Dresselhuijs, Hendrik Coenraad (1870-1926)

 
English | Nederlands

DRESSELHUIJS, Hendrik Coenraad (1870-1926)

Dresselhuijs, Hendrik Coenraad (bekend onder de naam Dresselhuys), politicus (Culemborg 31-12-1870 - 's-Gravenhage 16-12-1926). Zoon van Cornelis Willem Dresselhuijs, sigarenfabrikant en wethouder, en Anna Maria van den Bosch. Gehuwd op 16-1-1896 met Johanna Wilhelmina Elisabeth de Meijere. Uit dit huwelijk werden 3 dochters geboren. afbeelding van Dresselhuijs, Hendrik Coenraad

Dresselhuys bezocht het gymnasium te 's-Hertogenbosch en studeerde vervolgens rechten te Utrecht, waar hij op 10-2-1894 promoveerde bij W.L.P.A. Molengraaff op een dissertatie: Eenige beschouwingen naar aanleiding van de wet op de handels- en fabrieksmerken van 30 September 1893, Stbl. no. 146 (Utrecht, 1894). Hij werkte daarna als volontair, sinds 1896 als associé, op het drukke advocatenkantoor van het Tweede-Kamerlid P. Rink in Tiel. In 1903 werd Dresselhuys benoemd tot rechter in de arrondissementsrechtsbank aldaar; daarnaast was hij o.a. secretaris van de Kamer van Koophandel en lid van de gemeenteraad.

In 1906 werd Tiel verlaten voor vestiging in Den Haag wegens zijn benoeming tot chef van de afdeling Gevangenis-, Rijkstucht- en Opvoedingswezen van het departement van Justitie, met de rang van administrateur en als voornaamste taak de uitvoering van de Kinderwetten; daaraan kon in 1909 bij bevordering de persoonlijke titel van directeur-generaal van het Gevangeniswezen verbonden worden. Dresselhuys was hiermee in zijn ambtelijke loopbaan in de hoogste en meest verantwoordelijke sferen gekomen: hij was lid en secretaris van een staatscommissie ter voorbereiding van de herziening van het Wetboek van Strafvordering in 1910 en bekleedde van 3 juli 1911 tot 14 december 1916 het ambt van secretaris-generaal van Justitie, terwijl hij bovendien van 1911 tot 1913 fungeerde als regeringscommissaris bij de behandeling van het wetsontwerp tot wijziging van de rechtspleging bij de Landmacht en de Zeemacht. In die tijd stond zijn naam ook enkele malen op de voordracht voor de Hoge Raad. Uiteindelijk prefereerde hij toch een parlementaire loopbaan.

In 1905 behoorde Dresselhuys tot de ondertekenaars van het manifest der 75, dat tot oprichting van de Bond van Vrije Liberalen leidde. Als kandidaat van die partij werd hij in 1905, 1909 en 1913 verslagen in het overwegend confessionele district Wijk bij Duurstede. Op 14-12-1916 nam hij zitting in de Tweede Kamer voor Tiel, als opvolger van de overleden M. Tydeman. In 1917 verving hij deze ook als bondsvoorzitter, terwijl hij na de verkiezingen van 1918 tevens de leiding kreeg van de tot vier man geslonken kamerfractie.

Onder het systeem van evenredige vertegenwoordiging was een stembusakkoord als de liberale concentratie geen noodzaak meer. Dresselhuys had tevergeefs getracht tot samenwerking met de Liberale Unie te komen. In een belangrijke rede bij de behandeling der begroting in december 1917 had hij betoogd dat in de laatste decennia terecht veel aandacht en tijd van de Kamer was gevraagd voor arbeidersproblemen, maar dat de wetgevende macht ten aanzien van boeren en tuinders, ambachts- en kooplieden te kort geschoten was, zodat het aanzien van de volksvertegenwoordiging bij die bevolkingsgroepen geschaad was.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had diepe indruk gemaakt op de vredelievende Dresselhuys. Van 1914 tot 1919 was hij voorzitter van de overkoepelende Nederlandsche Anti-Oorlogsraad (NAOR), die herstel van de vrede door overleg nastreefde. In april 1915 organiseerde hij in Den Haag een internationale conferentie van geestverwanten, die leidde tot een reis van Dresselhuys naar Duitsland om een poging tot bemiddeling te ondernemen. Deze tocht bracht geen resultaat, aangezien Duitse instanties niet over een ontruiming van België wilden praten. Na de oorlog ontstond, o.a. uit de NAOR, de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede, waarvan Dresselhuys in 1925 voorzitter werd. Ook in de Tweede Kamer liet hij zich als voorstander van het internationaal streven naar vrede horen. Hij verzette zich echter tegen de eenzijdige ontwapening, die vrijzinnig- en sociaal-democraten voorstonden, daar Nederland in het kader van de handhaving der internationale rechtsorde zijn bijdrage tot een Volkenbondsleger zou moeten kunnen leveren.

