Dijk, Jannes Johannes Cornelis van (1871-1954)

 
English | Nederlands

DIJK, Jannes Johannes Cornelis van (1871-1954)

Dijk, Jannes Johannes Cornelis van, minister van Defensie en militair jurist (Leeuwarden 1-12-1871 - 's-Gravenhage 9-2-1954). Zoon van Willem Jacob van Dijk, koetsier, en Cornelia Jansen van Rijssen. Gehuwd op 1-9-1898 met Elizabeth Wierda. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

afbeelding van Dijk, Jannes Johannes Cornelis van

Van Dijk kwam uit een streng gereformeerd milieu. Na de HBS volgde zijn opleiding tot officier op de Militaire School te Haarlem. Op 13 oktober 1892 werd hij benoemd tot tweede luitenant en geplaatst bij het 1e Regiment Infanterie. Het volgen van colleges in de rechts- en staatswetenschappen te Leiden van 1897 tot 1898 vergemakkelijkte een docentschap in militair recht aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda, dat van 1898 tot in 1908 werd vervuld. In 1904 publiceerde hij het Wetboek van militair strafrecht en Wet op de krijgstucht (Zwolle, 1904), waarvan in 1952 de vierde druk verscheen. In 1908 volgde een aanstelling tot onderdirecteur van de Topografische Inrichting te Delft. Bij Koninklijk Besluit van 26 maart 1913, no. 44 kreeg Van Dijk in de rang van kapitein eervol ontslag uit de militaire dienst en werd hij benoemd tot directeur van de Topografische Inrichting, welke functie hij tot in 1921 bekleedde. Onder zijn directeurschap werd het zg. stelsel van de 'bewoonde oorden' ontworpen ten behoeve van de 10-jaarlijkse volkstelling in 1920. Door deze nieuwe methode kon men ook van de nieuwe bebouwing in de afzonderlijke gemeenten een gedifferentieerder beeld verkrijgen dan anders mogelijk zou zijn geweest. De wijze van telling die voordien gehanteerd werd, leverde slechts bruikbare gegevens op over de gemeente in haar geheel, maar liet geen differentiatie toe.

Deze succesrijke, gedeeltelijk militaire maar vooral organisatorische loopbaan, bleef niet onopgemerkt. Toen in het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck de minister van Oorlog, W.F. Pop, in 1921 aftrad kwam de portefeuille van Oorlog beschikbaar. Deze werd aan Van Dijk als antirevolutionair aangeboden en door hem aanvaard, terwijl hij bovendien als minister ad interim voor Marine optrad. In het tweede kabinet-Ruijs de Beerenbrouck van 1922 tot 1925 zou Van Dijk minister van Oorlog blijven. Als bewindsman met deze taken trad Van Dijk naar voren als een goed debater, die kennis van zaken bezat en erin slaagde van zich af te spreken. Tijdens zijn ministerschap kwam de belangrijke dienstplichtwet van 1922 tot stand. Door deze wet werd het vredesleger uitsluitend een opleidingsinstituut en ontstond een nieuw mobilisatiesysteem, waarbij de zg. organisatie in de vredestijd vooral diende tot een voorbereiding en training van een tamelijk beperkte groep opgeroepenen die met vorige en volgende lichtingen bij mobilisatie op oorlogssterkte kon worden gebracht.

Na dit ministerschap bleef Van Dijk in de politiek: hij werd lid van de Tweede Kamer voor de antirevolutionaire fractie, waarin hij als expert voor defensie optrad. Bovendien behartigde hij voor zijn partij onder meer ook de problematiek rond de ontwikkeling van het omroepbestel. Van Dijk bleef lid van de Tweede Kamer tot 24 juni 1937, toen hij werd benoemd tot minister van Defensie in het vierde kabinet-Colijn. Deze post bekleedde hij vervolgens ook in het slechts enkele weken durende vijfde kabinet-Colijn (1939). Gedurende deze bewindspe-riode werd door Van Dijks voorstel de dienstplichtwet van 1922 gewijzigd, hetgeen een verlenging van de duur van de eerste oefening en een vergroting van het jaarlijkse contingent inhield. Zowel tijdens zijn kamerlidmaatschap als in zijn tweede ministerschap was Van Dijk een doortastend en consequent voorstander van herbewapening en versterking van de Nederlandse defensie. Hij beschouwde de landsverdediging als een heilige plicht, die van Godswege was opgelegd. Door de gewijzigde omstandigheden groeide na verloop van tijd de sympathie voor Van Dijks benadering, maar desalniettemin stuitte hij toch herhaaldelijk op de wens bij vele, ook regeringsgezinde, partijen al te hoog geachte kosten laag te houden. Aan hem was het in ieder geval niet of nauwelijks te wijten dat Nederland de Tweede Wereldoorlog inging met een nog in vele opzichten ouderwets gebleven en onvoldoende uitgeruste defensie. Afgezien van deze parlementaire en ministeriële activiteiten was Van Dijk bovendien maatschappelijk werkzaam. Zo was hij actief in het christelijk nationaal onderwijs en de christelijke psychiatrische zorg, de Nationale Christen Officieren Vereeniging, de Nederlandsche Militaire Bond, de Koninklijke Nederlandse Vereniging "Ons Leger", en de Dr. Kuyperstichting. Bovendien was hij in de periode 1929-1949 lid van het college van directeuren van de Vrije Universiteit. Op 20 oktober 1938 verleende de Vrije Universiteit hem het eredoctoraat, o.a. wegens zijn verdiensten als militair jurist.

