorganisatie te kunnen laten voortbestaan. Dit mandement van 1916 herstelde weliswaar de vrede op het terrein van de katholieke arbeidersbeweging, maar het kwam te laat voor het redden van de standsorganisatie. Heden ten dage is men van mening dat de al te grote klerikale bemoeienis vanuit het bisdom Haarlem met de katholieke arbeidersverenigingen de katholieke arbeiders al te passief heeft gemaakt.

Ondanks duidelijke aanwijsbare zwakke punten in zijn beleid, is Callier een van de grote bisschoppen van Haarlem geweest. Door zijn houding in verschillende kwesties doorbrak hij nogal vaak de eenheid binnen het episcopaat. Omdat deze zaken toen onmiddellijk in de openbaarheid kwamen, had deze verdeeldheid geen verdere gevolgen voor het leven en werken van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland dan alleen voorbijgaande moeilijkheden.

A: Privé-archief-Callier in Archief bisdom Haarlem.

P: Behalve enkele artikelen in het tijdschrift De Katholiek is er weinig van zijn hand verschenen.

L: De statuten van het katholieke juvenaat bisdom Haarlem (Haarlem, 1906); N.H.M. van Reijsen, Leiddraad voor het oprichten en inrichten van jongens-patronaten met een verzameling reglementen... (Rotterdam, 1917); Jaarboek der R.K. Universiteit te Nijmegen 1927-1928, 298-299; P.J.M. Aalberse, in Katholiek Sociaal Weekblad 27(1928) 277; Eigen Haard 54 (1928) 337; P.G. Groenen, in Annuarium der Roomsch-Katholieke Studenten in Nederland 27 (1929) 128-130; L.J. Rogier, 'Op- en neergang van het integralisme', in Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 12 (1970) 257-357. Herdr. in L.J. Rogier, Herdenken en herzien (Bilthoven, 1974) 29-131; P.J. Conijn en G.S. Hoogewoud, '75 jaar St.Bavo', in Jaarboek Haerlem 1972, 53-90; B. Voets, Bewaar het toevertrouwde pand. Het verhaal van het bisdom Haarlem (Haarlem, 1981) passim.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, afb. 2a20013.

B. Voets


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013