Coenen [jr.], Frans (1866-1936)

 
English | Nederlands

COENEN [JR.], Frans (1866-1936)

Coenen [jr.], Frans, schrijver, essayist, criticus (Amsterdam 24-4-1866 - Amsterdam 23-6-1936). Zoon van Franciscus Hendricus Coenen, directeur van het Amsterdams Conservatorium en componist, en Anna Maria van El. Gehuwd op 11-10-1899 met Louise Sophia Vischer. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

afbeelding van Coenen, Frans

Frans Coenen werd als derde kind geboren in een solide, burgerlijk gezin, dat als een koesterende couveuse om het zwakke astmatische jongetje neergezet scheen. Doordat zijn ziekte hem veelal afsloot van contact met leeftijdgenoten, verliep zijn bezoek aan school en universiteit moeizaam. Na op 15 juli 1886 voor het staatsexamen geslaagd te zijn ging hij in Amsterdam rechten studeren. Vanaf 1884 al, tot 1901, hield hij een dagboek bij, waaruit een zwaarmoedige, melancholieke jongeman naar voren komt, die zich overgeeft aan afkeer van de monotonie van zijn bestaan en aan gedachten over de dood. Ter verontschuldiging van zijn geringe prestaties haalt hij zijn astma aan:' 't Is een goede, beste vriend in plaats van 'n vijand. Hij vrijwaart mij voor veel, geeft me gelegenheid aan mijn neigingen (vooral luiheid) toe te geven en maakt me nog interessant op de koop toe. Wat wil je meer? Onoprechtheid in folio, veel ijdelheid, wat sentiment, ziedaar 't mixtum compositum, dat ik m'n karakter noem. Dit zijn positieve eigenschappen, negatieve zijn: geen wilskracht, geen plichtsgevoel, geen werklust enz., terwijl ik tusschenbeide een gevoel heb of ik toch 'n best mensch ben, vooral wanneer ik van iets onrechtvaardigs lees' (eerste schrift, zaterdag 29 oktober 1887).

De belangrijkste ontdekking van zijn studententijd was zijn schrijftalent. Naast journalistieke arbeid en enkele novellen, veelal in Propria Cures gepubliceerd, werkte hij aan wat later de roman Verveling zou worden. Op 6 juli 1892 promoveerde Coenen ook tot doctor in de rechtswetenschap bij J.P. Moltzer op de dissertatie De Fransche wet tot bescherming van verwaarloosde en mishandelde kinderen, die blijk geeft van een groot sociaal besef.

In december 1892 deed hij zijn entree als journalist bij het Rotterdamsch Nieuwsblad, een baan die hem weinig voldoening gaf. In januari 1894 stapte hij over op de Oprechte Haarlemsche Courant, waarvoor hij tot 1910 toneel, schilderkunst en muziek recenseerde. Aanvankelijk combineerde hij dit noodgedwongen met werkzaamheden aan De Nederlandsche Bank. Het jaar 1895 zou voor Coenen van uitzonderlijk belang zijn. In de eerste plaats werd hij benoemd tot conservator van de kunstverzameling Willet-Holthuysen (in een statig grachtenhuis) aan de Herengracht te Amsterdam. Dit museum bracht hem een verzekerd bestaan en een grote vrijheid om voor zichzelf te werken. Ten tweede vond Coenen een spiritueel onderkomen in het in dat jaar opgerichte tijdschrift De Kroniek, dat, onder leiding van P.L. Tak, de taak van De Nieuwe Gids wenste voort te zetten, maar, in Coenens woorden in het herdenkingsnummer van De Kroniek 19 oktober 1907, 'in minder individualistischen geest', om 'opnieuw het begrip eener eenheidlijke, samenstellende cultuur ingang doen vinden.'

Veel verbetering in zijn stemming bracht dit alles evenwel niet. Op 15 augustus 1895 noteerde hij in zijn dagboek: 'Ik sleep 't leven achter mij aan over de dagen heen als een gewicht van verlangen en verveling' (derde schrift, p. 20). Toch vond hij een zeker evenwicht, dat in 1899 ook zijn neerslag kreeg in zijn huwelijk met Louise Vischer. Dit huwelijk heeft echter geen van beiden voldoening kunnen schenken. Coenen was in ontwikkeling zijn vrouw te zeer de meerdere, wenste bovendien haar verlangen naar kinderen niet te vervullen.

Tussen 1892 en 1905 schreef Coenen acht uiterst sombere romans en verhalenbundels, Verveling (1892), Studies (1894), Een zwakke (1896), Bleeke levens (1899), Zondagsrust (1902), In duisternis (1903), Vluchtige verschijningen (1903) en Burgermenschen (1905). Het zijn alle naturalistische verhalen, nauwkeurig in hun beschrijving, niet helemaal ontbloot van het sensitivistisch taalgebruik van de Tachtigers, en met een grote voorkeur voor alles wat grauw en triest, uitzichtloos en lelijk is; verveling is de belangrijkste gemoedsgesteldheid van zijn hoofdpersonen, de dood veelal het enige object van hun verlangen. Opvallend aan dit zuiver beschrijvende proza is het nagenoeg geheel ontbreken van symbolische bestanddelen, hetgeen in strijd is met zijn eigen artistieke opvattingen zoals hij die belichaamd zag in De Kroniek. Volgens zijn biograaf K.F. Proost moet hij eens gezegd hebben: 'Mijn vrienden hebben zich van kant gemaakt, maar ik heb mijn misère van mij afgeschreven' (p. 79). Het is niet onwaarschijnlijk dat Coenens zwaarmoedige verhalen inderdaad die functie hebben gehad. Tussen 1905 en 1936 heeft hij, op enkele schetsen na, geen fictie meer geschreven.

