Donker, Leendert Antonie (1899-1956)

 
English | Nederlands

DONKER, Leendert Antonie (1899-1956)

Donker, Leendert Antonie, jurist en staatsman (Almkerk 7-9-1899 - Rotterdam 4-2-1956). Zoon van Antonie Willem Donker, landbouwer, en Hendrika Beuzekom. Gehuwd op 10-6-1926 met Anna Elisabeth Maria Bosma. In dit huwelijk was 1 dochter. Na echtscheiding (19-7-1938) gehuwd op 25-8-1938 met Georgina Frederika Au-gusta Carstens. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Donker, Leendert Antonie

Donker begon, na in Gorinchem de HBS te hebben doorlopen en staatsexamen gymnasium-A te hebben gedaan, in 1920 met de rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1923 legde hij het doctoraal examen af. In 1924 vestigde hij zich te Rotterdam als advocaat en procureur.

Onder invloed van zijn Amsterdamse leermeester W.A. Bonger was hij in 1921 reeds toegetreden tot de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Daar vestigde hij spoedig de aandacht op zich. Al in 1926 werd hij secretaris van een partijcommissie, die in 1931 het bekende rapport Nieuwe Organen... (Amsterdam, 1931) over decentralisatie van staatszaken uitbracht. In 1927 kwam hij in de gemeenteraad van Rotterdam, waar hij vanaf 1931 optrad als fractievoorzitter. In dat zelfde jaar werd hij tevens lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en in 1935 van de Tweede Kamer. Deze functies vervulde hij ook na 1945, tot hij in 1952 minister werd.

In de beginjaren openbaarde zich al de eigenschap die hem steeds meer zou gaan kenmerken: een grote dadendrang, gepaard met een verwoestende werkkracht. Naast de genoemde functies zag hij nog kans allerlei andere werkzaamheden te verrichten, vóór 1940 bijv. als plv. griffier van de Raad van Beroep (1926-1928) en als lid van de Rijkscommissie inzake de werkloosheidsverzekering (1930-1935). Hij was door zijn werk zo bezeten dat hij de indruk wekte alleen daarvoor te leven. Dat hij zijn zwakke lichaam aldus te snel sloopte, deerde hem niet. Toen hij in 1956 aan een hartaanval overleed, kon men algemeen horen verluiden dat hij zich letterlijk dood had gewerkt.

Als jurist bleek hij zeer begaafd te zijn. Kritische instelling, geduld voor minutieus onderzoek, een fenomenaal geheugen en een scherpe geest behoorden tot zijn bagage, en door zijn rechtlijnig denken wist men wat men aan hem had, al kon de laatste eigenschap hem wel eens afsluiten voor de keerzijde van een zaak. In de Tweede Kamer was hij de juridische specialist van zijn fractie. Spoedig kwam hij terecht in de vaste kamercommissie voor privaat-en strafrecht, waarvan hij later voorzitter zou worden. In 1947 kreeg hij zitting in de staatscommissie die onder voorzitterschap van E.M. Meijers een nieuw Burgerlijk Wetboek (BW) moest samenstellen. In 1948 was hij reeds in voor het ministerschap van Justitie en in 1952 nam hij die post dan op zich. In 1947 viel hem het voorzitterschap ten deel van de parlementaire enquêtecommissie die een onderzoek moest instellen naar het regeringsbeleid 1940-1945. Daarnaast was hij nog lid van het ambtenarengerecht, plv. voorzitter van het scheidsgerecht voor de Ziektewet en bestuurslid van de Nederlandse Bond tot Kinderbescherming.

Bij zulk een duidelijke gerichtheid van de belangstelling wekt het geen verwondering dat de partijpolitiek hem niet zo lag. Toch zijn er in zijn leven twee kortstondige periodes geweest waarin hij zich nadrukkelijk met de partijpolitiek heeft beziggehouden: tijdens zijn verblijf in Eindhoven 1944/1945 en toen hij voorzitter was van de fractie van de Partij van de Arbeid (PVDA) in de Tweede Kamer 1951/1952.

