Cobbenhagen, Martinus Joseph Hubertus (1893-1954)

 
English | Nederlands

COBBENHAGEN, Martinus Joseph Hubertus (1893-1954)

Cobbenhagen, Martinus Joseph Hubertus, hoogleraar economie (Gulpen 10-9-1893 - Tilburg 10-2-1954). Zoon van Johannes Franciscus Hubertus Cobbenhagen, kaarsenmaker, en Maria Catharina Hubertina Ramaekers. afbeelding van Cobbenhagen, Martinus Joseph Hubertus

Cobbenhagen volgde van 1906 tot 1913 de opleiding aan het klein seminarie en van 1913 tot 1916 aan het groot seminarie, waarna hij op 14-3-1917 tot priester werd gewijd. In 1917 ving hij aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam de studie economie aan, om die in 1921 met het doctoraal examen af te ronden. Vervolgens werd hij leraar handelswetenschappen en godsdienstleer aan de hogere handelsschool van de bekende Limburgse katholieke onderwijsinstelling Rolduc, waar hij zelf seminarieleerling was geweest. Op 28-9-1927 promoveerde hij bij zijn Rotterdamse leermeester, de economist prof. F. de Vries, op het proefschrift De verantwoordelijkheid in de onderneming (1927).

Per 1-9-1927 bekleedde Cobbenhagen een buitengewoon hoogleraarschap aan de in dat jaar opgerichte Roomsch-Katholieke Handelshoogeschool, Hoogeschool voor Maatschappijwetenschappen, te Tilburg, op 1-9-1929 omgezet in een tot aan zijn overlijden vervuld gewoon hoogleraarschap, tot 1935 nog gecombineerd met enkele lessen aan Rolduc. Voor beide hoogleraarschappen luidde de leeropdracht 'algemeene leer en geschiedenis der economie' (tot 1946: 'en aansluitende vraagstukken uit de organisatie van den handel en de onderneming'). In 1935 was hij een van de oprichters en daarna tot aan zijn dood redactielid van het maandschrift Economie, het Tilburgse economenblad, dat meer dan De Economist plaats inruimde voor bijdragen over vraagstukken van de sociaal-economische ordening. Van 13-7-1942 tot 20-4-1943 werd hij door de bezetter in Haaren (Nb) geïnterneerd in verband met zijn houding ten aanzien van de hogeschool. In 1947 viel hem de onderscheiding van geheim kamerheer van de paus ten deel.

Cobbenhagen drukte in de fase van de voorbereiding van de oprichting van de Tilburgse hogeschool alsmede daarna een zeer sterk stempel op het onderwijs en het leven van die instelling. Hij was een initiërende en stimulerende persoonlijkheid. Zijn opvatting lag in belangrijke mate ten grondslag aan de conceptie van een opleiding voor de praktijk van het sociaal-economische leven, evenwel op wetenschappelijke basis gebouwd. Vanuit dit oogpunt werd, zonder dat de eis van wetenschappelijkheid van de economische opleiding uit het oog verloren werd, nadruk gelegd op ethische en moraaltheologische aspecten. Tevens bevorderde Cobbenhagen de aanvulling van de Tilburgse economieopleiding met psychologie en sociaal-wetenschappelijke vakken. Door deze initiatieven en stimulansen, alsmede door zijn inzet voor het bestuur van de instelling en zijn aandacht voor studentenleven en studenten, verwierf Cobbenhagen zich de roep van 'vader van de hogeschoolgemeenschap'.

Zijn publicistische activiteit bracht, behalve het proefschrift, geen wetenschappelijke boekwerken voort, maar vond vorm in artikelen, voordrachten en boekbesprekingen. Diverse van die publikaties hadden, kenmerkend voor Cobbenhagens optreden, betrekking op onderwerpen die worden getypeerd door de ondertitel van zijn bundel De Tilburgsche Hogeschoolgemeenschap. Verzamelde opstellen en voordrachten over wetenschapsbeoefening, economisch hoger onderwijs en academische levensstijl (1945); diverse voordrachten in deze bundel zijn voor studenten gehouden. De eerste economische publikaties van Cobbenhagen betroffen, inclusief het proefschrift, de ondernemingsleer, maar breidden zich later uit tot de denkvormen van de economische wetenschap, de economische ordening en de prijs- en verdelingsleer.