Dresselhuys had zich ondertussen zeer geschokt getoond door de dreigende taal van Troelstra in november 1918. Hij steunde de meeste hervormingsvoorstellen van het kabinet-Ruijs. Zijn amendement om de voorgestelde werkweek van 45 uur te verlengen tot 48 uur, werd in 1919 door de Kamer verworpen, maar in 1922 feitelijk achteraf door de regering in een wetswijziging overgenomen. Ook in de naoorlogse periode was hij een warm voorstander gebleven van een samenwerking en liefst vereniging van alle liberale groeperingen. Bij de stichting van de Vrijheidsbond door samenvoeging van Unie- en Vrij-liberalen en enkele kleinere groeperingen (16 april 1921) werd hij voorzitter van het hoofdbestuur. Na de verkiezingen van 1922 nam hij ook de leiding van de nu tien personen sterke kamerfractie op zich. Als spreker, organisator en bemiddelaar was hij in de eerste jaren de bindende figuur in de Vrijheidsbond.

Op economisch gebied bleek duidelijk hoezeer Dresselhuys als liberaal leider de aloude principes hoog wilde houden: hij pleitte herhaaldelijk voor vrijhandel en voor meer vrijheid van de ondernemers na de opheffing van de in de oorlogsjaren onvermijdelijke beperkingen. Hij bleef echter voorstander van sociale verzekeringen ten bate van hen die zelf niet in staat waren voor hun eigen toekomst te zorgen. In plaats van de oude antithese tussen confessionelen en niet-confessionelen wilde Dresselhuys de tegenstelling tussen vrijheid en staatssocialisme accentueren. Hij pleitte in de jaren twintig dan ook voor een 'nationaal kabinet' van de Vrijheidsbond samen met confessionelen, op grond van overeenkomsten in de economische politiek. Hij vond bij rechts echter geen bijval.

Dresselhuys was een uiterst werkzaam en energiek man, veelzijdig van kennis en belangstelling, humaan en toegefelijk van gemoed. Hij kon moeilijk afwijzend reageren als voor een zinrijk doel een beroep op hem gedaan werd. Het werken was hem een vreugde, maar met zijn vele functies, die hij alle even consciëntieus vervulde, heeft hij ten slotte zijn gezondheid overbelast, zodat aan de opvallende vervulling van zijn partij- en fractievoor-zitterschap een te spoedig einde kwam. Hoe talrijk de taken waren die Dresselhuys naast zijn parlementaire werk vervulde, was inmiddels maar al te duidelijk geworden; zo had hij na 1917 o.a. de volgende functies bekleed: voorzitter van een staatscommissie ter voorbereiding van de regeling der rechtspositie van ambtenaren, voorzitter van het College van Toezicht op het Rijkstucht- en Opvoedingswezen, voorzitter van de Nederlandsche Tuin-bouwraad. Als secretaris-generaal van het Nederlandsche Roode Kruis deed hij in 1918 belangrijk werk voor de Belgische vluchtelingen.

A: Persoonlijke archief van mr. H.C. Dresselhuijs bij het Algemeen Secretariaat van de VVD te 's-Gravenhage.

P: Lijst van enige geschriften in hieronder genoemd artikel van P. Rink. Bovendien nog: Verantwoording. Rede... 23 Maart 1918 ('s-Gravenhage, 1918).

L: [Frans Netscher] 'Karakterschets mr. H.C. Dresselhuys', in De Hollandsche Revue 25 (1920) 629-644; Nederlandsch Juristenblad 1 (1926) 763-764; P. Rink, in Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en levensberichten harer afgestorven medeleden 1927-1928, 173-199; P.J. Oud, Het jongste verleden 2e dr. (Assen, 1968) I-III.

I: In memoriam Mr. H.C. Dresselhuys 31 december 1870-16 december 1926 (Den Haag 1927) afbeelding tegenover titelblad.

G. Taal†


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013