Dutilh, Jacques (1884-1960)

 
English | Nederlands

DUTILH, Jacques (1884-1960)

Dutilh, Jacques, advocaat, bankier en lid gemeenteraad (Rotterdam 19-6-1884 - Rotterdam 25-6-1960). Zoon van Christian Corneille Dutilh, advocaat en dispacheur, en Maria Eleonora van Stolk. Gehuwd op 24-6-1909 met Catharina Lamberta Mees. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. Na haar overlijden (7-1-1930) gehuwd op 21-7-1931 met Petronella Gerarda Johanna van Hall. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

afbeelding van Dutilh, Jacques

Dutilh stamt uit een familie die na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 al vrij spoedig naar Nederland emigreerde en zich hier onder meer in Rotterdam vestigde. Aanvankelijk waren zij op verschillende manieren in het bedrijfsleven werkzaam. In de tweede helft van de vorige eeuw wendden zij zich ook tot de universitaire beroepen. De vader van Jacques was een geziene advocaat en dispacheur, gemeenteraadslid en nog wortelend in de gemeenschap van de Waalse Kerk. Jacques zelf studeerde na zijn Erasmiaanse gymnasiumjaren sinds 1902 in Leiden in de rechten. Hij promoveerde op 24-2-1908 op stellingen. Na een jaar ervaring te hebben opgedaan op een dispacheurskantoor in Londen trad hij in 1909 als advocaat, procureur en dispacheur toe tot het kantoor van zijn vader, Mrs. C.C. Dutilh en P.L.M. Driebeek.

Jacques Dutilh was een typische liberale figuur van sociaal bewogen tendentie. Als jonge man werd hij reeds lid van de Gezondheidscommissie, in het verlengde van welke werkzaamheid hij zich inzette voor verbetering van de woningomstandigheden. Hij werkte mede aan de NV Maatschappij voor Volkswoningen en aan de NV Maatschappij voor Volkshuisvesting Vreewijk, die het tuindorp van die naam stichtte. Van beide instellingen werd hij later voorzitter van de raad van commissarissen. In dezelfde gedachtengang bevorderde hij de spaarzin van de bevolking. Hij werd zowel voorzitter van het bestuur van de Spaarbank te Rotterdam als van de Nederlandsche Spaarbankbond. Hij was ook lid van le Comité Permanent de l'Institution Internationale de l'Épargne. Het stond daarmede wel in verband dat hij lid werd van de Centrale Beleggingsraad te Amsterdam. Naast de materiële verheffing van de bevolking had ook de verhoging van het ontwikkelingspeil zijn actieve belangstelling. Zowel het lager als het middelbaar en hoger onderwijs hebben de vruchten geplukt van zijn feitelijke medewerking. Hij is voorzitter geweest van het bestuur van de Rotterdamsche Schoolvereeniging, evenals van het Rotterdamsch Lyceum. Gedurende zestien jaar was hij voorts, met enkele korte onderbrekingen, voorzitter van de Raad van Beheer van de Economische Hogeschool en ook enkele jaren van haar Algemeen Bestuur. Van 1954 tot zijn dood was hij daar curator. In dit laatste jaar verleende de Hogeschool hem haar zilveren legpenning. Hij maakte voorts deel uit van de algemene raad van de Volksuniversiteit te Rotterdam. Bij zijn eigen alma mater was hij lid van de toenmalige Universiteitsraad van het Leidsch Universiteits-Fonds. In weer ander verband diende hij de wetenschap als voorzitter van administrateuren van het Bataafsch genootschap voor proefondervindelijke wijsbegeerte in zijn moederstad. Ruimtelijk iets algemener was zijn lidmaatschap van de Raad van Beheer van de Nationale Luchtvaartschool. Weer specialistischer was zijn voorzitterschap van de Raad van de Vereniging van Nederlandse Padvinders, weswege hij in 1960 beloond werd met de zilveren Jacobstaf.