Na de capitulatie van mei 1940 bleef Van Dijk actief. Hij was afgevaardigde van de Gereformeerde Kerken in het Interkerkelijk Overleg en maakte, toen Colijn als vertegenwoordiger van de antirevolutionaire stroming door verbanning was uitgevallen, deel uit van het Politiek Convent en het Nationaal Comité. Ook was hij lid van de Raad van commissarissen van De Standaard, in welke kwaliteit hij te maken kreeg met steeds sterker wordende Duitse druk, waaraan dit dagblad volgens menigeen te veel toegaf. Op 1 april 1943 werd hij door de Sicherheitspolizei gearresteerd en ingesloten in het 'Oranjehotel' te Scheveningen, vanwaar hij werd overgebracht naar het gijzelaarskamp Haaren en vervolgens naar het concentratie kamp Dachau, waar hij in 'Ehrenhaft' verbleef. Tijdens zijn gevangenschap maakte Van Dijk, die aan diabetes leed, diepe indruk op zijn lotgenoten. Binnen de kring van zijn medegevangenen bekleedde hij een leidende rol en was hij velen tot grote steun. Op 24 april 1945 met ongeveer 180 andere gevangenen door de SS uit Dachau weggevoerd belandde hij via Innsbruck en Zuid-Tirol in een dorpje in de Dolomieten. Daar werd hij met zijn lotgenoten door Amerikaanse troepen bevrijd. Op 19 mei keerde hij in Den Haag terug. Hem zou daarna in Nederland nog een lange levensavond beschoren zijn.

Van Dijk was een hardwerkend en consciëntieus man, hij was streng voor zichzelf, rechtlijnig, maar toch ook een gevoelsmens met fijnzinnige humor. Onder invloed van zijn gevangenschap nam hij later ten aanzien van personen en zaken een mildere houding aan dan vóór oorlog en bezetting het geval was geweest.

A: Archief-Van Dijk in Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme 1800-heden (VU-Amsterdam).

P: Samen met P.P.C. Collette, Militaire rechtspleging. Handleiding ten dienste van officieren en aanstaande officieren (Zwolle, 1901); 'De ontworpen wijzigingen van de Rechtspleging bij de Landmacht', in Orgaan der Vereeniging ter beoefening van de krijgswetenschap 1904-1905, 194-266; De positie van den Indischen officier behoort bij de Wet te worden geregeld. Voordracht in de algemene vergadering der Vereeniging ..Moederland en Koloniën" van 13 oktober 1906 ('s-Gravenhage, 1906); samen met O.G. James, Wetten en andere wettelijke voorschriften, verzameld ten dienste van het onderwijs in straf- en tuchtrecht aan de cadetten bestemd voor het leger hier te lande (Breda, 1911); 'Defensie', in Schrift en historie. Gedenkboek bij het vijftig-jarig bestaan der georganiseerde Antirevolutionaire Partij 1878-1928 [door J.H. Kok en G.M. den Hartogh] (Kampen, 1928) 187-202; Vijftig Jaren. Officiee lgedenkboek ter gelegenheid van het gouden regeringsjubileum van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina Helena Pauline Maria 1898-31 Augustus-1948. Onder red. van F. Beelaerts van Blokland, J.W. Albarda, J.J.C. van Dijk et al. (Amsterdam, 1948).

L: 'Eerepromotie van Dr. J.J.C. van Dijk', in Militair-Rechtelijk Tijdschrift 34 (1938-1939) 247-252; Trouw, 23-5-1945; K.E. Oudendijk, in Ons Leger 38 (1954) 2 (februari) 2-3; [Red.], in Militair-Rechtelijk Tijdschrift 47 (1954) 239; P.J. Oud, Het jongste verleden 2e dr. (Assen, 1968) passim; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969-1975) I, II, IV, V, VI; H. Algra, 'Iets over Dr. J.J.C. van Dijk', in Anti-Revolutionaire Staatkunde 40 (1970) 317-327.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 408.

C.M. Schulten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 13-04-2017