Na een gijzelaarschap van augustus 1942 tot december 1943 te St. Michielsgestel was hij ondergedoken in de Betuwe, maar eind oktober 1944 had hij door de linies heen het bevrijde Eindhoven weten te bereiken. Daar presenteerde hij zich als een duidelijke hersteller, voor wie de vooroorlogse politieke partijen geenszins hadden afgedaan. Het ideaal van de 'doorbraak', waaraan sommigen in sociaal-democratische kring de SDAP wilden opofferen, was hem te vaag om na te streven. Met zijn prestige als Tweede-Kamerlid, dat hem in het bevrijde Zuiden tot een van de meest gezaghebbende figuren maakte, slaagde hij erin om in januari 1945 de Sociaal-Democratische Vereeniging voor Bevrijd Gebied op te richten, die de weg voor een terugkeer van de SDAP na de bevrijding van het gehele land moest openhouden. Hij werd er voorzitter van, en toen de vereniging per 1 maart 1945 Het Vrije Volk ging uitgeven, trad hij de eerste twee maanden op als hoofdredacteur. Als overtuigd democraat verweerde Donker zich ook tegen mogelijke antiparlementaire vernieuwingen in een bevrijd Nederland. Zo publiceerde hij in Het Vrije Volk het aan de Koningin gerichte Eindhovense adres van 2 november 1944 over het herstel van de democratie na de bevrijding. Aan de besprekingen die aan het adres voorafgingen had hij deelgenomen, en tijdens enkele bezoeken aan Londen had hij reeds iets vernomen omtrent plannen tot hervorming die naar zijn overtuiging een meer autoritaire regeringsvorm beoogden. Donker nam vooral aanstoot aan de passage in het adres om in de vertegenwoordigende lichamen alleen nog maar personen op te nemen 'die de mogelijkheid en noodzakelijkheid eener sterkere nationale binding op Christelijken grondslag erkennen, den opbouw van het organisch leven in onze volksgemeenschap en de aanpassing van Staats- en Rechtsleven aan de verdere eischen van den nieuwen tijd voorstaan'. Dat, aldus Donker, had niets meer te maken met de grondbeginselen van de pluriforme parlementaire democratie. Sleutelen aan de grondwet buiten de daartoe dienende kanalen was hem een gruwel.

Met het voorzitterschap van de Parlementaire Enquêtecommissie heeft Donker verdiende roem behaald. Onder dit voorzitterschap verschenen vijf van de in totaal acht volumineuze verslagen. Voor de wijze waarop, juist dank zij Donker, deze verslagen tot stand zijn gekomen had men van verschillende kanten - ook van historisch-wetenschap-pelijke zijde (vgl. L. de Jong, in Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 73 (1959) 26-57)-grote lof.

In 1951 moest Donker het voorzitterschap van de PVDA-fractie in de Tweede Kamer erbij nemen, nadat de toenmalige voorzitter jhr. M. van der Goes van Naters gestruikeld was over de Nieuw-Guineakwestie. In zijn nieuwe hoedanigheid liet Donker meer dan eens blijken een kabinet op smalle basis (PVDA en Katholieke Volkspartij) te prefereren. Maar realist als hij was, deed hij na de verkiezingen van 1952 een - overigens vergeefse - poging om een kabinet op brede basis te vormen en trad hij toe tot het uiteindelijk door W. Drees gevormde brede-basiskabinet.