In het voetspoor van zijn vader trad Dutilh, in 1927, toe tot de gemeenteraad van Rotterdam, waar hij ruim dertig jaar deel uitmaakte van de verschillende denominaties die achtereenvolgens de liberale partij aanduidden. Uiteindelijk werd hij de nestor van de Raad. Hij was daar toen een man van onbestreden gezag, wiens medeleden, ongeacht hun politieke richting, gaarne het oor leenden aan zijn zaakkundige, objectieve en ongewoon beschaafde betogen.

Op 1 maart 1930 trad een grote verandering in zijn zakelijke leven in door zijn benoeming tot agent van de Nederlandsche Handel-Maatschappij te Rotterdam, dat wil zeggen tot directeur van haar Rotterdamse kantoor. Hij zou deze functie tot 1951 blijven bekleden. Daarnaast verloochende Dutilh zijn rechtskundige achtergrond niet: hij was rechter-plaatsvervanger in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam, plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Beroep bedoeld in de Beroepswet, alsmede van de Raad van Beroep voor de Directe Belastingen I. Reeds op jonge leeftijd maakte hij deel uit van het College van Regenten van de Strafgevangenis te Rotterdam.

Het spreekt vanzelf dat het bedrijfsleven ook in ruimer kring een beroep heeft gedaan op de medewerking van Dutilh. Zo was hij onder meer president-commissaris van Wilton-Fijenoord, commissaris van de NV Maatschappij van Assurantie, Disconteering en Beleening der Stad Rotterdam anno 1720, van de Amsterdamsche Maatschappij voor Levensverzekering NV, van de Overzeesche Gas- en Electriciteitsmaatschappij te Rotterdam, van de Stoomvaart Maatschappij Nederland te Amsterdam, van de Stuwadoors Maatschappij Progress te Rotterdam, en van de Java Sumatra Handel Maatschappij te Rotterdam. Hij was ook vele jaren lid van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam. Een lichtelijk anders gerichte zakelijke belangstelling toonde hij door zijn bestuurslidmaatschap van de Stichting Toneelcoördinatie. Voor het gezelligheidsleven in Rotterdam was het van enig belang dat Dutilh functies vervulde in verschillende besturen van sociëteiten en clubs. Van 1937 tot 1945 was hij voorzitter van de Stichting Havenbelangen, waar zijn brede kennis en representativiteit bijzonder tot hun recht kwamen. Mede werd hij consul-generaal van Tsjechoslowakije en in aansluiting daarvan bestuurslid van de Vereniging Nederland-Tsjechoslowakije en van de Nederlands-Tsjechoslowaakse Kamer van Koophandel.

Na de oorlog heeft Dutilh nog geholpen bij de niet gemakkelijke overgang naar normale verhoudingen, doordat hij zijn medewerking verleende aan de maatregelen waardoor de Nieuwe Rotterdamse Courant na de kleerscheuren die dit dagblad in de oorlog had opgelopen, een nieuw begin kon maken in de herboren vrijheid. In aansluiting daaraan werd hij na de hersteloperatie haar president-commissaris in een bijzonder moeilijk tijdvak. Kort voor zijn verscheiden heeft Dutilh, hoewel reeds lichamelijk ondermijnd, nog zakelijke belangen van zijn vaderland behartigd op een reis naar de Antillen, Venezuela en Peru.

Rotterdam heeft zijn toegewijde zoon in 1959 beloond met de uitreiking van de Van Oldenbarneveltpenning. Burgemeester G.E. van Walsum citeerde bij die gelegenheid het dichterwoord van de stadgenoot Jan Prins: 'zal de gemeenschap leven, dan moet de mens zich geven.'

L: NRC, 17-6-1954; NRC, 27-6-1960; G.E. van Walsum, in Rotterdams Jaarboekje 2e reeks 9 (1961)213-215.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 402.

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013