Coster, Dirk (1887-1956)

 
English | Nederlands

COSTER, Dirk (1887-1956)

Coster, Dirk, essayist en criticus (Delft 7-7-1887 - Delft 8-10-1956). Zoon van Hendrik Nicolaas Coster, timmerman-aannemer, en Martina Haagmans. Gehuwd op 8-12-1920 met Elisabeth Cornelia Coster (1879-1955), tekenares. Na echtscheiding (23-5-1949) gehuwd op 2-12-1955 met Maria Gerarda van Kranendonk (1890-1979), onderwijzeres en dichteres. Uit beide huwelijken werden geen kinderen geboren. afbeelding van Coster, Dirk

Coster bezocht te Delft de lagere school. Op dertienjarige leeftijd werkte hij gedurende één maand op het kantoor van Van Markens Drukkerij NV te Delft, waarna hij in het najaar van 1900 in dienst trad bij de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek te Delft. Aanvankelijk werkzaam op de loonafdeling van dit in sociaal opzicht vooruitstrevende bedrijf, werd hij al spoedig tewerkgesteld bij het secretariaat van de oprichter van de fabriek, J.C. van Marken, wiens fysieke toestand rond de eeuwwende zodanig was dat hij zich nog uitsluitend met De Fabrieksbode, het door hem opgerichte personeelsorgaan, bezighield. Niet onwaarschijnlijk is het dat Coster, zij het anoniem, aan dit orgaan heeft meegewerkt. In deze periode volgde hij een door de fabriek verzorgde avondcursus, waardoor hij kennis maakte met de Nederlandse literatuur.

In 1903 nam hij ontslag om zich aan de literatuur te wijden. Op weg naar Italië, waar hij lange tijd wilde verblijven, strandde hij in Parijs, na in Brussel kennis gemaakt te hebben met Pieter van der Meer de Walcheren, welke ontmoeting een grote invloed op zijn verdere leven heeft gehad. Van der Meer liet hem kennis maken met het werk van o.a. Rimbaud, Villiers de l'Isle Adam en Bloy.

Na terugkeer in Nederland verscheen zijn vertaling van G. Flauberts Trois contes onder de titel De legende van H. Juliaan den herbergzame (1906) bij de uitgever Meindert Boogaerdt jr., die in die tijd veel werk van jongeren als Van Eyck en Greshoff uitgaf. Voor deze uitgever stelde hij ook, naar analogie van een toen in zwang zijnde internationale serie, een bloemlezing uit de Nederlandse poëzie samen, 'Honderd van de schoonste gedichten in de Nederlandsche taal', welke bloemlezing door het faillissement van Boogaerdt niet verscheen. Er bleef echter een drukproef van bestaan, die in 1927 ten grondslag lag aan Costers talloze malen herdrukte De Nederlandsche poëzie in honderd verzen, mét Costers bloemlezing uit de moderne poëzie, Nieuwe geluiden (1924), wel zijn bekendste boek. In dit didactische werk lag Costers grote kracht. Zijn eerste oorspronkelijke publikatie was intussen reeds in 1919 verschenen in de vorm van een bundeltje aforismen, geheten Marginalia. Deze uitgave had aanvankelijk een groot succes en werd in vele talen uitgegeven. Ook was hij reeds een criticus van enige faam. Mede op aansporing van Johan de Meester publiceerde hij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, De Wereld, Europa en De Gids. Uitvloeisel van zijn werk als criticus waren talloze lezingen die hij voor een vaak veelkoppig publiek hield over de Nederlandse literatuur. Zijn op deze wijze uitgeoefende invloed was groot. Hij wist belangstelling te wekken voor de Nederlandse literatuur met aandacht voor de vormgeving en de moraal. In korte tijd vestigde hij een groot gezag. Er is sprake van geweest dat hij in de redactie van De Gids zou worden opgenomen, maar loyaliteit ten opzichte van zijn vriend Just Havelaar, die zich de toegang tot De Gids steeds meer belemmerd zag, deed hem besluiten om samen met Havelaar een eigen tijdschrift op te richten. In april 1920 stuurden zij aan potentiële medewerkers hun programma, waarna in januari 1921 het eerste nummer van De Stem verscheen. Het tijdschrift zou tot in 1941 blijven bestaan. Coster publiceerde er al zijn kritische werk in; daarvan verscheen in 1925 een verzamelbundel. Voor deze bundel ontving hij de C.W. van der Hoogt-prijs. In 1930 werd aan De Stem een ook afzonderlijk verschijnend Critisch Bulletin toegevoegd, onder leiding van Anthonie Donker. Na de oorlog zou Donker De Nieuwe Stem oprichten, als De Stem een ethisch gericht tijdschrift, waarin echter geen plaats meer was voor Coster. Zijn lidmaatschap van de Kultuurkamer, waarvoor hij overigens na de bevrijding niet werd veroordeeld, zal aan dat feit niet vreemd zijn geweest, hoewel Coster voor de oorlog een vroeg en vurig bestrijder van het fascisme was, bijvoorbeeld met zijn rede Waarheen gaan wij?... bij het tienjarig bestaan van De Stem.