Zijn ministerschap mag gerust spectaculair genoemd worden. Daar waar voorgaande ministers nogal eens in eindeloze overwegingen waren blijven steken, koos hij snel voor een bepaalde richting en hield hij daaraan onverzettelijk vast; daarbij bezat hij de gave door een zakelijke, langzame wijze van opbouwend argumenteren - vaak urenlang - de Kamers vrijwel altijd aan zijn zijde te krijgen, al zijn er ook momenten van uitbarstingen van ergernis of ongeduld te signaleren. In totaal staat onder 69 wetten zijn handtekening, o.a. met betrekking tot ontslagrecht, adoptie, voogdij, crematie, justitiële documentatie, notarisambt, arbeidsovereenkomst, kinderbescherming, gevangeniswezen; bij zijn overlijden waren 21 wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer aanhangig en had hij er nog eens 25 in voorbereiding. Voor zijn ijver heeft Donker veel bewondering ontmoet, maar zijn tempo lag zo hoog dat nauwelijks iemand hem kon bijhouden. In de Tweede Kamer is hem dan ook wel eens gevraagd - mede uit bezorgdheid voor zijn zwakke gezondheid - het wat kalmer aan te doen, maar daarnaar had Donker geen oren. Hij voelde het als zijn plicht het maatschappelijk bestel met zoveel mogelijk wetten en regels te omgeven en te waarborgen, niet alleen om wille van de rechtszekerheid, maar evenzeer uit overwegingen van gerechtigheid. Desondanks viel hem het verwijt van overdrijving ten deel; hij zou de burger met te veel verplichtingen en de uitvoerende macht met details overladen.

Aparte vermelding verdient dat Donker het voorbereidende werk tot herziening van het BW boven de grond heeft gebracht. Hij koesterde de verwachting in zijn ambtsperiode een nieuw BW tot stand te kunnen brengen. In overleg met het parlement heeft hij de hoofdlijnen vastgelegd en wetsontwerpen voor de eerste 4 van de 9 boeken ingediend. Het overlijden van de voorzitter van de staatscommissie, E.M. Meijers, in 1954 was een ernstige tegenslag, maar het was toch meer de weerbarstigheid van de materie die verhinderde dat Donker zijn rigoreuze tijdschema kon aanhouden. Achteraf is gebleken dat het gereedmaken van een nieuw BW niet één decennium, maar enkele decennia vergt.

Als minister van Justitie nam Donker ook nog deel aan de in 1952 gestarte Ronde-Tafelconferentie tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, die in 1955 leidde tot het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Samen met de ministers W.J.A. Kernkamp en L.J.M. Beel heeft hij de conferentie vooral over moeilijkheden rond de interpretatie van het zelfbeschikkingsrecht heengeholpen.

Uiteraard heeft Donker in zijn ambtsperiode zijn deel gehad van de problemen met de bijzondere rechtspleging. Onmiddellijk na zijn ambtsaanvaarding kreeg hij te maken met de gratieverlening aan de ter dood veroordeelde Willy Lages, chef van de Aussenstelle van de Sicherheitsdienst (SD) in Amsterdam. Met de doodstraf had hij in het algemeen de grootste moeite; nog daags vóór de Duitse inval in 1940 had hij in de Tweede Kamer gezegd absoluut afwijzend te staan tegenover de doodstraf, zolang het geen oorlog was. Maar na de bevrijding waarschuwde hij in de Kamer voor een te ruime toepassing van gratie. Eenmaal minister, werkte hij desondanks mee aan de gratiëring van Lages. Die zaak sleepte toen al meer dan twee jaar, en Donker achtte het met een behoorlijke rechtstoepassing in strijd een veroordeelde ter dood te brengen na hem zolang in onzekerheid te hebben gelaten over zijn lot, en durfde, tegen veel kritiek in, tot gratiëring te besluiten (24 september 1952). Enige maanden later, begin 1953, reageerde hij met een evenwichtig optreden in de Eerste Kamer n.a.v. de motie van J. in 't Veld (PVDA) met betrekking tot de ontsnapping op tweede kerstdag 1952 van zeven langgestrafte oorlogsmisdadigers uit de Bredase gevangenis. In het gratiebeleid wilde Donker levenslang veroordeelde oorlogsmisdadigers niet anders behandelen dan gewone criminelen en pas enige bekorting van de straftijd overwegen na een periode van 12 à 15 jaar detentie. Daarmee maakte hij een einde aan de zg. barmhartigheidspolitiek van zijn voorgangers; voor druk uit eigen land en uit Duitsland om een gematigder beleid te voeren is hij nimmer bezweken. Overigens had hij al vóór zijn ministerschap er blijk van gegeven het hanteren van oneigenlijke argumenten bij zuivering en bijzondere rechtspleging af te keuren. Vandaar zijn verontwaardiging in 1946, geuit in 'De laatste kans' in het Nederlands Juristenblad 21 (1946) 313-317 en in de Kamer, over het feit dat het beleid van de Hoge Raad in de bezettingstijd niet ter beoordeling mocht staan. Vandaar ook dat hij in 1946 was toegetreden tot de raad van advies van het Landelijke Comité voor Rechtszekerheid en in 1948 het voorzitterschap van de Raad voor het rechtsherstel op zich had genomen.