Sedert 1905 zette Coenen zich tot de systematische studie van G.J.P.J. Bolland, en via deze van Hegel. Bij hen vond hij de verzoening van leed en leven, van kunst en denken. Hij leerde 'dat noodzakelijkheid en toeval, determinisme en vrije wil onafscheidelijk bijeen horen en voor het menselijke te aanvaarden zijn' (Proost, 83), hij ontdekte het bestaan van de 'algemeene bijzonderheid', van een realisme dat boven zich uit kan stijgen.

In de jaren 1924/1925 heeft hij in drie studies zijn positie omschreven. In zijn Studiën van de Tachtiger Beweging (1924) omschreef hij op p. 34 die beweging als 'een zomerbui: heftig, verfrisschend, en snel voorbij'. Hun poging de dingen opnieuw te 'zien', hun weigering zich neer te leggen bij oude sjablones prees hij, het feit dat ze zich willens en wetens buiten de maatschappij stelden merkte hij aan als hun grote tekort, de reden van hun snelle veroudering. Uit 1924/1925 dateren ook twee grote studies, over J.A. Strindberg en H. Ibsen. In een vergelijking van de toneelstukken Freule Julie en Rosmersholm gaf hij zijn voorkeur: bij Ibsen 'staan wij van aangezicht tot aangezicht voor het levensmysterie, voor de ontzaglijke, grimmige ernst van het Leven. En voelen ons wat triester en wijzer geworden, terwijl Strindberg in zijn Freule Julie ons enkel verslagen laat.' (Verzameld werk, 330). Bij zijn kritische werk herkende Coenen zijn positie het meest bij Herman Heijermans, Frederik van Eeden, Carry van Bruggen, J. van Looy en bij Arthur van Schendel. Ze sloot hem enigszins af van literaire stromingen van de jaren dertig.

Het beste wat Coenen schreef bewaarde hij tot het eind van zijn leven. Onpersoonlijke herinneringen (1936) is de kroniek van een huis en zijn bewoners, van wat later het Museum Willet-Holthuysen was geworden. Het is geschreven op de ragfijne grens tussen fictie en werkelijkheid en geeft de decadentie als beschreven in bijvoorbeeld Buddenbrooks van Thomas Mann op zo'n fijnzinnige en specifiek Nederlandse manier weer, dat het Coenens meesterwerk genoemd mag worden.

Korte tijd heeft Coenen als schrijver een vooraanstaande positie ingenomen. Lodewijk van Deyssel sprak zelfs van een 'machtig kunstenaarschap'. Maar al spoedig komt de kritiek, en vanaf 1925 is zijn roem als schrijver van fictie voortdurend gedaald. De poging om, door een herdruk van Verveling, in het zog van enigszins verwante auteurs als M. Emants en J. van Oudshoorn de belangstelling voor Coenen te doen herleven liep op niets uit.

Zijn belangrijkste invloed heeft Coenen gehad als criticus en kroniekschrijver. Bij elkaar verschenen van zijn hand ongeveer 1650 boekbesprekingen, 900 artikelen over toneel, 330 over muziek, 320 over schilderkunst, 850 kronieken en 120 sociale artikelen. Uit alles komt een, in de omschrijving van Herman Robbers, 'vat vol tegenstrijdigheden' naar voren. Hij was lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), maar in wezen conservatief, schold op elke burgerlijkheid en verlangde naar knusse intimiteit, bewonderde maatschappelijke energie, maar kwam zelden uit zijn individualistische afzijdigheid. Zijn invloed bleef bij dit al ook beperkt: zijn ironie en sarcasme over cultuur en samenleving van zijn dagen waren even nauwkeurig als de omschrijving van zijn voorkeur aarzelend en onzeker, zijn kritiek was even progressief als zijn filosofie reactionair (in niet-politieke zin). Voor zijn vele vrienden en vriendinnen was hij echter zoals H.P.L. Wiessing hem geschilderd heeft in zijn levensherinneringen Bewegend portret (Amsterdam, I960): de vooral lieve man, geestig en hartelijk, wat hulpeloos wellicht, en altijd met een groot besef van verantwoordelijkheid.

A: Collectie-Coenen in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage. Collectie-Coenen in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek.

P: Behalve de reeds genoemde: Verzameld Werk (Amsterdam 1956).

L: K.F. Proost, Frans Coenen (Arnhem 1958). Proefschrift Amsterdam; Ruth Wolf, Van alles het middelpunt. Over leven en werk van Carry van Bruggen (Amsterdam 1980); Frans Coenen. Samengest. en ingel. door Jan Fontijn en Gideon Lodders (Amsterdam 1981). De Engelbewaarder: 20.

I: K.F. Proost, Frans Coenen (Arnhem 1958) t/o titelpagina.

W. Otterspeer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013