Een van de uitgangspunten van Cobbenhagens economisch denken was de opvatting dat economie organisch is verbonden met sociologie en psychologie. Een geïsoleerde economische wetenschap is gevaarlijk, omdat deze bijdraagt aan menselijk materialisme en mechanisering van het leven. Een tweede belangrijk uitgangspunt was zijn filosofische en ethische (moraaltheologische) behandeling van economische vraagstukken. Economie was volgens Cobbenhagen een middenwetenschap tussen natuur- en geesteswetenschappen; zij dient kwalitatieve elementen met kwantitatieve te verbinden. De positivistische analyse van economische grootheden als kwantitatieve elementen in een gesloten systeem van reactieketens en functionele betrekkingen is eenzijdig. Zij dient samen te gaan met inzicht in het wezen van de dingen en met beoordeling van doelmatigheid. Zo gaat het in de prijsleer, behalve om het hoe van de prijsvorming en van de totstandkoming van de evenwichtsprijs, ook om het waarom en het waartoe - de doelmatigheid - van prijsvorming. Bij deze doelmatigheidsbeoordeling zag Cobbenhagen het directe economisch-materiële welvaartsdoel uiteindelijk in het licht staan van het hogere einddoel, dat voor hem religieus was. Hiermee is tevens de weg geopend tot de beoordeling van de vraagstukken van economische ordening en economische politiek.

Bij zijn filosofische-ethische behandeling van economische vraagstukken was Cobbenhagen als katholiek georiënteerd op het neothomisme. Deze normatieve benadering mocht volgens Cobbenhagen uitdrukkelijk niet leiden tot aantasting van de harde theoretische kern van de economische wetenschap. Als zijnswetenschap bezit de economie een eigen formeel object - de studie van menselijk gedrag gericht op het welvaartsdoel - zulks onderscheiden van het formeel object van de ethica als normatieve wetenschap. Hiermee wilde Cobbenhagen de in de katholieke kring toenmaals nogal eens gebruikelijke vermenging van economisch-wetenschappelijk met levensbeschouwelijk denken voorkomen. De thomistische filosofie biedt vanuit zichzelf geen oplossingen voor de praktijk van het economisch leven. Voor deze nadruk op de handhaving van de zuiverheid van het economisch-wetenschappelijk denken stond Cobbenhagens Rotterdamse opleiding garant en speciaal de invloed van prof. De Vries.

Tijdens het interbellum behoorde Cobbenhagen, op basis van bovenstaande denkbeelden, samen met prof. J.A. Veraart, mgr. prof. F.A. Weve, prof. H.A. Kaag en prof. C.P.M. Romme, tot de uitdragers van de katholieke sociaal-economische ideeën. Deze vonden hun inspiratie onder meer bij de econoom en hoogleraar Heinrich Pesch s. j. en de pauselijke encycliek Quadragesimo Anno (1931). In dit kader bepleitte Cobbenhagen c.s. het solidarisme als sociaal-economisch ordeningsprincipe, als uitweg uit het dilemma van individualistisch kapitalisme - het geloof in de vrije werking van het prijzenstelsel - en staatssocialisme. De veelheid van individuele doeleinden behoeft met het oog op de gemeenschap als totaliteit een organische en hiërarchische ordening. Dit mag echter niet op basis van de staatsalmacht, maar, krachtens het subsidiariteitsbeginsel, doordat publiekrechtelijke bevoegdheden toevallen aan de in harmonie samenwerkende werkgevers en werknemers.

P: Bibliografie in De economist Cobbenhagen. Economische geschriften van prof. dr. M.J.H. Cobbenhagen (Amsterdam [etc.], 1957) 587-605.

L: Rolduc 1843-1943 (Kerkrade, 1943) passim; herdenkingsartikelen van F.A. Weve [et al.] in onder P genoemd werk; Katholieke Hogeschool Tilburg (Baarn, 1978) I, vooral 37-50, 141-144 en 269-271.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a20020.

A.C.A.M. Bots


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013