Na Donkers dood kwam in de tweede helft van de jaren '70 zijn naam in opspraak in verband met de toen geruchtmakende en slepende affaire-Menten. P.N. Menten werd alsnog vervolgd op grond van verdenking van medeplichtigheid aan executies in Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De verdachte suggereerde toen evenwel dat hij samen met zijn advocaat L.G. Kortenhorst eind 1952 een persoonlijk onderhoud had gehad met minister Donker en dat deze bij die gelegenheid had toegezegd hem niet langer te zullen vervolgen in ruil voor zijn toezegging geen hem ter beschikking staand belastend materiaal betreffende onregelmatigheden bij de bijzondere rechtspleging naar buiten te brengen. De officiële 'Commissie van onderzoek betreffende het opsporings- en vervolgingsbeleid inzake Menten...' (de zg. commissie-Schöffer) kon echter geen enkele positieve aanwijzing vinden die de veronderstelling wettigde dat zulk een onderhoud had plaatsgevonden; het tot stand komen van zulk een ruilhandel sloot de commissie zelfs geheel uit.

P: 'De ontwikkeling der onrechtmatige daad in hare juridische en sociale beteekenis', in De Socialistische Gids 13 (1928) 234-246 en 373-380; 'Het wetsontwerp inzake de winkelsluiting', ibidem, 14 (1929) 32-48; 'Wetgeving', in Onderdrukking en verzet. Nederland in oorlogstijd. [Onder red. van J.J. Bolhuis et al.] (Arnhem [etc.], ca. 1947) I, 354-376; Gereed tot de strijd (Amsterdam, 1952). Rede op verkiezingscongres PVDA 1952; 'De verkiezingsuitslag', in Socialisme en Democratie 9 (1952) 401-406.

L: A. Mulder, 'Rechtsontwikkeling onder leiding van minister Donker', in Socialisme en Democratie 13 (1956) 129-137; W.H. van Helsdingen, Het statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Wordingsgeschiedenis, commentaar en praktijk ('s-Gravenhage, 1957); L. de Jong, 'De verslagen van de Parlementaire Enquête-Commissie "Regeringsbeleid 1940-1945" en hun waarde als historische bron', in Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 73 (1959) 26-57; F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); J.L.G. van Oudheusden en J.A.M. Verboom, Herstel- en vernieuwingsbeweging in het bevrijde zuiden. Eindhoven, 's-Hertogenbosch en Waalwijk 1944-1945 (Tilburg, 1977); A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag. De geschiedenis van de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog (Assen, 1978); J.C.H. Blom, A.C. 't Hart, I. Schöffer, De affaire-Menten 1945-1976 ('s-Gravenhage, 1979. 2 dl.) passim; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1980) Xa, 2e helft, passim.

I: Website Parlementair Documentatiecentrum Leiden: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [11-12-2008].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013