Costers eerste belangrijke kritische werk is zijn polemiek met Willem Kloos in maart 1912 in De Wereld geweest, waarin Coster opkwam voor het recht van de persoonlijkheid in de kritiek. Coster bepleitte een 'hoogere' kritiek, waarin de criticus eigen denkbeelden ontvouwde en een standpunt tegenover het door hem besproken werk innam. Costers bloemlezing Nieuwe geluiden (1924) en zijn voorkeur daarin voor de humanitair-expressionistische dichters deden hem in aanvaring komen met de jongeren rondom Het Getij en De Vrije Bladen , die hem een te grote vaagheid en weekheid verweten. Nadat Coster in mei 1931 in De Stem zijn artikel 'Een vijand gevraagd' publiceerde, waarin hij zijn tegenstanders uitdaagde nu eindelijk eens met argumenten tegen zijn werk te komen, culmineerde de aanval in E. du Perrons vernietigende Uren met Dirk Coster (1933), waarin vooral Costers hoogdravendheid en verhevenheid belachelijk werden gemaakt. Na Du Perrons aanval slaagde Coster er steeds minder in uitgevers voor een bundeling van zijn werk te interesseren; veel van wat hij in de periode voor en na de oorlog schreef, zou daardoor pas in zijn Verzameld werk voor de eerste maal gepubliceerd worden. Dat neemt niet weg dat Costers werk van een diepe ernst getuigt; zijn standpunten zijn gedeeltelijk nog steeds de moeite waard, omdat zij in de strijd om nieuwe waarden die in de jaren dertig op velerlei fronten gestreden werd, een niet onbelangrijke rol vervulden. Daarvoor is het echter nodig zijn werk van de thans voor velen onverteerbare hoogdravendheid te ontdoen. Literatuurkritiek was voor Coster levenskritiek. Zijn tijdschrift De Stem is niet voor niets gekenschetst als het brandpunt van humanistische en vitalistische stromingen tussen de beide wereldoorlogen.

Coster ontving in 1953 de Marianne Philips-prijs voor zijn hele oeuvre. In 1952 werd hij tot ereburger van de stad Delft benoemd. De meeste voldoening zal hem het doctoraat h.c., dat hem in 1954 door de Universiteit van Amsterdam met als promotor Donkersloot werd verleend, hebben gegeven.

A: Archief in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie van zijn afzonderlijk verschenen werken in het bio- en bibliografisch kaartsysteem van bovengenoemd Museum; eveneens in deel 12 van zijn Verzamelde werken (Leiden, 1970) alwaar ook een bibliografie van zijn verspreide publikaties.

L: E. du Perron, Uren met Dirk Coster (Amsterdam, 1933); D. Bartling, Het begrip ,,leven" in de kunstleer van hedendaagse Nederlandse literatoren (Assen, 1935); G.H. 's-Gravesande, Sprekende schrijvers (Amsterdam, 1935) 115-132; W.L.M.E. van Leeuwen, Lezende onder de lamp (Enschede, 1947) 254-271; Paul de Wispelaere, 'Nijhoff contra Coster over poëzie', in De Tafelronde 4 (1957-1958) 4-5 (december) 120-124; idem, 'Dirk Costers levensbeschouwing', in De Vlaamsche Gids 42 (1958) 577-588; idem, 'Coster als criticus', in Nieuw Vlaams Tijdschrift 3 (1958-1959) 103-113; Theun de Vries, Meesters en vrienden (Amsterdam, 1962); J.J. Oversteegen, Vorm of vent (Amsterdam, 1969) 27-35 en 106-121; L. Mosheuvel, 'Over de historische context van 'Prisma", in Studia Neerlandica 1 (1970) 3 (,) 77-94; Paul de Wispelaere, Van Stem tot anti-Stem (Antwerpen, 1974) Proefschrift Universitaire Instelling Antwerpen; Martien J.G. de Jong, Over kritiek en critici. Facetten van de Nederlandstalige literatuurbeschouwing in de twintigste eeuw (Tielt [etc.], 1977); Paul de Wispelaere, 'Ter Braak en De Stem', in Bzzlletin 6 (1977-1978) 54 (maart) 109-115.

I: De briefwisseling tussen P.N. van Eyck en Aart van der Leeuw. Uitg., ingel. en van aant. voorzien door P. Delen (Den Haag, 1973) 87.

S.A.J. van Faassen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 13-09-2017